AP2001

Zestig jaar bloedvergieten in Colombia

Met het vredesakkoord tussen de Colombiaanse regering en de FARC-guerrilla is een einde gekomen aan een van de langst lopende interne conflicten in de wereld. Zestig jaar lang sijpelde massa’s bloed in de Colombiaanse aarde. De hoofdrolspelers: een hele schare aan guerrillabewegingen, paramilitairen, drugskartels en het Colombiaanse leger. Meer dan 250.000 mensen lieten het leven en 6 miljoen mensen sloegen op de vlucht.

Algemeen wordt het onstaan van het conflict teruggebracht tot de oprichting van de rebellenbeweging FARC midden jaren 60, maar de oprichting van de FARC was niet zozeer het startschot, veeleer een gevolg van een andere strijd: de violencia in de jaren vijftig.

Net zoals in vele Latijns-Amerikaanse landen woedde in die tijd - en al lang ervoor - ook in Colombia een politieke strijd tussen conservatieven en liberalen. In 1948 werd de populaire liberale leider Jorge Eliécer Gaitan in Bogotá vermoord, de conservatieven waren toen aan de macht. De moord leidde tot een heus bloedbad in de hoofdstad, met meer dan drieduizend doden.

Dat bloedbad – dat de geschiedenis inging als Bogotazo – was dan weer de aanleiding voor een periode van ononderbroken geweld, die meer dan tien jaar zou aanhouden en waarbij honderdduizenden slachtoffers vielen: la violencia. De politieke strijd tussen liberalen en conservatieven spleet het land in tweeën, dwars door steden, dorpen, gemeenschappen en zelfs families heen.

In die periode namen de eerste guerrillero’s de wapens op. Liberale én communistische verzetsgroepen, die om het Colombiaanse leger en de politie het hoofd te kunnen bieden, al dan niet samenwerkten. Dat strategische front was echter niet bestand tegen de onderliggende ideologische tegenstellingen en viel al snel uiteen. Na een staatsgreep in 1953 leverden de liberale guerrillero’s hun wapens in, de communisten zetten de strijd voort tegen een liberaal-conservatieve as.

De FARC zien het levenslicht

Van hier naar daar opgejaagd door het leger stichtten de rebellen begin jaren 60 een economisch onafhankelijke commune in Marquetalia. Na twee maanden strijd maakte het leger in 1964 een einde aan deze communistische republiek. Een aantal rebellen wist echter te ontsnappen en kon zich hergroeperen. De Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia waren geboren. Manuel Marulanda Velez alias Tirofijo (“Vast schot”) was hun leider.

Het doel van de FARC: de linkse strijd voor herverdeling (met name op het platteland) ten tijde van de violencia voortzetten en de Amerikaanse inmenging in Colombia bestrijden, geïnspireerd door de Cubaanse revolutie, die tegen die tijd stevig verankerd was.

In het spoor van de FARC zagen nog meer linkse rebellenbewegingen het levenslicht, zoals het Ejercito de Liberacion Nacional (ELN, Nationale Bevrijdingsleger) en M-19. Hoewel ze een groot aandeel hadden in het bloedvergieten en geweld, denk maar aan de aanval van M-19 op het gerechtsgebouw in Bogotá in 1985, waren ze minder talrijk dan de FARC.

De onderlinge strijd tussen guerrillero’s, doodseskaders, paramilitaire milities en leger en politie zette Colombia in die tijd op de kaart als een van de gevaarlijkste landen ter wereld.

Contrarevolutie

In de jaren 70 groeiden de FARC aan. Het gevecht op het terrein was er aanvankelijk een tussen de verschillende guerrillagroepen en het Colombiaanse leger, maar in de jaren 80 mengden nieuwe spelers zich in de strijd: de doodseskaders en paramilitaire bewegingen. De eerste bestonden onder meer uit drugshandelaars, landeigenaars en leden van de sociale en economische elites die de ontvoeringen, lucratieve drugshandel en afpersingen waarmee de FARC toen al hun strijd financierden, meer dan beu waren. De paramilitairen werden vaak gesteund door de Colombiaanse veiligheidsdiensten.

