100 jaar geleden: Russische bolsjewieken voortaan communisten

In deze reeks brengen we grote en klein gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog 100 jaar geleden, deze week van 7 tot 13 maart 1918. De Russische bolsjewieken noemen zich voortaan communisten, Moskou wordt de nieuwe hoofdstad van Rusland, het Duitse hoofdkwartier wijkt uit naar Spa en kardinaal Mercier protesteert tegen het weghalen van kerkklokken.

In Moskou hebben de bolsjewieken een partijcongres gehouden, het eerste sinds ze vier maand geleden aan de macht kwamen.

Door het vernederende vredesverdrag van Brest-Litovsk was er weinig reden tot triomf. Een groep geleid door Nikolaj Boecharin kantte zich tegen het verdrag, maar Lenin, nu premier, verdedigde het fel. Elke voortzetting van de oorlog met de Centralen zou de ondergang van het Sovjetbewind betekenen, zo zei hij. Uiteindelijk haalde hij een ruime meerderheid.

Het congres koos een nieuw centraal comité, dat de partij tussen twee congressen door leidt. Het telt 15 leden (de bekendsten zijn Lenin, Trotski, Sverdlov, Zinovjev, Boecharin, Stalin en Sokolnikov), plus 8 kandidaat-leden zonder stemrecht.

Het nieuwe centraal comité van de partij; beginfoto, zicht op Moscou, circa 1918

Het congres besliste ook tot een naamsverandering. Tot nu toe heette de partij volledig de “Russische Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (bolsjewiki)”. De vermelding bolsjewiki (“die van de meerderheid”) stond er om het onderscheid te maken met de afgesplitste minderheid, de mensjewiki. De nieuwe naam wordt “Russische Communistische Partij (bolsjewiki)”.

Het was Lenin die de in onbruik geraakte naam “communist” wilde aannemen, om zo een duidelijk onderscheid te maken met de andere marxistische partijen. De naam gaat terug op een groep revolutionairen die zich in 1847 de Bond van Communisten noemde en voor wie Marx en Engels in Brussel het Communistisch Manifest schreven.

Ant-communistische poster: Lenin, Trotski en andere vooraansttaande bolsjewieken offeren Rusland op het altaar van Karl Marx en het communisme

Russische regering wijkt uit naar Moskou

De Russische regering en andere belangrijke staatsinstellingen zijn op 11 maart vanuit Petrograd overgebracht naar de oude hoofdstad Moskou.

Vorig jaar had de Voorlopige Regering al plannen om uit te wijken. Door de Duitse invasie van de voorbije weken is de positie van Petrograd gevaarlijk geworden. Kort geleden wierpen Duitse vliegtuigen er een paar bommen af.

De Duitse linies liggen nu amper 150 km verder, bij Narva in Estland. Bovendien loopt de grens van het pas onafhankelijke Finland  slechts 50 km ten noorden van de hoofdstad. Ook de oevers van de Finse Golf, die de stad toegang geeft tot de zee, zijn nu in vreemde handen.

Lenin aan zijn bureau in het Kremlin

Moskou daarentegen ligt veel verder in het binnenland en is bovendien het knooppunt van het wegen- en spoorwegennet.

De beslissing tot de verhuis is pas bekendgemaakt toen ze al had plaatsgevonden. Het vertrek gebeurde in het geheim. De regering vreesde voor aanslagen maar ook voor rellen. Er heerst honger en sociale onrust in de stad.

Van elke centrale administratie nam een beperkt aantal ambtenaren met hun gezinnen plaats op een zwaarbewaakte trein die in alle discretie vertrok. De trein vervoerde ook het goud en andere waarden van de Staatsbank.

Links, een stadspaleis in Petrograd waarvan de beroemde wijnkelder is geplunderd. Rechts, aristrocaten en gewezen hoge militairen moeten met allerlei klusjes in de stad zien te overleven. Petrograd is na de Oktoberrevolutie snel in verval geraakt, in de stad heerst anarchie en wordt geplunderd. Veel mensen vluchten weg; van zo'n 2 miljoen mensen in 1917 daalt de bevolking tegen 1920 naar een half miljoen (Le Miroir 17 maart en 7 april 1918).

