jaco klamer

Israël-Palestina al 70 jaar op de tekentafel   

70 jaar geleden werd het verdelingsplan op tafel gelegd voor het toenmalige mandaatgebied Palestina. Twee jaar later was het al compleet achterhaald. Het twee-staten-principe blijft, ook vandaag nog, het courante uitgangspunt voor een oplossing van het conflict. Alleen rijst de vraag of dat nog haalbaar en realistisch is.   

labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Jeugdherinneringen van een schrijver

Het is een van de mooiste passages in het prachtige autobiografische boek Een verhaal van liefde en duisternis van de Israëlische schrijver Amos Oz: de beschrijving van de late avond van 29 november 1947, als overal in Jeruzalem groepjes Joodse mensen op straat zijn bijeengekomen om samen naar de radio te luisteren. De kleine Amos kijkt stiekem door zijn slaapkamerraam.

De mensen willen horen hoe de stemming uitpakt in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Een VN-commissie heeft een verdelingsplan uitgetekend voor Palestina, met een Joodse en een Arabische staat. De vraag is of de wereld - of tenminste de 57 landen die op dat moment in de VN vertegenwoordigd zijn - dat plan zal willen goedkeuren.

Wanneer de stem op de radio uiteindelijk het resultaat van de stemming  meldt – ‘De resolutie is aangenomen’ - barst er overal in de Joodse wijken van de stad gejuich en geschreeuw op. 

"Een massaal vreugdegebrul en een mengelmoes van schorre kreten en Am Jisraël chai   -‘Het volk Israël leeft’ -   en iemand probeerde vergeefs het volkslied aan te heffen en er klonk gegil van vrouwen en handgeklap en de menigte begon langzaam om zich heen te bewegen alsof ze werd rondgedraaid in een reusachtige betonmolen." 

In Amos Oz’ beschrijving voel je ook iets van verbijstering in die uitzinnige vreugde, van angst en ongeloof en triomf.  Maar Oz beseft dat niet de hele stad gelukkig is. In de Arabische (of Palestijnse) buurten is de stemming loodzwaar. 

"Daar waren ze niet blij die nacht. Ze hoorden het gejuich uit de Joodse straten, misschien stonden ze voor hun raam te kijken naar het weinige vreugdevuurwerk dat het duister van de hemel versplinterde, klemden ze hun lippen opeen en deden er het zwijgen toe."

De context

De beschrijving van Amos Oz maakt meteen duidelijk hoe verschillend het plan van de VN verwelkomd werd door de Joodse en de Palestijnse bewoners van toenmalig Palestina. Het land was op dat moment nog een Brits mandaatgebied, maar de Britten wilden er weg. Ze moesten het hoofd bieden aan gewelddadige verzetsacties van zowel Joodse als Arabische kant; daarbovenop moesten ze de vijandelijkheden tussen Joden en Arabieren onderling proberen in te dammen.

Al sinds de Balfour Declaration van 1917 was het idee gerijpt dat de Joden een eigen "thuisstaat" zouden moeten krijgen in het historische Palestina. Dat zionistische concept won nog aan overtuigingskracht na de gruwelen van de Shoah; de westerse wereld voelde sympathie en schuld tegenover het Joodse volk.  De VN waren in 1947 nog jong en onervaren. In die context werd het verdelingsplan opgesteld.

Zelfs al koesterden een aantal Joodse politici en militaire leiders toen al grotere ambities, voor het Joodse volk was de goedkeuring van het plan zonder meer een mijlpaal: de wereld bevestigde en verankerde het recht van de Joden op een eigen land, en wel in het land van de Bijbel en van hun voorouders: Palestina. De zionistische kolonisatie van het gebied, die zich tijdens de voorgaande decennia gestaag en fors had uitgebreid, werd op die manier post factum gelegitimeerd. Dat verklaart de geweldige en diepe vreugde waar de kleine Amos Oz getuige van was.

Maar om precies dezelfde redenen voelden de Arabische bewoners van Jeruzalem (en de rest van Palestina) het verdelingsplan aan als een klap in het gezicht, alsof de wereld onverschillig de schouders ophaalde over de prijs die Palestijnen hadden moeten betalen voor de Joodse inwijking en kolonisatie. Bovendien wees het plan onevenredig veel grond toe aan de Joodse bevolking ten koste van de Palestijnen. Zo was het plan wel gedoemd om te falen.