Die contrarevolutionaire beweging had grote gevolgen. Niet alleen zoog ze het land in een zo mogelijk nog grotere spiraal van geweld en chaos (onder meer duizenden leden van de UP, de in 1985 opgerichte politieke partij van de FARC, werden door paramilitairen en het leger vermoord), ze leidde ook tot de mislukking van vredesgesprekken tussen de FARC en de overheid. De militaire tak van de FARC kreeg weer de bovenhand en de rebellen waren er meer dan ooit van overtuigd dat de gewapende strijd de enige weg naar verandering was.

AP1996

De onderlinge strijd tussen guerrillero’s, doodseskaders, paramilitaire milities en leger en politie zette Colombia in die tijd op de kaart als een van de gevaarlijkste landen ter wereld. Ene Pablo Escobar en zijn Medellinkartel – en in zijn kielzog nog vele andere en soms nog meer moordlustige drugsbarons – deden er nog een bloederig schepje bovenop.

In die tijden van extreme chaos en geweld was er echter ook goed nieuws. In 1990 gaf M-19, een verzameling van communisten, nationalisten en katholieken die midden jaren 80 nog de op één na grootste guerrillabeweging in Colombia was, de gewapende strijd op en stapte in de politiek. Bij de parlementsverkiezingen in 1991 haalden de ex-guerrillero’s een niet onbelangrijk aantal zetels binnen.

De FARC dachten er echter niet aan de gewapende strijd op te geven. Integendeel, ze zagen hun aantal eind jaren 80 begin jaren 90 verdrievoudigd. Door zich meer met de drugshandel te bemoeien en het aantal ontvoeringen en afpersingen op te drijven werden ze rijker dan ooit en groeiden ze uit tot een rebellenleger van zowat 10.000 guerrillero’s.

Eeuwwisseling: een nieuwe dialoog

Pas eind jaren 90 was er opnieuw toenadering tussen de rebellen en de overheid. President Andrés Pastrana stemde eind 1998 in met een gedemilitariseerde zone van 42.000 m² waar de FARC vrij spel kregen, een voorwaarde van de guerrillero’s om aan nieuwe vredesgesprekken te beginnen.

Een verkeerde gok van de president met drastische gevolgen. De FARC hielden in die zone hun gijzelaars vast, produceerden er naar hartelust drugs, hergroepeerden zich en leidden er nieuwe rekruten op. Kortom, ze werden er alsmaar sterker. Pastrana kon niet anders dan de vredesgesprekken begraven en heropende de militaire strijd.

Tijdens die vredesgesprekken bereikten de FARC het hoogtepunt van hun macht. Begin jaren 2000 telden ze naar schatting meer dan 20.000 rebellen en bezetten ze zowat 10 tot 15 procent van Colombia. Grote steden als Bogotá, Medellin en Cali waren omsingeld.

De man van de harde aanpak

Aan die glorietijd kwam een einde na de machtsovername door Alvaro Uribe (foto onder), die zich ontpopte tot de man van de harde aanpak. Door een - fel gecontesteerd en eigenlijk mislukt - akkoord over ontwapening te sluiten met de AUC, een extreem gewelddadige paramilitaire beweging, kon Uribe zich focussen op de strijd tegen de drugskartels en de FARC.

De president slaagde er tijdens zijn eerste termijn in het aantal moorden met bijna de helft terug te dringen, het aantal ontvoeringen daalde met meer dan 80 procent. Alleen tegen de cocaïneteelt leek hij aanvankelijk niet opgewassen.

Uribe kon voor zijn strijd tegen de drugshandel, criminaliteit en guerrilla op flink wat steun uit de Verenigde Staten rekenen. Onder meer via het Plan Colombia, dat nog onder Pastrana was beklonken, stroomden er elk jaar honderden miljoenen dollars van de VS naar Colombia. Zeventig tot tachtig procent van de jaarlijkse steun was voor leger en politie bedoeld.

