Archiefbeeld ter illustratie.

Waarom kansarme leerlingen sneller een B-attest krijgen

Kansarme leerlingen en leerlingen met een migratieachtergrond krijgen op school sneller een B-attest dan kinderen met gegoede ouders, ook al behalen ze dezelfde cijfers. Dat blijkt uit een studie van 2 universiteiten in opdracht van gelijkekansencentrum Unia. Door die B-attesten belanden kansarme leerlingen vaker in richtingen die hen minder goed voorbereiden op hoger onderwijs. Hoe kan dat? En wat valt eraan te doen?

1. Wat achterhaalden de onderzoekers?

Aan het laatste rapport van een schooljaar is altijd een attest verbonden, met als doel een leerling verder te begeleiden in zijn of haar schoolcarrière. Bij een A-attest mag een leerling gewoon naar het volgende jaar, in dezelfde studierichting. Bij een C-attest moet hij of zij het jaar overdoen, al dan niet in dezelfde studierichting. Een B-attest hangt daar wat tussenin: de leerling mag wel naar het volgende studiejaar, maar mag bepaalde studierichtingen niet meer volgen (tenzij hij of zij er toch voor opteert om te blijven zitten).

“Uit ons onderzoek blijkt dat leerlingen van een lagere sociaaleconomische herkomst, of van een vreemde herkomst, bij twijfelgevallen vaker een B-attest zullen krijgen”, vertelt onderzoeker Steven Groenez van het Leuvense onderzoeksinstituut HIVA. “Leerlingen met dezelfde punten, maar van een hogere sociaaleconomische herkomst of van een Belgische herkomst krijgen in die twijfelgevallen vaker een A- of C-attest.” 

Een voorbeeld uit de studie, waarbij de twijfel over een B- of C-attest ging, toont dat goed aan:

2. Hoe kwamen de onderzoekers dat te weten?

De onderzoekers van het Leuvense instituut HIVA en van de UGent legden 804 leerkrachten en directeurs van 280 scholen verschillende, fictieve situaties voor. Daarbij was voor die leerling ofwel een A- of B-attest de meest evidente keuze, ofwel een B- of C-attest. De verschillen in die situaties lagen niet in de punten en prestaties, wel in de achtergrond van de leerling: jongen of meisje, Belgische roots of niet, een bemiddelde of kansarme gezinssituatie. 

De onderwijskansen van kinderen van een lagere sociaaleconomische herkomst worden soms beknot door die attesten

Steven Groenez, onderzoeker HIVA

3. Hoe komt dat?

“We zien daar een wat stereotiepe beeldvorming naar voren komen”, legt Groenez uit. “De redenering is dan dat in het verleden leerlingen van lagere sociaaleconomische herkomst met zulke resultaten ook vaak een B-attest kregen. Leerlingen met dezelfde punten van een hogere sociaaleconomische herkomst krijgen dan bijvoorbeeld net wel het advies om nog een jaartje te blijven zitten.” 

De argumenten die leerkrachten dan gebruiken, wijzen onder andere naar een gebrek aan ouderlijke ondersteuning van de kinderen of over de beheersing van het Nederlands. “Wanneer leerlingen van hogere sociaaleconomische komaf slechte punten halen, wordt bijvoorbeeld vaker gesproken van een eenmalig falen.” 

En dat is ook begrijpelijk, zegt Groenez. “Dat is afkomstig uit de jarenlange onderwijspraktijk: er is een relatie tussen lagere prestaties van leerlingen en hun sociaaleconomische herkomst. Maar die relatie die je algemeen gemiddeld kan vinden in een populatie mag je niet automatisch op een specifiek leerlingengeval kleven.” Dat gebeurt volgens het onderzoek vandaag nog te vaak.

(Tekst gaat verder onder de foto)

4. Welke impact heeft dat op de kinderen?

Het gevolg van die verschillende attesten is, zo stelt Groenez, dat de kansen op hoger onderwijs voor kinderen uit meer bemiddelde gezinnen beter gevrijwaard worden. “De onderwijskansen van kinderen van een lagere sociaaleconomische herkomst worden soms beknot door die attesten. Die B-attesten zetten hen namelijk aan om richtingen te kiezen die minder goed voorbereiden op hoger onderwijs.”

En dat is niet correct: “Elke leerling moet evenveel kans blijven krijgen om zich waar te maken in een bepaalde studierichting.”

Als je voor het leraarsvak kiest, moet je weten hoe om te gaan met een superdiverse klas

Els Keytsman, Unia

5. Wat kunnen we eraan doen?

“Het is belangrijk om leerkrachten te blijven wijzen op mogelijke stereotiepe beeldvorming”, vindt Groenez. “Leerkrachten moeten zich daar veel bewuster van worden. Ze moeten elke leerling individueel beoordelen en zich hoeden voor het geven van attesten op basis van opinies over bepaalde groepen in het onderwijs.”

Els Keytsman van gelijkekansencentrum Unia meent dat leerkrachten echt wel van goede wil zijn, maar beter ondersteund moeten worden. “Daar vragen leerkrachten terecht naar. Zo zou een methodologie voor de deliberatie van leerlingen door de klassenraad al een belangrijke stap vooruit betekenen.”

Ook een betere opleiding moet daarbij helpen. “Als je voor het leraarsvak kiest, moet je weten hoe om te gaan met een superdiverse klas.”