Cijfers en proporties

Het United Nations Partition Plan for Palestine deelde het gebied op in drie delen. Jeruzalem (1 % van het grondgebied) zou onder internationaal beheer vallen. De ‘Joodse staat’ zou 55 procent van het grondgebied beslaan, de ‘Arabische staat’ 44 procent. De Arabische staat leek op dat moment nog tamelijk homogeen bewoond, met 725.000 Arabieren en slechts 10.000 Joden. In de Joodse staat lagen de verhoudingen anders: daar woonden een 500.000 Joden tegenover ruim 400.000 Arabieren.

Die cijfers komen uit het rapport van de toenmalige VN-commissie (UNSCOP) en lokken minder discussie uit. Veel moeilijker is het debat over het landeigendom in 1947. Van Palestijnse kant wordt vaak aangevoerd dat 94 % van het totale grondgebied van het te verdelen Palestina juridisch in Palestijnse handen was  - en slechts 6 % formeel aan Joodse families
of organisaties toebehoorde. Van Joods-Israëlische kant wordt die bewering sterk betwist, ook al omdat heel wat grond die als ‘Palestijns’ werd geclaimd in feite braakliggend, onbenut en dus ‘van niemand’ zou zijn geweest.

1947 - 1949

Hoe het ook zij, het plan botste bij de Arabische of Palestijnse bevolking van Palestina op onbegrip en verzet.  Al meteen na de goedkeuring ervan namen de vijandelijkheden tussen zionisten en Arabische groeperingen toe. Arabische milities wilden de vestiging van de Joodse staat verhinderen, de zionistische gewapende bewegingen gebruikten de confrontaties om nog meer terrein te veroveren en in te lijven.

Die cyclus van geweld ging gepaard met een massale vlucht van Arabische bewoners: meer dan 700.000 Palestijnen verlieten dorp, huis en haard. Of het een uittocht was of een verdrijving, een geplande etnische zuivering of een onbedoeld gevolg van de vijandelijkheden, ook daarover zullen de visies aan Joodse en Palestijnse kant sterk uiteenlopen. In het Palestijnse collectieve bewustzijn staan de gebeurtenissen van 1948 in elk geval geboekstaafd als Al Nakba, de catastrofe. De volgende jaren zouden er, in een spiegel­beweging, ook honderdduizenden Joden gedwongen worden om te vertrekken uit omliggende landen in de Arabische wereld. Ook voor hen werd het jonge Israël een nieuw Joods thuisland.

Toen de Joodse leiders op 14 mei 1948 de onafhankelijkheid van de staat Israël uitriepen, mengden de Arabische buurlanden zich in de strijd. Maar zelfs die aanval wisten de Joodse legers af te slaan. In 1949 eindigde de eerste Israëlisch-Arabische oorlog met een serie wapenstilstands­overeenkomsten,  verankerd in de zogenaamde Groene Lijn.

Een snelle blik op de kaarten maakt meteen duidelijk dat het Israël van 1949 al beduidend groter was dan de Joodse staat die op het verdelingsplan getekend stond. 60 procent van wat de Arabische staat had moeten zijn, was bij de Joodse gevoegd. Ook Arabische steden als Jaffa en Lydda werden geïncorporeerd. De 'Arabische staat' zelf kwam onder de controle van de buurlanden: de Westelijke Jordaanoever bij Jordanië, Gaza bij Egypte. Twee jaar na de goedkeuring van het VN-verdelingsplan hadden de feiten het al volledig ingehaald.

De kaarten nog verder hertekend

De geschiedenis zou de kaarten van het verdelingsplan nog veel grondiger door elkaar schudden. In de Zesdaagse Oorlog van 1967 rukte Israël verder op. Het veroverde Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever op Jordanië, Gaza en de Sinaï op Egypte (later gaf het de Sinaï weer terug) en de Golanhoogte op Syrië. Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte werden (later) geannexeerd. De Westbank werd sindsdien internationaal bekend als 'bezet gebied'. 

