Edith Soto - Flickr / Creative Commons by-sa

Media: al wie niet "zichtbaar" is, is "gezien"

Met de verkoop van vrouwenbladen van Sanoma aan Roularta, wordt de mediaconcentratie nog versterkt. Toch zijn er digitale spelers die die concentratie kunnen doorbreken en zorgen voor vernieuwing, zegt Gie Goris van MO*. Maar omdat ze weinig zichtbaar zijn in onze maatschappelijke discussie, geeft de politiek weinig steun aan die vernieuwende digitale spelers. 

labels
Gie Goris
Gie Goris is hoofdredacteur van het "wereldmagazine" MO*.

De vrouwen gaan naar Evere, de bouwers naar Mechelen. Dat is de kortste samenvatting van de overeenkomst tussen Roularta Media Group en Sanoma, die eerder deze week werd aangekondigd. Het verdere uitkleden van Sanoma, wat leidt tot de versterking van Roularta in de tijdschriftenmarkt, betekent een nieuwe stap in de concentratiebeweging die in het Vlaamse medialandschap al een hele tijd aan de gang is. 

De redactie van VRTNWS.be bezorgde de lezers dinsdag een handig, grafisch overzicht van die Vlaamse mediamarkt om duidelijk te maken hoe weinig eigenaars er nog overblijven. En zoals zo vaak, gold ook voor die visualisering: een beeld verbergt vaak meer dan duizend woorden. 

Wat ons natuurlijk eerst opvalt, is dat de vereenvoudigde voorstelling volkomen abstractie maakt van de digitale mediawereld, waardoor jonge en onafhankelijke media-initiatieven die vooral of uitsluitend digitaal actief zijn, buiten beeld blijven.

Tegenover de concentratie van media-eigenaarschap, die overigens in de magazinemarkt nog meevalt als je ze vergelijkt met de krantenmarkt in Vlaanderen, bestaat er namelijk ook een tendens tot creatieve vernieuwing aan de kant van de digitale nieuwsmagazines of nieuwssites.

Apache, Charlie Mag, Doorbraak, MO*, DeWereldMorgen en RektoVerso, en het jongerenpersagentschap StampMedia leveren elk het bewijs van de dynamiek, de verscheidenheid en de groeiende impact van journalistieke initiatieven die zich buiten de grote mediagroepen en in de digitale omgeving afspelen.

En dan noemen we alleen nog maar de nieuwssites die samen Media.21 vormen, een koepelinitiatief dat bewijst  dat een scherpe profilering niet in de weg staat van een gemeenschappelijke verdediging van pluriformiteit en vernieuwing in de media.

De visualisering die VRTNWS.be aanbood kwam weliswaar met de waarschuwing dat ze sterk vereenvoudigd was en geen rekening hield met regionale zenders, lokale kranten, kleinere magazines en digitale spelers. Een tip aan de visualiseerders: toon die afwezigheid ook visueel. Hoeveel onafhankelijke magazines zijn er die niét getoond worden?

Als dat er honderden zijn (en ja, dat zijn er zo veel), dan geeft dat meteen een ander beeld van concentratie dan wanneer de grafische weergave dat weglaat. Concentratie bestaat en is problematisch, maar is soms ook een kwestie van herhaalde perceptie. Door een deel van de verscheidenheid onzichtbaar te maken, creëer je vanzelf de bevestiging dat ze niet bestaat.

Een andere tip voor de redactie: lees eens het Mediaconcentratie in Vlaanderen-rapport van de Vlaamse Regulator voor de Media. Ik weet het: dat is een saai en dik rapport (301 bladzijden in 2017), maar het is ook verhelderend.

"De mogelijkheden van het internet worden door de verschillende mediavormen intensief gebruikt", stelt het Rapport 2017 bijvoorbeeld. "Sociale media, websites en apps zijn de vaste verlengstukken geworden van heel wat mediamerken uit radio, tv en geschreven pers. Er zijn de laatste jaren ook nieuwswebsites (bv. Newsmonkey, Apache) en webmagazines (vb. Charlie Mag) ontstaan die enkel een internetbestaan hebben en geen link hebben met een ander mediaproduct of met een traditionele mediagroep."

Het rapport spreekt bovendien niet alleen van concentratie in de printmedia, maar ook in de audiovisuele sector en -belangrijk, maar bijna altijd over het hoofd gezien- in de distributiesector.

