Clemenceau, de "vader van de overwinning"

Honderd jaar geleden werd Georges Clemenceau premier van Frankrijk. De"Tijger", zoals hij bekend was, bezorgde Frankrijk voor het eerst tijdens de Eerste Wereldoorlog een stabiele regering en kreeg als eretitel de "vader van de overwinning".

De meeste oorlogvoerende landen in de Eerste Wereldoorlog hadden geen duidelijk éénhoofdige leiding. Zelfs de almachtige Russische tsaar was te zwak en wankelmoedig om echt leiding te geven.

Frankrijk was een uitzondering, althans vanaf november 1917. Toen was Georges Clemenceau als premier en minister van Oorlog de onbetwiste leider van land, dat tot dan zwakke en verdeelde regeringen had gekend.

Clemenceau was een merkwaardig figuur voor die rol. Bij zijn aanstelling was hij al 76. Zijn stem was zwak, hij had een gele huid, leed aan diabetes en droeg handschoenen om het eczema op zijn handen te verbergen. Los daarvan had hij een opvallend uiterlijk.

“Een oude Mongool”, zo noemde de beroemde beeldhouwer Auguste Rodin hem, toen hij enkele jaren eerder een buste van zijn vriend maakte. Clemenceau, die het beeld niet mocht, maakte prompt een einde aan de vriendschap.  

Clemenceau was meer dan een politicus. Hij was eigenlijk arts. Hij was populair geworden als “dokter van de armen” in een Parijse volksbuurt, maar bovenal was hij journalist geweest. Hij had zijn eigen krant, waarin hij over politiek, maar ook over toneel en kunst schreef, en was bevriend met kunstenaars.

Zijn bijnaam “de Tijger” dankte hij aan zijn agressieve manier van politiek te bedrijven. Met zijn scherpe pen en zijn harde parlementaire redevoeringen bracht hij in zijn lange politieke carrière enkele regeringen ten val. Het bleef niet alleen bij woorden: “de Tijger” heeft een half dozijn duels uitgevochten, meestal met politieke tegenstanders die hem hadden beledigd. Hij was dan ook een geoefend schermer.  

Tweemaal Clemenceau op de voorpagina van Le Petit Journal Illustré. Links, een tekening van zijn duel met Paul Déroulède in 1893, rechts als "vader van de overwinning" eind 1918

Voor de oorlog was hij behalve premier ook minister van Binnenlandse Zaken geweest. In die functie had hij krachtig de politie hervormd en daarbij de eerste politie-eenheden ter wereld opgericht die met auto’s waren uitgerust (de “Tijgerbrigades”).

Politiek was hij links. Hij was een radicale republikein in een tijd dat velen nog naar het herstel van de Franse monarchie ijverden. Als student had hij nog in de gevangenis gezeten wegens betogingen tegen het regime van keizer Napoleon III.

Zoals veel republikeinen was hij een overtuigd  antiklerikaal (hij was volkomen ongodsdienstig opgevoed). Hij was een tegenstander van het kolonialisme en schreef honderden artikelen ten gunste van de ten onrechte veroordeelde joodse kapitein Dreyfus.  

Twee anti-Clemenceau karikaturen, rechts niet als tijger, maar wel als jakhals omwille van zijn steun aan Dreyfus

Verder ijverde hij voor sociale wetgeving en meer rechten voor de arbeiders. Een radicaal, zoals dat toen werd genoemd, maar geen socialist. De socialisten wantrouwden hem, zeker nadat hij als minister het leger op stakende arbeiders had gezonden, waarbij er doden waren gevallen. En ook tijdens de Grote Oorlog botste hij met  de socialisten die zijn visie op de oorlog niet deelden. 

De oude staatsman had de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) nog meegemaakt: hij was burgemeester van Montmartre geweest toen de Duitsers Parijs belegerden en uithongerden. Die oorlog was voor Frankrijk in een vernedering geëindigd en tientallen jaren was er een roep geweest naar revanche tegen Duitsland. Dit ‘revanchisme’ was een van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog.  

Ontbijt tijdens een bezoek aan het front in oktober 1916 (Albums Valois, BDIC)

Clemenceau was de man die die revanche zou realiseren, maar zelf was hij geen revanchist. Zoals zoveel Fransen toen (en niet alleen Fransen) was hij een overtuigd patriot, zonder een extreme nationalist te zijn. Hij streefde niet naar oorlog en zei zelfs meermalen dat hij de oorlog haatte. Zelfs eind juli 1914 hoopte hij nog op vrede.

Maar toen de oorlog eenmaal was uitgebroken, was het voor Clemenceau duidelijk dat Frankrijk die oorlog moest winnen. Een tweede nederlaag zou voor het land fataal zijn, vond hij. Daarom moest voor hem werkelijk alles worden gedaan om de strijd tot een goed einde te brengen.  

De strijd ondersteunen, dat was voor hem in de eerste plaats een steun aan de gewone troepen. Als voorzitter van de Senaatscommissie van het Leger kon hij meermalen het front bezoeken. Hij aarzelde niet tot in de voorste loopgraven te gaan om op gevaar van zijn leven een ‘boche’ te kunnen zien.

