Shell en Eni laks en traag bij olielekken in Nigeria

Shell en Eni doen niet genoeg om olielekken in Nigeria tijdig te verhelpen en omgevingsschade te beperken. Dat zegt Amnesty International, dat de rapporten van de oliereuzen over de lekken bestudeerde.

De organisatie verwijt de maatschappijen bovendien misleidende berichten te hebben verspreid over de oorzaak van lekken. Daardoor lopen getroffen gemeenschappen compensatie mis.

Het Nederlands-Britse Shell rapporteerde sinds 2011 over iets meer dan duizend olielekken van verschillende omvang. Het Italiaanse Eni, waarmee Shell samenwerkt en dat eveneens in de Nigerdelta actief is, meldde sinds 2014 in totaal 820 lekkages. Daarbij ging in totaal 21,6 miljoen liter olie verloren, waarvan het grootste deel in de grond of in het water belandde.

Volgens Shell kwam 80 procent van de lekkages door sabotage en diefstal, en volgens Eni was dat zelfs in 89 procent van de lekken het geval. Amnesty zegt echter dat het onderzoek naar de oorzaken rammelt. In minstens 89 gevallen zou er "gerede twijfel" zijn over de oorzaken die zijn gemeld. Zo zou op foto's te zien zijn dat olielekken zijn veroorzaakt door roest.

Amnesty benadrukt dat de maatschappijen ook niet vrijuit zouden gaan als de gerapporteerde oorzaken wél kloppen. Volgens de Nigeriaanse wet zouden oliemaatschappijen de best mogelijke maatregelen moeten nemen om lekken te voorkomen, zoals het verstevigen van buizen of de aanleg van ondergrondse leidingen. Verreweg de meeste olieleidingen lopen in het gebied over land en zijn onbewaakt. Ook wordt meestal niet binnen 24 uur poolshoogte genomen bij een lek.

Shell en Eni spreken de aantijgingen tegen en noemen die "onjuist en ongegrond". Volgens Shell houdt de mensenrechtenorganisatie onvoldoende rekening met de complexe omstandigheden. Eni zegt wel degelijk stappen te nemen om vervuiling tegen te gaan.