© VRT - 2017

Sommige politici lokken uit dat "elke vreemdeling een vijand is"

Er sluimert volgens de auteur een virus in het taalgebruik van sommige Vlaamsnationalisten en rechtse CD&V'ers. "Het sluimerende virus dat ‘elke vreemdeling een vijand is’. Ze maken een amalgaam van moslims, migranten, vluchtelingen, criminelen en IS-strijders tot vijandbeeld en creëren zo een angstige sfeer van een heuse culturele tegenstelling tussen ‘zij’ en ‘wij’."

labels
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

In de laatste aflevering van de VRT-reeks “Kinderen van de collaboratie” onderstreepten de historici-onderzoekers dat het gros van de collaborateurs uit kringen van de Vlaamse beweging en de rechtervleugel van de katholieke partij kwam.

Tegelijk toonden ze beelden van hedendaagse kopstukken uit Vlaams-nationalistische hoek die hun spijt uitdrukten over wat hun voorgangers hadden gedaan.

Dat was allemaal heel mooi en de oproep om jongeren de Dossinkazerne te laten bezoeken kan alleen maar worden toegejuicht. Kennis van de geschiedenis is ongetwijfeld noodzakelijk om de eigen tijd te verstaan. 

Een sluimerend virus

De vraag is echter of kennis van de geschiedenis ook voldoende is om de eigen tijd te verstaan.

Primo Levi, de auteur van Is dit een mens?, het beroemde boek over het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau waarin Levi meer dan een jaar werd vastgehouden, was alvast niet overtuigd. In zijn voorwoord houdt hij ons een spiegel voor:

“Veel mensen, en volken, zijn min of meer bewust de mening toegedaan dat ‘elke vreemdeling een vijand’ is. Meestal ligt die overtuiging ergens diep weggestopt als een sluimerend virus en leidt niet tot een samenhangend gedachtensysteem. Maar als dat wel gebeurt, als het onuitgesproken dogma het uitgangspunt van een sluitende redenering wordt, dan staat aan het eind van de keten het vernietigingskamp”.

Het sluimerende virus dat ‘elke vreemdeling een vijand is’ kan alles en iedereen besmetten: Joden, zigeuners, homoseksuelen, zwarten, kleurlingen, humanisten, islamieten, christenen.

Het kan zich brutaal en platvloers uiten.

Het kan zich ook geraffineerd, subtiel, schijnbaar gematigd maar tactisch doordacht uiten in het taalgebruik van schijnbaar deftige heren en dames. Beide vormen van taalgebruik zijn onlosmakelijk verweven. Voor wie gevoelig is voor woordschakeringen is die verwevenheid zonneklaar. 

Vandaag suggereren opnieuw politici uit de Vlaams-nationalistische hoek en de rechtervleugel van de christendemocratie dat het Westen in oorlog is, maken vervolgens een amalgaam van moslims, migranten, vluchtelingen, criminelen en IS-strijders tot vijandbeeld en creëren zo een angstige sfeer van een heuse culturele tegenstelling tussen ‘zij’ en ‘wij’.

Die dubbelzinnigheid activeert het sluimerende virus waarover Levi spreekt en waardoor de aandacht voor het concrete individu ondergesneeuwd raakt.   

In een brief aan zijn Duitse vertaler schrijft hij:

“Ik heb het Duitse volk nooit gehaat. […] Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort”.

Wanneer concrete situaties van concrete mensen worden vereenzelvigd met abstracte begrippen als de jood, de vluchteling en de islamiet, staat het alarmsignaal op rood.

Daarvoor waarschuwen is geen kwestie van makkelijk sentiment, het is een zaak van ethische gevoeligheid.

Wanneer het sluimerende angstvirus voor de vreemdeling wordt aangewakkerd, vrijheden ingeperkt, ongecontroleerde repatriëringen uitgevoerd, de ethische oproep ‘wir schaffen das’ ondermijnd, aan de grenzen van Europa mensen worden verkocht, gemarteld en zelfs sterven: dan staat het alarmsignaal op rood.

Het tactisch gedraai van sommige politici past naadloos in een vandaag in vele kringen aanvaard paradigma van sluw politiek gedrag.

Maar tussen de benadering van politici aan de korte termijn leiband van spin-doctors en de benadering van de schrijver Primo Levi is een wereld van verschil: tactische strategie staat lijnrecht tegenover ethische gevoeligheid, het belang van de volgende verkiezingen tegenover de kans op een inclusieve samenleving.

Herdenkingsplechtigheden, historische documentaires, bezoeken aan Dossinkazernes, ze blijven belangrijk als opfrissing van het collectieve geheugen. Maar nog veel belangrijker, schrijft Levi, is te blijven herhalen dat

“de geschiedenis van de vernietigingskampen door ieder mens moet worden begrepen als een sinister alarmsignaal”.

De kampbeulen en zelfs de oudste gevangenen in Auschwitz noemden de allerzwaksten, de onbruikbaren voor het productieproces, de voor de selectie van de crematoria voorbeschikten, ‘Muselmann’. Ik weet niet waarom dat zo was, schrijft Levi, maar wat hij wel wist: wie "Muselmann" werd genoemd, was "wanhopig en onmenselijk alleen".