Grondwettelijk Hof: retributie voor verblijfsvergunning blijft grotendeels behouden

De regeringsbeslissing gedeeltelijk die bepaalt dat ons land voor een verblijfsvergunning 160 tot 215 euro per persoon mag aanrekenen, heeft grotendeels een grondwettelijke toets doorstaan. Volgens het Grondwettelijk Hof moeten erkende staatlozen die niet in hun thuisland terechtkunnen wel worden vrijgesteld. 

Begin 2015 had de regering bepaald dat een aanvraag tot gezinshereniging en een verblijf als student 160 euro per persoon kosten, terwijl voor aanvragen tot regularisatie en arbeidsmigratie 215 euro moet worden neergeteld. Kwetsbare groepen zoals kandidaat-vluchtelingen, niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en vreemdelingen die een regularisatie aanvragen om dringende medische redenen worden vrijgesteld.

Staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken zei toen dat hij op die manier het aantal oneigenlijke regularisatieaanvragen wilde doen dalen. Op de plannen kwam echter heel wat kritiek.

De vzw Association pour le droit des Etrangers en de Franstalige advocatenbalie trokken tegen de beslissing naar het Grondwettelijk Hof. In een arrest fluit het Hof Francken nu gedeeltelijk terug, want staatlozen die hun nationaliteit buiten hun wil hebben verloren en die nergens anders terecht kunnen, moeten van de retributie worden vrijgesteld. 

Toch reageert Francken opgelucht. "We hebben eigenlijk volledig gelijk gekregen, behalve voor een heel kleine categorie van staatlozen", zegt hij vanuit Guinee aan "De wereld vandaag" op Radio 1. "Het  gaat om enkele tientallen gevallen per jaar. Dat is echt een heel minuscule categorie waarvoor er een aanpassing moet gebeuren."

Eerder had Francken ook al op Twitter gereageerd.