"Welke regels en straffen gelden voor Syriëstrijders, voor hun vrouwen en wat doen we met de kinderen?"

IS is officieel verslagen in Syrië en Irak. Eén voor één werden IS-bolwerken bevrijd en IS-aanhangers in kampen en gevangenissen gestopt. Het is tijd voor de heropbouw. Maar tussen de brokstukken vinden we ook Belgische strijders, vrouwen en kinderen. Strijders die vervolgd moeten worden, dat staat buiten kijf. Maar welke misdaden hebben de kinderen begaan?

De afgelopen maanden brachten wij onze tijd door met zij die in het IS-debat wel eens vergeten durven worden: de ouders van Syriëgangers. De ene familie kreeg nieuws van de dood van hun kind, de andere krijgt smeekbeden via WhatsApp. Dat ze naar huis willen komen, schreeuwen de jonge mannen en vrouwen. Op de achtergrond hoor je de bommen vallen. 

Ondertussen staan we in contact met tientallen ouders. Met een klein netwerk, geen middelen en veel vragen zoeken ze een terugweg voor hun familieleden – kinderen, jihadbruidjes en IS-strijders. “Het zijn tenslotte onze kinderen,” klinkt het bij de Belgische families. Maar bij de autoriteiten vangen ze meestal bot – en het onderwerp wordt angstvallig doodgezwegen.

Een paar getuigenissen. Yasmeen zoekt een uitweg voor haar schoondochter en twee kleinkinderen. Haar zoon Zacharia is gestorven, dat meent ze zeker te weten. Maar de Belgische autoriteiten kunnen niet helpen: Yasmeens schoondochter moet samen met haar kinderen op eigen houtje uit Syrië vluchten en in Turkije wachten op de DNA-test die het verwantschap met de Belgische grootouders bewijst. Het is een gevaarlijke, bijna onmogelijke weg. 

Het angstvallige zwijgen dat nu als een omerta boven het huidige dossier hangt, helpt ons niet verder

Soukaina mist haar kleinkinderen. Haar zoon stierf als strijder in Deir Ez-Zor, van haar schoondochter ontbreekt elk spoor. “Ik heb er vijf kleinkinderen zitten,” vertelt ze voor ze in tranen uitbarst. Soukaina en Yasmeen zijn niet alleen in hun verdriet: zo’n twintig vrouwen en veertig kinderen willen vanuit het kalifaat terugkeren naar België. Van 28 andere kinderen is het niet zeker of zij wel kunnen terugkeren omdat ze geen gekende of levende Belgische ouder meer hebben. Ze leven in het ongewisse, gestraft voor een misdaad die ze niet hebben begaan.  

In totaal leven zeker 115 Belgische kinderen tussen de brokstukken van het kalifaat, de meesten onder de zes jaar oud. Ze zitten er in kampen en gevangenissen in de bevrijde gebieden of leven met hun ouders in de laatste schuiloorden van de terreurgroep. Dat zijn de cijfers die officieel worden meegedeeld door OCAD. Het echte aantal wordt door experts veel hoger geschat. Wie geboren wordt in het Kalifaat, wordt er nu eenmaal niet opgenomen in het bevolkingsregister. Maar Belgisch zijn ze wel, en onschuldig, die kinderen. Is er een oplossing? En wat is onze morele en humanitaire plicht?

Het is een debat met veel vragen en twijfels. Dat het praktisch een moeilijke puzzel wordt. Dat niemand de Syriëstrijders graag ziet terugkomen. Dat je moeilijk kan natrekken wie de wapens opnam en wie aan de keukentafel zat. Dat de gevangenissen nu al overvol zitten. Dat de kinderen getekend voor het leven zijn en misschien zelfs gevaarlijk zijn. Maar dat het ook mensen zijn, sterker nog: Belgische burgers. En dat België een democratie is, met wetten en straffen die zijn vastgelegd in een rechtssysteem. Welke regels en straffen gelden voor jihadstrijders, welke voor de vrouwen en wat doen we met de kinderen?

Er zijn veel aspecten waarover gesproken moet worden om een oplossing te vinden. Maar het angstvallige zwijgen dat nu als een omerta boven het
huidige dossier hangt, helpt niet. We moeten als samenleving beslissen
hoe we verder kunnen gaan. En daarom is zwijgen geen optie.