Het rapport kijkt niet alleen naar de verticale integratie (concentratie van eigenaarschap) maar ook naar horizontale integratie (de beroemde en beruchte synergieën tussen redacties binnen dezelfde mediagroep). 

De regering sust zichzelf met de vaststelling dat de concentratiebeweging, die weliswaar jaar na jaar vastgesteld wordt en toeneemt, niet aantoonbaar tot kwaliteitsverlies leidt. 

Concentratie en dus monopolievorming binnen de media is een reëel probleem voor de verscheidenheid en de kwaliteit van het informatie-aanbod, voor de bereikbaarheid van betrouwbare informatie, voor de representatie van de verschillende mogelijke visies op de samenleving, en dus voor het functioneren van een liberale democratie.

Dat is de reden waarom de Vlaamse regering de opdracht gaf om jaarlijks een lijvig rapport hierover af te leveren. Dat pleit voor de alertheid van de overheid. Zou je denken.

Alleen doet die overheid vervolgens niets met de aangeleverde overzichten en schuchtere inzichten. Ze sust zichzelf met de vaststelling dat de concentratiebeweging, die weliswaar jaar na jaar vastgesteld wordt en toeneemt, niet aantoonbaar tot kwaliteitsverlies leidt.

En bovendien gebruikt de overheid het instrumentarium om die beweging te corrigeren niet, onvoldoende en soms met omgekeerde logica. Het rapport van de Regulator rekent bijvoorbeeld de distributiesteun voor de grote kranten en tijdschriften tot die corrigerende instrumenten die de concentratie moeten tegengaan. We weten dat die steun 400 miljoen euro per jaar bedraagt, dat die alleen ten goede komt aan de grote mediabedrijven, en dat die één distributeur bevoordeligt.

Voor alle duidelijkheid: ik vind persoonlijk dat er goede redenen zijn om kranten en tijdschriften te ondersteunen, al begrijp ik niet dat de overheid daar geen kwalitatieve voorwaarden aan koppelt. Het probleem met die distributiesteun is echter dat er geen vergelijkbare steun is voor vernieuwende en digitale nieuwsinitiatieven, ook al weet elk kind dat min-veertigjarigen vooral in een digitale omgeving nieuws en duiding zoeken en ontvangen.

Enkel zichtbare spelers?

De honderden miljoenen die naar de grote mediagroepen gaan worden gecompenseerd met enkele tienduizenden voor innovatieve projecten. En het verschil zit hem niet alleen in de getallen, maar ook in de voorwaarden.

De mediagroepen krijgen steun voor hun uitgaven, de nieuwe initiatieven die al heel precair zijn, moeten nieuwe projecten opzetten en krijgen dus geen steun voor wat ze juist nodig hebben: het professionaliseren van hun journalistieke werk en het vergroten van hun bereik en impact -hun kernwerking, met andere woorden.

Twee jaar geleden zei minister Sven Gatz (Open VLD) al:

"We moeten het totaalaanbod qua media bekijken, dus niet enkel de kranten, maar ook de grotere diversiteit qua onlinebronnen waaraan mensen zich mediagewijs kunnen laven."

En: "Steun aan de pers moet voor mij focussen op steun voor de journalistiek en gaat verder dan de kranten…"

Beide uitspraken blijven bijzonder relevant voor het mediabeleid in het algemeen en voor de discussie over concentratie in het bijzonder. Maar als de minister meent wat hij daar vervolgens aan toevoegde ("Ik blijf geloven dat de huidige steun die we aan de journalistiek bieden, al zeer belangrijk is"), dan vergist hij zich en worden de andere uitspraken inhoudsloos.

Het huidige budget van zijn ministerie is ridicuul klein en de steun die media krijgen in dit land is slecht verdeeld. De scheeftrekking ten voordele van de grote privégroepen wordt bestendigd, zoals enkele maanden geleden nog eens bleek toen we berichtten over innovatiesteun voor Mediahuis ten belope van bijna een miljoen euro.

Daarom is de omissie van vernieuwende media-initiatieven in de visualisering van het medialandschap minder onschuldig dan ze op het eerste gezicht lijkt: ze biedt het beleid namelijk het comfortabele gevoel dat het zich alleen met de zichtbare spelers moet bezighouden. Het tegendeel is waar.

----

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.