In 1967 breidde Israël zijn territorium dus de facto uit. Ook al werd de Westelijke Jordaanoever niet ingelijfd, het gebied kwam onder Israëlische militaire controle. Het duurde niet lang of Joodse kolonisten begonnen daar nederzettingen uit te bouwen, als een symbolische claim op het land. Die symboliek werd steeds tastbaarder en reëler naarmate de kolonisten hun dorpen en land op de Westbank uitbreidden en in aantal toenamen. Intussen wonen er meer dan 400.000, te midden van een Palestijnse bevolking van ca. 2,8 miljoen.  In Oost-Jeruzalem gaat het om zo'n 200.000 Joodse bewoners.

Eindelijk een Palestijnse staat?

We springen nog een paar decennia verder in de tijd, tot de vroege jaren 90. De Palestijnse leider Yasser Arafat en de Israëlische premier Yitzhak Rabin sluiten, tot verbazing van de wereld, een vredesakkoord. De Oslo-overeenkomsten leiden, goed 45 jaar na het VN-verdelingsplan, dan toch tot de creatie van een Palestijnse staat op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza.

Alleen zijn de middelen en bevoegdheden van die staat van meet af aan beperkt. De Westelijke Jordaanoever wordt nog maar 's opgesneden in zones, met meer of minder Israëlische controle. De kolonisten zetten hun inspanningen om het gebied te gaan bewonen onverminderd voort. Ze doen dat onder bescherming van Israëlische soldaten, checkpoints, en later ook van een gigantische barrière of scheidingsmuur.

De Palestijnse staat wordt een haast onleesbaar lappendeken, doorsneden met wegen en tunnels, muren en flyovers  - allemaal bedoeld om te voorkomen dat Palestijnen Joodse kolonisten zouden kruisen. Er is vermoedelijk geen land ter wereld waar geografie en infrastructuur, zelfs op microniveau, zo politiek geladen zijn.    

AP2012

Verdeeld of verweven?

In theorie is de verdeling in twee staten  - een Joodse en een Palestijnse -  met Oslo wel degelijk gerealiseerd. Het twee-staten-concept blijft ook het leidende principe in de internationale diplomatie, in de zoektocht naar een duurzamere vredesovereenkomst.

In februari deed de nieuwe Amerikaanse president Trump nog wat schamper over die fixatie op twee staten. "I’m looking at two states and one state,” zei Trump. "I'm happy with the one they like the best." Dat klonk toen voor heel wat westerse, Palestijnse en Arabische diplomaten als vloeken in de kerk. Inmiddels zou, volgens de laatste berichten, ook voor het Witte Huis het twee-staten-model weer richtinggevend zijn. Eén van de volgende weken, of begin volgend jaar, wil het team-Trump een nieuw vredesplan op tafel leggen dat onder meer door Jared Kushner (de schoonzoon van de president) wordt uitgewerkt.  

Niettemin beantwoordt de werkelijkheid in het dagelijkse leven nog lang niet (of al lang niet meer) aan het theoretische schema. De Palestijnse Autoriteit is machteloos in grote delen van haar eigen staat. Maar ook de bestuurlijke grenzen die Israël heeft uitgetekend, ontsnappen soms aan hun eigen logica. De internationaal erkende Groene Lijn valt niet overal samen met de muur. Er liggen Joodse enclaves en nederzettingen achter de Groene Lijn, maar ten westen van de muur. En omgekeerd zijn sommige Palestijnse buurten die in theorie bij Israël (of Oost-Jeruzalem) horen toch aan de oostelijke kant van de muur beland. 

Ook als je de samenstelling van de bevolking bekijkt, zijn twee homogene onderscheiden staten nog ver weg. De honderdduizenden Joodse kolonisten drukken hun stempel op het Palestijns gebied. Terzelfder tijd telt het eigenlijke Israël nog altijd 1,8 miljoen Arabische (of Palestijnse) inwoners - of 1 op de 5. 

De slotsom is onmiskenbaar: de verdeelde staten zijn verweven staten. Om die verwevenheid doeltreffend op te heffen, zouden er andermaal gigantische volksverhuizingen moeten plaatsvinden. Sommige Joodse hardliners dromen luidop van een nieuwe exodus van Palestijnen, tot in Jordanië of andere Arabische landen. En heel wat Palestijnen eisen en verwachten nog steeds een massaal en collectief vertrek van de kolonisten uit de Westbank. Geen van beide staat op korte termijn te gebeuren. 