Daarmee krijgt Moskou de functie van hoofdstad terug die ze twee eeuwen geleden moest afstaan aan het toen pas gestichte Sint-Petersburg. De regering heeft haar intrek genomen in het Kremlin.

Ironisch genoeg vervullen de bolsjewieken met deze beslissing het verlangen van de meest conservatieve en traditionalistische Russen, waaronder de afgezette tsaar. Voor hen weerspiegelt Moskou veel meer de Russische, orthodoxe ziel dat het moderne en westerse Petrograd.

Lev Trotski blijft voorlopig in Petrograd als hoofd van een militair comité dat de stad moet beveiligen. Trotski trad zopas af als volkscommissaris voor Buitenlandse Zaken, nadat zijn politiek van “oorlog noch vrede” tegenover Duitsland een fiasco was gebleken.

Trotski wordt op Buitenlandse Zaken opgevolgd door zijn plaatsvervanger Georgi Vasiljevitsj Tsjitsjerin. Deze is pas recent tot de bolsjewieken toegetreden nadat hij tot begin dit jaar in een Britse gevangenis zat wegens revolutionaire activiteiten.

In Moskou richten de bolsjewieken ook hun eerste monument op, kort voor de eerste verjaardag van de revolutie. Het is een standbeeld van de Franse revolutionair Robespierre, een van hun voorbeelden. Bij gebrek aan grondstoffen is het beeld gemaakt van beton en metalen buizen, en het valt al na enkele dagen uit elkaar.

Krijgsgevangenen worden op grote schaal vrijgelaten

De ondertekenaars van het vredesverdrag van Brest-Litovsk een week geleden, Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, zijn begonnen met op grote schaal vrijlaten van hun krijgsgevangenen.

De Russen waren daar al eerder mee begonnen. De krijgsgevangenen werden voor hun vrijlating eerst nog in een propagandabad geworpen, de bolsjevieken hopen dat zij in hun thuisland zullen helpen om er de revolutie te doen losbarsten. De terugkeerders worden daarom o.a. in Duitsland door de legerleiding met groot wantrouwen bekeken.  

Oostenrijks-Hongaarse (links) en Russische (rechts) krijgsgevangenen klaar om naar huis te keren

Verdere opmars Centralen

Duitse en Oostenrijks-Hongaarse troepen zijn in Odessa, de belangrijkste Oekraïense havenstad. Ze waren daarvoor door Roemenië en Bessarabië getrokken. De milities van de plaatselijke sovjetrepubliek Odessa, die door niemand is erkend, konden maar weinig weerstand bieden en zijn naar het oosten gevlucht.

Anderzijds hebben de Turken – met Duitse officieren - de stad Erzurum op het Armeense hoogplateau heroverd, drie jaar nadat ze die aan de Russen waren kwijtgeraakt. De Russische troepen zijn volkomen verdwenen, maar Armeense milities boden hevige tegenstand. De stad stond in brand toen ze de aftocht bliezen.  

Beelden van Odessa, kort na de inname. De bolsjewieken hebben niet gedurfd om het standbeeld van tsarina Katharina de Grote omver te gooien, maar wel overdekt met een stuk stof Omniscan 12.4 SR3 Build1759

De Geallieerden moeten machteloos toezien hoe de Duitsers de oevers van de Zwarte Zee bezetten terwijl de Turken de Kaukasus naderen.

Intussen zijn Britse mariniers ontscheept in de haven van Moermansk. Die ligt in het noorden van Rusland aan de Noordelijke IJszee, niet ver van de Finse grens.  De Britten willen hiermee voorkomen dat Duitse troepen via Finland deze strategische haven zouden bezetten. Ze hebben de Russische regering beloofd dat de maatregel niet tegen Rusland is gekant.

