"Goede zaak dat OCMW's zelf mee kunnen beslissen over leefloon"

De OCMW's van steden en gemeenten hebben inderdaad een kleine marge bij het al dan niet toekennen van een leefloon. Dat zegt het VVSG in een reactie op het Jaarboek Armoede. Maatschappelijk werkers onderzoeken, wikken en wegen de specifieke factoren van elke persoon apart.

"De regels voor het toekennen van een leefloon liggen strikt vast in een wet", legt Nathalie Debast van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten uit. Er wordt daarbij duidelijk omschreven wat maatschappelijk werkers moeten onderzoeken en hoe ze dat moeten beoordelen. De verschillen tussen de OCMW's zijn bijgevolg dus zeer klein.

Er is een beperkte marge om een individuele beoordeling mogelijk te maken. Niet alles is in regels te vatten

Elke persoon die komt aankloppen bij het OCMW heeft een eigen verhaal. De maatschappelijk werker bekijkt tal van factoren en oordeelt dan pas of iemand al dan niet recht heeft op een leefloon. Eén van de factoren is bijvoorbeeld werkbereidheid. Het oordeel of die voldoende aanwezig is, hangt vaak samen met heel wat andere factoren en specifieke situaties. Het is dan aan de maatschappelijk werker om te bekijken of de aanvrager van een leefloon zich aan afspraken houdt en goed meewerkt met de trajectbegeleiding.

"De beperkte ruimte om op specifieke noden in te spelen is net een troef", zegt Debast van VVSG. Nog strakkere regels, zou voorbijgaan aan het takenpakket dat een OCMW heeft, namelijk mensen in kwetsbare posities helpen om hun leven (weer) op de rails te krijgen. "Dat kan enkel met maatwerk en persoonlijke begeleiding." 

Marjolein De Wilde, onderzoeker van de Universiteit Antwerpen die voor het Jaarboek Armoede over leeflonen informatie verschafte bevestigt dat ook: "De kans dat een cliënt in een identieke situatie in de ene stad wel en in de andere gemeente niet geholpen wordt, is klein. In de meeste Europese landen is de toekenning van minimuminkomens decentraal georganiseerd.

Voor deze precaire groep wil je een beroep kunnen doen op een organisatie die lokaal verankerd is, lokale klemtonen kan leggen en die in interactie kan treden met de vaak multi-kwetsbare cliënten. Lokale inventiviteit en cliëntgerichte maatwerk is nodig: intensieve trajectbegeleiding, activering en het ondersteunen van de mensen die in een meer administratief georganiseerd bijstandssysteem uit de boot zouden vallen.