Copyright 2017 The Associated Press. All rights reserved.

Eén staat, of zoiets

De Israëlische schrijver Nir Baram lijkt het geloof in de twee staten te verliezen. "Al jaren bewegen we in tegenovergestelde richting van de twee-staten-visie," schrijft hij in zijn boek Een land zonder grenzen. "We zitten in een schip dat steeds verder wegvaart van de wal, en nog steeds geloven we dat we, dankzij een gedurfd initiatief of een cruciaal historisch moment, zullen omkeren." 

Baram vertelt over broze maar opmerkelijke initiatieven van Palestijnse en Joodse activisten. Ze proberen doelbewust momenten van ontmoeting en overleg op te zetten, zelfs op de Westbank en zelfs met kolonisten. Andere groepen zoeken samen naar bestuurlijke alternatieven voor het twee-staten-model. Het concept van "één staat, twee volkeren" is in sommige kringen geen volstrekt taboe meer. Ook de gedachte van een federatie of confederatie wordt beproefd, in een soort out of the box-gedachtespel. 

Dat zijn dappere, maar wellicht ook wat naïeve ondernemingen. Want ook op het pad naar het één-staat-model liggen gigantische obstakels. 

Twee staten bij gebrek aan beter

Voor de Joodse bewoners van Israël-Palestina spelen twee belangrijke bezwaren. Zij willen zich veilig voelen in hun land, en garanties dat geweld, terreur en zelfs vijandigheid van Palestijnse kant wegebben of onder controle worden gebracht. Op een dieper niveau willen de meeste Joodse Israëli's ook dat het land een Joodse staat blijft, gegrondvest op Joodse cultuur en tradities. In dat perspectief zullen Palestijnen altijd een minderheid moeten blijven - wat demografisch niet te garanderen valt.

Voor de Palestijnen zal een één-staat-model in elk geval uit een ander vaatje moeten tappen dan wat ze nu zien en meemaken op de Westbank. Leven als Palestijn op de Westelijke Jordaanoever betekent een voortdurende, afmattende en stresserende confrontatie met checkpoints en controles. Talrijk zijn ook de gedocumenteerde verhalen over Joodse kolonisten die Palestijnse landbouwers of dorpelingen intimideren, mishandelen of hun bomen en gewassen vernielen. Zelfs in het eigenlijke Israël krijgen Palestijnen steeds vaker af te rekenen met tegenwerking, bijvoorbeeld om  bouwvergunningen te bemachtigen. Kortom: een één-staat-model kan nooit een samenleving worden waarin Palestijnen minder burgerrechten zouden genieten dan hun Joodse landgenoten. 

Van beide zijden is de weerstand tegen het één-staat-idee zo heftig en diep verankerd, dat van de weeromstuit en bij gebrek aan beter op het twee-staten-model wordt ingezet. Alleen wekken Israëlische politici de indruk dat het hen niet echt menens is daarmee, terwijl de Palestijnen zichzelf nog nauwelijks kunnen aanpraten dat het echt werkt. 

Er zit bovendien geen schot in de zaak, de status quo zit muurvast. Het twee-staten-discours wekt op de internationale bühne nog een heel klein beetje een schijn van vredesdynamiek, maar in werkelijkheid beweegt er geen sikkepit. Terwijl de geografische verwevenheid van de twee staten toeneemt, groeit tegelijk de kloof tussen de bevolkingsgroepen en wordt de vijandigheid grimmiger.

Spooktijd

Nir Baram weet het treffend te omschrijven. "Al vele jaren zien we de tijd van bezetting en onderdrukking, totdat een oplossing geïmplementeerd wordt, als een soort spooktijd waar we doorheen moeten, als een soort gang, totdat er twee landen zijn." 

Spooktijd is een tijd van illusies; aan het eind van die droom zijn de twee landen er zomaar niet. 70 jaar na de mislukte verdeling van Palestina, zijn er op de tekentafels van politici en diplomaten al heel wat lijnen bijgeschetst, terwijl de echte vrede nog even ver weg ligt.