Video player inladen ...

Vranckx: Moeten de kinderen van Syriëstrijders boeten voor de zonden van hun vaders?

Vooraf wil ik één ding duidelijk stellen: nee, dit gaat niet over de Belgische IS'ers die gevangen­genomen zijn in de strijd om Mosul en Raqqa. Zij moeten en zullen berecht worden voor de misdaden die ze begaan hebben; in Irak riskeren ze daarbij de doodstraf. Wél wil ik het hebben over hun Belgische vrouwen en kinderen in de vluchtelingenkampen in de regio. Zij dreigen in de vergeetput van de geschiedenis te belanden, met alle risico's van dien.

Al maandenlang staan we in contact met Belgische ouders van wie de dochters samen met hun kinderen in Syrië en Irak zitten. Omdat ze hun man gevolgd waren, omdat ze oprecht geloofden in de beloofde droom van het “kalifaat”, omdat ze geradicaliseerd waren of verbitterd over onze samenleving. Tijdens de laatste weken van het IS-rijk zochten ze vaak in paniek een uitweg, weg van de bommenregen, misschien wel vol spijt over de keuzes die ze gemaakt hebben. Na de val van het “kalifaat” stroomden ze, samen met de vluchtende bevolking, toe in de vluchtelingenkampen in de regio. Ze leven er nu als gevangenen in een gevangenissysteem dat officieel niet bestaat.

Volgens OCAD (het orgaan dat in ons land instaat voor de dreigingsanalyse) gaat het alleen al om 140 kinderen, waarvan drie kwart jonger is dan zes. Samen met hun moeders zijn ze in een legaal niemandsland terechtgekomen. De Belgische staat zegt in veel gevallen niet te weten om wie het gaat of waar ze zitten. Ze dreigen te verdwijnen in de vergeetput van de geschiedenis.

We moeten niet naïef zijn

Wel, wij zijn hen gaan zoeken in het noorden van Syrië. We hadden betrouwbare informatie dat twee van hen, Bouchra en Tatiana, in het vluchtelingenkamp Al-Hol verbleven, en een andere, Selin, in Al-Roj. Alleen: de buitenlandse media worden angstvallig uit die kampen geweerd. Volgens geruchten die hier de ronde doen maar die ik niet kan checken, gebeurt dat vooral op bevel van Amerikaanse inlichtingendiensten. Tot voor kort wist ogenschijnlijk niemand daardoor precies wat zich in die kampen afspeelt, hoe het leven er is of wie er woont.

Van alle vluchtelingenkampen in het noorden van Syrië zijn er drie waar vrouwen en kinderen van IS-strijders verblijven: Al-Hol, Al-Roj en Ain Issa.

Tot voor kort, want wij zijn er binnen geraakt. En we hebben de Belgische vrouwen gevonden.

We spraken Bouchra en Tatiana als eerste in Al-Hol, omringd door hun vijf kinderen, peuters en kleuters van één jaar tot een jaar of vijf. Sommigen zijn daar geboren, sommigen zelfs in België – alvast die hebben dus Belgische geboortebewijzen. Ze leven er nu allemaal samen, opgesloten in een aparte, bewaakte sectie van het vluchtelingenkamp die is opgericht voor de vrouwen en kinderen van IS’ers. For the record: over de leefomstandigheden in het kamp valt er allerminst te klagen, zeker als je het vergelijkt met de beproevingen die de vluchtelingen van het IS-conflict in de regio hebben moeten (of nog steeds) doorstaan.

Ik vroeg het hen rechtuit: of ze beseffen dat ze niet met open armen ontvangen zullen worden, als ze ooit terug zouden keren?

Je moet ook niet naïef zijn, vind ik: hoewel het hier niet gaat om mannelijke Syriëstrijders (figuren als Tarik Jadaoun en Bilal Al-Marchohi worden nog ondervraagd in andere kampen of worden al berecht), zijn dit volwassen vrouwen die bewust een keuze gemaakt hebben en de gevolgen daarvan evengoed zullen moeten dragen. 

Wat ze in Raqqa precies hebben gedaan, weten we niet. Dat zal een eventueel gerechtelijk onderzoek moeten uitwijzen. Wat we wel weten, is dat Bouchra en Tatiana tot twee keer toe zijn afgereisd naar het "kalifaat"; in 2014 waren ze teruggekeerd naar ons land om hier te bevallen. Een jaar later stonden ze alweer in Syrië. Op de sociale media deelde Bouchra achteraf een sneer uit naar het team van deradicaliseringsexperten dat hen na hun terugkomst had omringd, en bedreigde ze politieagenten.