Zicht op Moermansk vanuit de haven van de stad © IWM (Q 16897)

Duits Groot Hoofdkwartier in Spa

Het Groot Hoofdkwartier van de Duitse generale staf (de “Oberste Heeresleiting”) is overgebracht naar het bekende Belgische kuuroord Spa in de Ardennen.

De belangrijkste Duitse legerchefs, veldmaarschalk von Hindenburg en generaal Ludendorff, hebben zich in het Grand Hôtel Brittannique geïnstalleerd.  Ook de keizer zou zich binnenkort in Spa vestigen. Overal in de omgeving krioelt het van Duitse militairen.

De keizer en von Hindenburg begroeten elkaar in Spa © IWM (Q 79578)

Sinds eind februari zijn alle normale spoorwegverbindingen met Spa afgeschaft. Nu mag niemand zonder toestemming de stad nog in of uit. Inwoners van de streek van Verviers moesten sinds enige tijd allemaal een speciale pas hebben om te reizen. De reden wordt nu duidelijk.

Het Groot Hoofdkwartier is tijdens de oorlog al meermalen verplaatst. Meer dan een jaar bevond het zich in Bad Kreuznach, een kuuroord niet ver van Bingen aan de Rijn. Het is van augustus 1916 geleden dat het nog zo dicht bij het Westelijk Front lag.

Dat het hoofdkwartier nu naar België wordt verplaatst, toont eens te meer dat de Duitse legerleiding zich voorbereidt op een groot offensief in het westen.

Het Grand Hôtel Brittannique in Spa eind 1918 (foto Deense Nationale Bibliotheek)

Protest tegen het weghalen van klokken

In alle kerken in bezet België is een brief van kardinaal Mercier voorgelezen waarin deze krachtig protesteert tegen het voornemer van de Duitse bezetter om klokken en orgelpijpen uit de kerken te halen.

Mercier noemt dit heiligschennis. Kerkklokken zijn immers gewijde voorwerpen. Het opeisen van klokken om er oorlogsmunitie mee te maken acht hij ook strijdig met het internationaal recht.

Kerkklokkendepot in Zaben / Saverne in de Elzas, klaar om afgevoerd te worden. In Duitsland werden al vanaf 1917 kerkklokken "vrijwillig" afgevoerd om gesmolten te worden (Albums Valois, BDIC)

“We zouden Kerk en Vaderland verraden, zo schrijft de kardinaal, als we de lafheid hadden om zonder een daad van openbare afkeuring, ons een metaal laten ontroven die de vijand zal omzetten in vernietigingstuigen bestemd  om de dood te brengen in de rangen van de helden die zich voor ons opofferen”.

Mercier heeft zijn protest ook aan de paus doorgestuurd.

Verscheidene gemeenten protesteren eveneens tegen het mogelijk weghalen van de klokken. Zelfs het Brusselse liberale stadsbestuur, dat als antiklerikaal geldt, neemt bepaalde argumenten van Mercier over en vraagt om minstens de historisch waardevolle klokken te sparen.

De Duitse bezetter heeft nog geen klokken opgeëist, maar laat wel een inventaris van alle klokken en orgels opstellen.

In Duitsland zorgde net in deze periode het gerucht dat het standbeeld ter ere van de dichter Heinrich Heine in Frankfurt am Mainz afgevoerd zou worden om gesmolten te worden voor protest in literaire kringen. Ook in Brussel vreesden ze voor de toekomst van Manneken Pis. Beide beelden overleefden de oorlog ongeschonden (Berliner Leben, 1918 en Stadsarchief Brussel, collectie Keym)

Luchtaanvallen langs beide kanten

In de nacht van 8 op 9 en van 11 op 12 maart is Parijs getroffen door aanvallen van Duitse Gotha-bommenwerpers.

De bommen vielen totaal willekeurig op privéwoningen en openbare gebouwen. Het dak van een metrostation stortte in, wat voor een enorme paniek zorgde. In totaal vielen er meer dan honderd doden en honderden gewonden. Wel zijn er vijf Gotha’s neergehaald.

