De vijf boeken die het leven van Herman Van Rompuy veranderd hebben

Eindejaarstijd, dat betekent vrije dagen en lange avonden: een ideale periode om volledig in een boek te duiken. Ter inspiratie polsen we elke week naar de favoriete boeken van een bekende mens. Vandaag is dat voormalig Europees president Herman Van Rompuy (CD&V). 

Ook voor Herman Van Rompuy zijn de kerstdagen wat rustiger dan de rest van het jaar. Sinds  1 december 2014 is hij met pensioen, maar stilzitten doet hij niet. Hij werd meteen gastprofessor aan de Université Catholique de Louvain en hij is sinds juni 2015 ook voorzitter van de denktank European Policy Center (EPC).

Lezen en schrijven vormen zijn tweede natuur. “Ik heb al een tiental boekjes geschreven en schrijf er een nieuw voor dit jaar. Ik lees sinds ik kan lezen. Ik overdrijf in niets, maar ook in de drukste periodes heb ik meerdere boeken bij de hand, meestal romans. Lezen voedt de verbeelding en kadert het leven. Door te lezen ontmoet je mensen, echte en fictieve, die je aanzetten tot denken. Het lezen is één lange ontmoeting, ik zou niet kunnen zonder lezen.”

1. "Oorlog en Vrede" - Leo Tolstoj

Van Rompuy voelt zich vooral aangetrokken door de verhouding tussen Pierre Bezukhov en Natasja in deze klassieker van Tolstoj: de relatie tussen een oudere bezonnen man en een dartele, onschuldige jonge vrouw. "Waarschijnlijk was het een wensdroom, ik las het boek als twintiger en veel later kwam mijn droom uit.

Van Rompuy werd ook graaf, net als Tolstoj. Hij kreeg de adellijke titel in 2015. 

2. “Noces à Tipasa” – Albert Camus

"Camus verzoende mij met het leven. Zijn edelmoedig humanisme sprak mij aan in mijn "zoekende" tijd toen ik vooraan in de 20 was." ‘Tipasa’ staat voor de geboortestreek van Camus, voor de nostalgie en melancholie van het ongerepte, het harmonische dat volgens Camus alleen terug te vinden is in de natuur. “De natuur is het symbool van harmonie, precies waarnaar ik het diepste verlang”, zegt Van Rompuy.

3. De Bijbel

Van Rompuy noemt zichzelf een 'bekeerling' of een 'recommençant'. "Van mijn 12e tot mijn 26e geloofde ik niet." Van Rompuy vindt de Bijbel in bepaalde boeken grote literatuur. "De boodschap van Christus is zo’n 'omkering van alle waarden’ dat het een dagelijkse uitdaging is, ook nu nog."

“Hoe geef je je en hoe geef je je over aan de anderen en aan de Andere. Het geloof komt op een mysterieuze wijze en verdwijnt ook weer. Zoals de liefde, die is even mysterieus. Er komen geen redeneringen aan te pas. Het geloof is ook ‘une belle histoire d’amour.”

Van Rompuy voelt zich vooral aangesproken door de Evangelieën. Vooral de parabel van de Barmhartige Samaritaan daagt hem uit. “De naaste is niet alleen ‘uw naaste’ die van ver komt, zelfs de vijand. Uw dichte naaste beminnen is het meest eenvoudige en het meest natuurlijke. ‘Mijn kind,
goed kind, schoon kind’. Het wordt moeilijker naarmate men verder gaat, dan wordt Liefde een werkwoord.”

4. "Breviarium van de Vlaamse lyriek" - Marnix Gijsen

Met dit boek ontdekte Van Rompuy de grote Vlaamse vooroorlogse poëzie. "Ik kreeg het boek van mijn vader en ik heb het nog steeds. Ik had veel poëzie in het voorlaatste jaar van de humaniora waar ik Latijn-Grieks volgde. Maar het Breviarium bracht mij nieuwe dichters: Jan Van Nijlen, Willem Elsschot, Paul Van Ostayen. Wellicht is dat het begin van mijn voorliefde voor de haiku geweest."

Van Rompuy houdt ook van hedendaagse dichters. “Ik heb enkele vrienden-dichters. Ik was een Watou-bedevaarder tot 2012 maar ik grijp graag terug naar de poëten van mijn jeugd, wier verzen ik nog uit het hoofd ken.”

5. De Machtigen der Aarde

"Ik kreeg op het college in het vijfde of zesde jaar Latijn en wellicht kenden mijn leraren mijn passie voor de politiek. Het aantal keren dat ik dat boek gelezen heb, is niet meer te tellen. Het bestond uit een anekdote uit het leven van de ‘machtigen’ gevolgd door een uitgebreide biografie. Het was mij toen niet om ambitie te doen maar om de geschiedenis, gedreven door uitzonderlijke mensen."

“Het is niet omdat men in historische mensen geïnteresseerd is dat men denkt er zelf een te zijn”, zegt Van Rompuy. “Daarvoor ben ik nuchter genoeg. Men moet wel het maximale halen uit zijn talent om te kunnen
overstijgen. De Fransen zouden het ‘une cause’ noemen. Dan stijgt men boven zichzelf uit.”

De collegetijd noemt Van Rompuy ‘de meest vormende’ uit zijn leven. ‘Zonder de jezuïeten zou ik nooit geworden zijn wie ik nu ben. Als mens en als politicus."