Ik vroeg het hen dan ook rechtuit: of ze zich ervan bewust zijn dat ze allerminst met open armen ontvangen zouden worden, als ze ooit terug zouden kunnen keren naar België?

Ja, antwoordden Bouchra en Tatiana, en dat ze beseffen dat ze zullen moeten boeten voor de fouten die ze gemaakt hebben. Geen van beiden twijfelde aan de rechtvaardigheid van die straf. Wél willen ze een toekomst voor hun kinderen: dat zij in veiligheid naar school kunnen gaan en opgroeien.

Dat was hun boodschap, en die moet ik als journalist laten horen. Erover oordelen is niet aan mij, laat staan er een besluit uit trekken. Dat is aan de bevoegde instanties – maar daarover later in dit stuk meer.

De volgende dag raakten we op dezelfde manier het gevangeniskamp Al-Roj binnen, het beruchtste van de drie grote kampen in Noord-Syrië. Berucht, omdat er enkel vrouwen en kinderen van foreign fighters zitten, en geen “gewone” vluchtelingen zoals in Al-Hol. Zo’n 485 vrouwen, westerlingen maar evengoed Tunesiërs en Egyptenaren, samen met een duizendtal kinderen. In dit kamp had nooit eerder een journalist vrije toegang.

Het feit dat ze bestaan, kan je niet meer ontkennen. Wat gaan we daar als land mee doen? En vooral: met hun kinderen?

We spraken er met Selin, de dochter van een Turks-Vlaamse vader. Haar verhaal klonk erg gelijkaardig aan dat van de dag voordien. De echte verrassing volgde ná het gesprek, toen onze aanwezigheid in het kamp als een lopend vuurtje de ronde deed: blanke mannen met een camera! Ongezien. De ene na de andere klampte ons aan. Tien Belgische meisjes en vrouwen zaten er volgens hen nog in het gevangeniskamp, samen met hun kinderen.

Dan stel ik mij de vraag: wat gaan we daar als land mee doen? Het feit dat ze bestaan én dat ze een specifieke vraag hebben, kan je niet meer ontkennen. En vooral: wat gaat er met die kinderen gebeuren?

Wil België het wel weten?

Even uitzoomen. Momenteel zijn er nog drie regio’s waar de families van IS-strijders verblijven. Er is het laatste IS-territorium in de grensregio tussen Syrië en Irak, nabij de stad Abu Kamal. Wie niet kon ontsnappen of er bewust voor gekozen heeft om bij IS te blijven, zit daar verscholen in een uitgebreid woestijngebied. Verder zijn er de drie kampen in het noorden van Syrië, waar wij er twee van bezocht hebben en waar de fall-out van o.a. de slag om Raqqa en Deir Ez-zor is terechtgekomen. En ten slotte is er nog een groot gevangeniskamp in de buurt van Bagdad, waar zo’n 1.500 vrouwen en kinderen opgesloten zitten. Zij hebben de slag om Mosul en de oorlog in Irak overleefd.

Voor Irak is de situatie nog vrij duidelijk: daar heeft ons land diplomatieke banden mee. De gevangenen op hun grondgebied zullen berecht worden volgens het Iraaks recht, en riskeren daarbij de doodstraf. 

Alleen weet niemand wie er precies berecht zal worden. Hoe kan het in godsnaam dat er acht maanden na de herovering van Mosul bijvoorbeeld nog steeds geen lijst opgemaakt is van de gevangenen in dat kamp in Bagdad? Of is die lijst wel gemaakt, en mogen we die niet inkijken? Het stemt tot nadenken. Hebben het Internationale Rode Kruis en de VN-organisaties toegang tot die vrouwen en kinderen? Moet ons land de rechtsgang in Irak op z’n minst niet kunnen observeren? Krijgt onze diplomatie informatie over de Belgen in de kampen? 

Het is aan ons, journalisten, om die vraag te stellen.

Maar dat is nog niets vergeleken met de situatie in Syrië, waar wel een internationale omerta lijkt te hangen over de opgesloten Syriëstrijders, hun vrouwen en hun kinderen. Men verzwijgt het probleem, houdt zich er liever niet mee bezig. Anderzijds vertellen mijn bronnen in veiligheids- en juridische kringen me dat ze toch liever wél weten waar die gevangenen precies zitten. Dan kunnen ze later ook niet plots weer opduiken, op een onverwacht moment of op een onverwachte plek, en een veiligheidsrisico worden. 

