Ik zing die "foute" Franse pareltjes luidkeels mee!

Louis van Dievel, schrijver en journalist, kijkt elke week met een guitige blik naar de kleine en grote actualiteit. Deze week zet het overlijden van het Franse popidool France Gall Louis van Dievel aan het zingen van Franse hits.

opinie
Louis van Dievel
Louis van Dievel is schrijver en journalist. Hij was journalist bij VRT NWS.

France Gall gestorven, verdorie toch. En vorige maand al Johnny Hallyday. Van wie de vader overigens een geregelde gast was in de landloperskolonie van Merksplas, een detail dat ik bij Johnny's overlijden nergens heb gelezen.

Ik ben stiekem gaan kijken naar de geboortedatums van de Franse zangers en zangeressen die me na aan het hart liggen. Wie volgt, nietwaar. Noem het necrotoerisme, een variant van ramptoerisme. Netjes is het niet maar wel des mensen.

Michel Fugain (Je n'aurai pas le temps, Belle Histoire): 1944; Eddy Mitchell (Couleur menthe à l'eau) : 1942; Michel Polnareff (La Poupée qui fait non, Love me, please love me, TaTaTa): 1944; Gérard Lenorman (La ballade des gens heureux, Si j'étais président): 1945; Dave, die eigenlijk Wouter Otto Levenbach heette (Dansez maintenant, Du côté de chez Swann): 1944...

Mijn helden worden oud, net zoals ikzelf. 

Doen de namen en de titels overigens nog een belletje rinkelen, het mag zacht zijn? Ik hoop het van harte. Ze verraden alvast dat ik niet echt een aficionado ben van het schone Franse chanson, dat bij ons met veel liefde door Patrick Riguelle en Jan Hautekiet wordt uitgedragen. Georges Brassens en Leo Ferre  en Moustaki en Brel en zo.

Niet dat ik hun liedjes niet graag meeneurie. Maar mijn echte liefde gaat uit naar de Franse pop van de jaren zestig en zeventig (van de vorige eeuw, voor alle duidelijkheid). En dat komt door het popprogramma  Vibrato dat Brussel Frans, nu beter bekend als de RTBF, in 1967 uitzond. Twee jaar lang, meer niet.

Er zaten filmpjes in van Engelse bands als The Fortunes en The Tremeloes en Jimi Hendrix (!), er zat vaak een Belgische groep in en veel Franse popartiesten. Mijn grote zussen namen dat programma op met een ouderwetse bandopnemer, zodat we de muziek de hele week door konden beluisteren. Het was goed voor ons Frans, luidde het excuus. 

Het was de tijd dat er nog Franse liedjes in de Vlaamse hitparade stonden (Wanneer is dat eigenlijk gestopt? Wanneer is die Berlijnse of Mexicaanse muur op de culturele taalgrens gebouwd?). En dus kan ik nog altijd meezingen met Capri, c'est fini van Hervé Villard en met Aline van Christophe. Ook al omdat die twee liedjes op mijn grote guilty pleasure staan: een cd-box met "Honderd Franse klassiekers", die ik ooit bij wijze van grap kreeg als kerstcadeau.

Er staat een hele hoop brol op die cd's: Dalida en Sandra Kim en Franse techno en belachelijk slechte vertalingen en bewerkingen van Engelse hits. Maar ook Les lacs du Connemara van Michel Sardou (ook bekend van huwelijksfeesten, wanneer de bruidstaart wordt binnengedragen), L'été indien van wijlen Joe Dassin en een prachtige versie van Mademoiselle chante le blues van Patricia Kaas.

Ik zing die pareltjes luidkeels mee als ik in mijn oude Fiat over "mijn" Spaanse eilandje rijd. Wat naar verluidt een beproeving en ja zelfs een bezoeking is voor eventuele passagiers.

Mijn all time favourite is evenwel Le téléphon van Nino Ferrer, een Italiaanse Fransman die eigenlijk alleen van jazz en soul hield. Le téléphon - uit 1967 - is een absurd pareltje, een gespeel met (vrouwen)namen, voortgestuwd door een tenorsax en slaggitaren. Het was een gigantische hit in Frankrijk en ver daarbuiten.

Ferrer hield er zelf niet van, keek er zelfs wat op neer, maar het succes bracht brood op de plank. Hij is al bijna twintig jaar dood, Nino Agostino Arturo Maria Ferrari, zoals hij echt heette. Wat mooier klinkt dan Jean-Philippe Smet, alias Johnny Hallyday.