De harde aanpak van Uribe leverde hem in 2006 een klinkende overwinning bij de presidentsverkiezingen en een tweede ambtstermijn op. Die werd getekend door een hele reeks schandalen en gerechtelijke onderzoeken naar de banden van de regering en het parlement met extreemrechtse paramilitairen. Ook Uribe zelf kwam in het vizier, maar de president bleef de beschuldigingen altijd ontkennen.

Ondanks die slechte reputatie boekte Uribe ook in zijn tweede ambtstermijn successen in de strijd tegen de FARC. De bevrijding van Ingrid Betancourt in 2008 kreeg de meeste internationale aandacht. Een ferme slag in het gezicht van de rebellen, die hun gijzelaars wilden ruilen voor gevangengenomen guerrillero’s. Maar de grootste slag die Uribe de FARC toebracht, was de voortdurende militaire strijd, waardoor de guerrillabeweging na de hoogdagen onder Pastrana onder het bewind van Uribe gedecimeerd werd tot zowat 8.000 rebellen.

Praten in Havana

Uribe is altijd een voorstander geweest van de militaire strijd tegen de rebellen. Hij wilde ze uitroeien, vredesgesprekken waren taboe. Dat zijn eigen vader door de FARC was vermoord, had daar ongetwijfeld veel mee te maken. Ironisch genoeg heeft hij er met zijn harde aanpak voor gezorgd dat die vredesgesprekken er toch kwamen. Want hoe kleiner de FARC werden, hoe uitzichtlozer de gewapende strijd. Uribe dreef de rebellen naar de onderhandelingstafel.

Het was Uribe’s opvolger Juan Manuel Santos die het geweer gedeeltelijk van schouder veranderde en voor een dubbele strategie koos: de militaire strijd en tegelijkertijd vredesonderhandelingen.

Kort na de machtsovername in 2010 startte de president in het geheim voorbereidende gesprekken op met de FARC. Vanaf november 2012 voerden de overheid en de rebellen officiële vredesgesprekken in de Cubaanse hoofstad Havana. Het vredesproces werd onderverdeeld in zes thema’s: landhervorming, de overgang van de FARC naar een politieke partij, vergoeding van de slachtoffers, drugshandel, de berechting van de betrokken partijen en de ontwapening van de rebellen.

De Colombiaanse bevolking onderging de onderhandelingen in Havana jarenlang met grote scepsis, maar bleek de president wel te steunen in zijn zoektocht naar vrede. In 2014 maakte Santos van de gesprekken in Havana hét onderwerp van zijn herverkiezingscampagne. Met succes.

Historische handdruk

Eind september 2015 kwam dan eindelijk de belangrijke doorbraak en waren plots alle internationale camera’s op Havana gericht. Nadat de gesprekspartners het eens waren geraakt over een van de belangrijkste onderdelen van de onderhandelingen, de gerechtelijke vervolging van alle betrokken partijen, werd er plotsklaps ook een officiële deadline uit de hoed getoverd: 23 maart 2016. Met een historische handdruk zetten president Santos en rebellenleider Timochenko hun hoop op een definitief akkoord kracht bij.

Die deadline werd uiteindelijk niet gehaald, maar zes maanden later, in september 2016, lag het definitieve vredesakkoord dan toch op tafel. Maar ook dan bleven de obstakels opduiken. In een referendum werd het vresesakkoord, dat tijdens een grote ceremonie in Havana was ondertekend, door een nipte meerderheid verworpen. En dus moesten de onderhandelaars opnieuw aan tafel gaan zitten, om enkele maanden later met een nieuw akkoord op de proppen te komen. Dat nu, met iets minder luister dan twee maanden geleden, is ondertekend in Cartagena, de oude koloniale havenstad in het noorden van Colombia. Een historische mijlpaal, zonder meer.

Copyright 2017 The Associated Press. All rights reserved.