foto Peter Hilz (C)

Lidstaten krijgen meer inspraak in Europees landbouwbeleid na 2020

Landbouwers zullen na 2020 minder inkomenssteun krijgen van Europa. De maximum-bedragen per bedrijf gaan naar beneden en jonge boeren worden een prioriteit. Dat staat in de voorstellen van de Europese Commissie om het Europese landbouwbeleid te hervormen.

"Een evolutie, geen revolutie." De Europese Commissie wil het  gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GBL) na 2020 vereenvoudigen en moderniseren. Het beleid is een van de oudste van de EU, werd in 1962 opgestart.

De algemene structuur van het GBL blijft bestaan. Die is gebaseerd
op 2 pijlers: de directe betalingen en marktmaatregels enerzijds en plattelandsontwikkeling anderzijds.

Uitgangspunt van de commissievoorstellen is dat lidstaten meer inspraak krijgen: De Europese Unie stelt de doelen na 2020, de lidstaten bepalen zelf op welke manier ze die halen. Elk land moet met een strategisch plan komen, dat de Europese Commissie zal monitoren.

De directe inkomenssteun voor landbouwers verdwijnt niet, maar de verdeling van die steun moet evenwichtiger. Zo komt er een plafond tot 100.000 euro per ontvanger en gaat er relatief meer steun naar kleine landbouwbedrijven. Alleen landbouwers die effectief leven van hun bedrijf krijgen steun. Er gaat ook speciale aandacht naar jonge boeren.

De eerste wetgevende voorstellen van de commissie worden pas halfweg volgend jaar verwacht. De Commissie moet eerst met voorstellen komen over het nieuwe financiële meerjarenkader, dat ook begint in 2020. Die zijn gepland voor mei 2018.  Pas dan wordt duidelijk welke fondsen er vrijgemaakt worden voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Dat is momenteel nog altijd een grote hap uit het Europese budget, goed voor 38 procent.