Een bij Compiègne neergehaalde Gotha
Britse luchtfoto van het vliegveld in Gontrode bij Gent, vanwaar veel Duitse Gotha's opstegen

De dag voor de eerste aanval op Parijs hadden de Gotha’s het zuidoosten van Engeland – waaronder Londen – aangevallen. Daar vielen 23 doden. Eén bommenwerper stortte neer. En in de nacht van 12 op 13 maart viel een Zeppelin van de Duitse marine installatie in Yorkshire en de monding van de Humber aan (noorden van Engeland). Daarbij viel slechts één dode.

Volgens de Duitse legerleiding zijn de aanvallen een vergelding voor Geallieerde bombardementen op de Duitse steden Trier, Mannheim en Pirmasens vorige maand.

Een reactie bleef niet uit. Op 10 maart hebben de Britten op hun beurt Stuttgart gebombardeerd. Dat gebeurde op klaarlichte dag. Drie dagen later volgde een soortgelijke aanval op Freiburg.

De Gotha's zijn langsgekomen: "Wel, mama, is dit een oorlog tegen kinderen? " ( Uit het Franse Le Rire, 23-2-1918). En, rechts, foto's van diverse monumenten in Parijs, die ingepakt zijn om ze te beschermen tegen bommen (Le Miroir, maart 1918).

Nog meer ophef maakt de Duitse luchtaanval op de Zuid-Italiaanse stad Napels in de nacht van 10 op 11 maart. Dat gebeurde door de Zeppelin LZ 104, die vanuit Bulgarije opereerde (dezelfde LZ 104 voerde in november vorig jaar een vlucht naar Afrika uit).

Er werden bommen afgeworpen op de haven, een groot staalbedrijf en een munitiefabriek, maar door de grote hoogte van de Zeppelin      (4800 m), gebeurde dat met weinig precisie. De installaties ondervonden geringe schade. Wel troffen enkele bommen het stadscentrum van Napels, waarbij een 16 doden en 40 gewonden vielen.

De Napolitanen zijn totaal verrast door de aanval. Er heerst grote woede omdat er geen maatregelen werden genomen om de stad te beveiligen. Tegen de regionale militaire bevelhebber wordt een onderzoek geopend.

"In de Goede Week vliegen de klokken naar Rome, maar vorige week vlogen de klokjes al naar Napels" (uit het Weense Kikeriki, 24 maart 1918)
Zegel “ter herinnering aan het barbaarse misprijzen van de nacht van 10-11 maart 1918 tegen de Parthenopeïsche Stad” (zoals Napels in de oudheid werd genoemd). Rechts, kaartje met mogelijke routes van de Zeppelin.

Duitse luchtheld omgekomen

Nabij Rijsel is de Duitse vlieger kapitein Buddecke door Britse vliegtuigen in een luchtgevecht neergeschoten. Buddecke (27) had 18 erkende overwinningen op zijn naam. Hij was na Max Immelmann en Oswald Boelcke de derde Duitse piloot die de befaamde Pruisische ridderorde ‘Pour le Mérite’ ontving. 

Hans-Joachim Buddecke was in 1913 naar de Verenigde Staten uitgeweken, waar hij leerde vliegen en zelf een eigen vliegtuigbedrijf stichtte. Bij het begin van de oorlog keerde hij onder een valse identiteit naar Duitsland terug om dienst te hemen als militair piloot.

Buddecke raakte vooral bekend door zijn optreden in de gevechten op Gallipoli in 1915. Met zijn vliegtuig wist hij meerdere Geallieerde aanvallen op Turkse doelen af te slaan. Hij werd toen persoonlijk onderscheiden door de Turkse minister van Oorlog Enver Pasja.

Vorig jaar was hij opnieuw in Turkije, ditmaal als leider van de Duitse gevechtspiloten in Gallipoli. De Turken gaven hem de erenaam “El Schahin” (de jachtvalk). Begin dit jaar was hij naar het Westelijk Front teruggekeerd.  

Budecke in Turks uniform en zijn graf op het Berlijnse Invalidenfriedhof