Vrije schoolkeuze of niet? Zo werkt het inschrijvingssysteem

Niemand wil ze en toch zijn ze er elk jaar opnieuw: ouders die dagenlang kamperen om hun kind in te schrijven in de school van hun voorkeur. Om daar komaf mee te maken wil Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) het parlement werk laten maken van een centraal inschrijvingssysteem. Maar voorlopig blijven de meningen daarover verdeeld.  

Wat zijn de basisprincipes?

Elk kind heeft in principe recht op inschrijving in de basisschool gekozen door zijn of haar ouders. Maar elke school heeft ook maar een bepaalde capaciteit om leerlingen op te vangen. Inschrijvingen voor het eerste leerjaar van het basisonderwijs beginnen ten vroegste op de eerste schooldag van maart in het schooljaar dat daaraan vooraf gaat. Voor de start van die inschrijvingsperiode moet een schoolbestuur zijn capaciteit bepalen. En zo ontstaan er dus grendels op die vrije inschrijving.

De algemene regel is dat leerlingen chronologisch worden ingeschreven. Vandaar de rijen kamperende ouders om zo snel mogelijk aan de inschrijvingstafel te geraken.

Voorrangsregels

Voor bepaalde groepen van leerlingen zijn er afwijkingen op de chronologie. Broers of zussen van leerlingen die al op de school zitten krijgen voorrang. Ook kinderen van personeelsleden genieten van die voorrangsregeling. En in het Vlaams onderwijs in Brussel geldt dan nog eens een bijkomende voorrang voor een minimaal percentage Nederlandstaligen. De voorrangsperiode duurt minstens twee weken.

In de omzendbrief voor het basisonderwijs worden bij dat inschrijvingsrecht ook enkele uitgangspunten gedefinieerd. Zo is het de bedoeling in ons onderwijs optimale leer- en ontwikkelingskansen voor alle leerlingen te realiseren. Uitsluiting, segregatie en discriminatie moeten vermeden worden. En het inschrijvingsrecht moet ook de sociale mix en cohesie bevorderen.

Dubbele contingentering, wablieft?

Om die sociale mix en cohesie te realiseren is er een bijkomende voorrangsregel uitgewerkt: het zogenoemde principe van de dubbele contingentering. Het betekent dat er bij de inschrijvingen een opsplitsing wordt gemaakt tussen indicatorleerlingen en niet-indicatorleerlingen.

Een kind wordt als indicatorleerling omschreven als ofwel de moeder niet in het bezit is van een diploma of getuigschrift secundair onderwijs, ofwel het gezin in het schooljaar van of voor de inschrijving minstens één schooltoelage van de Vlaamse Gemeenschap heeft gekregen. Het is met andere woorden een soort definitie voor kansarmere leerlingen. Een niet-inidicatorleerling is iemand die aan geen van beide voorwaarden voldoet.

Zo creëert een school dus twee contingenten. Als het plafond in het ene contingent bereikt is, krijgen leerlingen in het andere contingent voorrang. Door vooraf een percentage indicatorleerlingen en niet-indicatorleerlingen te bepalen, garandeert de school de voorwaarden voor die sociale mix.   

Niet verplicht

Hoewel het als uitgangspunt van het inschrijvingsrecht geldt, is die dubbele contigentering voorlopig nog geen verplichting voor scholen apart. Het wordt wel een verplichting als scholen zich verenigen in een lokaal overlegplatform.

En zo'n lokaal overlegplatform is een opstap naar een centraal aanmeldings- of inschrijvingssysteem. Want in heel wat steden werken ze al met zo'n centraal systeem. Naast andere criteria zoals de voorkeur van de ouders, de nabijheid en dus bereikbaarheid van de school, wordt daarin  ook die dubbele contingentering toegepast.

Maar de parlementaire discussie over zo'n centraal inschrijvingssysteem voor heel Vlaanderen en Brussel blijft voorlopig zonder resultaat. Want het Vrij Onderwijs is er geen voorstander van en nu wil ook de meerderheidspartij N-VA komaf maken met die dubbele contingentering in het centraal inschrijvingssysteem.