In zijn artikels was hij vol lof voor de moed en inzet van de frontsoldaten en wees op hun gerechtvaardigde grieven en problemen. Als het aan het front misliep, stelde hij de generaals en politici verantwoordelijk. Zijn kritiek zorgde ervoor dat zijn krant ‘L’homme libre’  (de vrije mens) een publicatieverbod opliep, waarop Clemenceau de naam veranderde in ‘L’homme enchaîné’ (de geketende mens).

Links, karikatuur verschenen bij de oprichting van zijn krant in 1913 in het katholieke Le Pélerin; Clemenceau zou met die krant bewijzen dt hij "een slaaf van de haat was". Rechts, uit Le Rire: als premier is hij "ontketend"

‘De Tijger’ viel de zwakheid van de Franse regeringen aan, die in de oorlog nog leek toe te nemen. In vier jaar oorlog kende Frankrijk vijf regeringen, waarvan liefst drie in 1917. In zijn sarcastische stijl merkte hij toen op dat er sinds het begin van de oorlog maar één probleem was : het probleem van de regering.

Toen ook de laatste zwakke regering viel, zag president Poincaré geen andere keuze dan Clemenceau tot premier te benoemen, hoewel hij een grondige hekel aan hem had. Maar hij besefte dat ‘de Tijger’ het anders zou aanpakken.  

Karikaturen verschenen in La Grimace in de weken na de aanstelling van Clemenceau als premier, rechts staat hij naast zijn minister van financiën, Klotz

Clemenceau regeerde inderdaad heel anders dan zijn voorgangers, bijna als een dictator. Dat was ongezien in de (Derde) Franse Republiek, waar het parlement almachtig was en de regering zwak.

Hij nam de voornaamste beslissingen zelf, hield de president er zoveel mogelijk buiten en beperkte het aantal vergaderingen van de ministerraad. De meeste ministers waren ofwel zijn vrienden ofwel onbetekenende figuren, die naar zijn pijpen dansten.  

Clemenceau is beroemd voor de uitspraak: “De oorlog is een te ernstige zaak om aan generaals over te laten”. Hij toonde dat hij dat meende. Onder vorige regeringen had de legerleiding vrijwel gedaan wat ze wilde, maar onder Clemenceau moest ze voortdurend rekenschap afleggen.

“De Tijger” hield zich intensief met de oorlog bezig. Hij bracht een kwart van zijn tijd aan het front door, waar hij nog meer dan voorheen de loopgraven bezocht en zich om het lot van de ‘poilus’ bleef bekommeren. Zo eiste hij dat de soldaten voldoende tabak zouden krijgen, desnoods ten koste van het verbruik bij de burgerbevolking.

Tegelijk was hij hard voor verraders en defaitisten. Hij drong bij Poincaré aan om geen genade te verlenen aan een voor muiterij ter dood veroordeelde soldaat, hoewel hij altijd tegen de doodstraf was geweest. Hij liet de prominente politici Joseph Caillaux en Louis Malvy (dezelfde die als minister zijn krant had verboden) vervolgen omdat ze contacten met de vijand zouden hebben gehad, hoewel daar geen overtuigende bewijzen voor waren.

Vanaf het begin ijverde Clemenceau ervoor dat de Geallieerde legers onder één gezamenlijk bevel zouden worden geplaatst. Vooral de Britse opperbevelhebber Haig was daar tegen. De Britse eerste minister David Lloyd George (die Haig niet mocht) steunde Clemenceau, maar het zou duren voor het Duitse lenteoffensief van 1918 , toen de nood het hoogst was, voor hij zijn zin kreeg en de Franse generaal Ferdinand Foch tot gemeenschappelijk opperbevelhebber werd aangesteld. Dat betekende een groot voordeel voor de Geallieerden en dat was in de eerste plaats aan Clemenceau te danken.

Toen de Geallieerden aan de winnende hand waren en Duitsland een wapenstilstand vroeg, was Clemenceau de eerste om daarop te willen ingaan. Hij wilde de oorlog geen dag te lang laten duren.

Dat er zoveel slachtoffers in de oorlog vielen, besefte hij uiteraard. Voor hem was dat juist een reden om de strijd voort te zetten. In de zomer van 1918 riep hij uit dat de levenden “het geweldige werk van de doden” moesten voltooien. Na de oorlog zei hij : “Uiteindelijk zijn de oorlogsslachtoffers gestorven voor niets. Maar ze zijn gestorven voor ons.”  

Clemenceau kreeg voor zijn houding en inzet veel bewonderaars. De bekendste was de Britse staatsman Winston Churchill, die hij goed kende en die hem in een volgende oorlog als voorbeeld nam. Men vergelijkt een beroemde toespraak van Clemenceau (“Mijn buitenlandse en binnenlandse politiek is oorlog voeren. Buitenlandse politiek : ik voer oorlog; binnenlandse politiek: ik voer oorlog. Ik voer altijd oorlog.”) met een beroemde toespraak van Churchill  (“U vraagt was onze politiek is? Ik zeg u: het is oorlog voeren…”)

Alle illustraties, tenzij anders vermeld: BnF, Gallica

Meest gelezen