Nu zitten die vrouwen en kinderen in het noorden van Syrië echter opgesloten in een juridisch vacuüm, een internationaalrechtelijk niemandsland. Zullen zij ooit berecht worden en zo ja, hoe dan?  Het regime wordt door het buitenland amper nog erkend, na de wreedheden van de uitzichtloze oorlog. Damascus lijkt dus uitgesloten. 

Tatiana met haar zoontjes. Alle kinderen van Belgische vrouwen die wij spraken, waren tussen één en vijf jaar oud.

De Koerdische strijdkrachten die de vluchtelingenkampen controleren, zitten intussen verveeld met die buitenlandse vrouwen en kinderen – waaronder dus ook Belgische. Het zijn ongenode gasten die mee hun land hebben verscheurd. Het thuisland van die buitenlanders wordt opgeroepen om zijn landgenoten te komen ophalen. Het officiële standpunt van ons land is echter dat Rojava, het Koerdische gebied in Noord-Syrie waar de kampen liggen, geen staat is waar diplomatieke relaties mee onderhouden worden. Militaire relaties zijn er echter wel. De Koerdische strijders hebben, gesteund door het Westen, immers de voornaamste strijd geleverd tegen IS. En laat het nu net die bondgenoot zijn die nu wel opgezadeld zit met de menselijke fall-out van die strijd. 

Tegelijk vertellen Koerdische officials van de YPG me dat ze er nog niet aan denken om die vrouwen zelf te berechten zoals dat in Irak gebeurt. Daar hebben ze de capaciteit niet voor, zeker niet nu de Koerdische strijdkrachten hun handen vol hebben met het conflict met Turkije om Afrin. 

Belgische vrouwen en kinderen zouden op eigen houtje de Turkse grens moeten oversteken om zich daar aan te geven. Bizar en riskant, want wie zegt dat ze onderweg niet verdwijnen? 

Belgische vrouwen en kinderen in Koerdische gevangenschap kunnen in theorie enkel rekenen op een ingrijpen van onze overheid als ze zich op voorspraak van onze autoriteiten aanmelden bij de Belgische ambassade in Turkije. Die voorspraak is belangrijk: enkel dan mogen ze de kampen verlaten. Vervolgens zouden ze op eigen houtje de Turkse grens moeten oversteken om zich daar aan te geven. Bizar en riskant, zou ik zo denken, want wie zegt dat ze niet onderweg ergens verdwijnen en een potentieel gevaar worden voor onze samenleving?  Een zeker wantrouwen is hier gerechtvaargdigd, zeker gezien de manier waarop Bouchra en Tatiana na hun kortstondige terugkeer ontsnapten aan het deradicaliseringsteam dat hen omringde. Maar hun kinderen kan je dat moeilijk ten laste leggen.

“Kom ze halen, en berecht ze zelf.” Dat is hun boodschap, klaar en duidelijk. Volgens hen hebben Canada en Denemarken, toch bondgenoten van ons, al stappen gezet om hun onderdanen te repatriëren, juridische obstakels of niet. In Al-Hol, het kamp waar Bouchra en Tatiana opgesloten zitten, beweerden de vrouwen dan weer dat er al Zweedse en Nederlandse inlichtingendiensten gesignaleerd waren.

Dan moet het toch zijn dat er wel iets mogelijk is.

Vergeetput van de geschiedenis

Opnieuw: deze discussie mag niet verzanden. Het gaat hier niet over mannelijke IS-strijders, maar over de vrouwen en, vooral, de kinderen van Belgische foreign fighters. Vorige week nog drukte Nadim Houry van Human Rights Watch, die enkele van die kinderen ontmoette, in Terzake zijn verbazing uit. “In Frankrijk noemen ze zulke kinderen tikkende tijdbommen”, zei hij. “Maar ik heb ze gezien, en ik kan me moeilijk voorstellen dat een kind van drie, dat de hele tijd bij zijn moeder heeft doorgebracht en vaak niet eens naar school is gegaan, te gevaarlijk is voor de maatschappij.” 

Welke diplomatieke stappen moet ons land nu zetten? Wat zijn de implicaties daarvan? Of zal de positie van ons land in deze kwestie vooral bepaald worden door politieke keuzes? Die vragen zal ik niet beantwoorden in dit stuk. Wat ik wél kan, is de realiteit tonen, een stem geven aan mensen die anders niet gehoord worden. En dat hebben we gedaan. We weten nu waar deze vrouwen en kinderen zitten en we kennen hun identiteit. Nu zijn het diegenen die moeten beslissen, die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen.

Maar één ding is zeker: we kunnen hier niet over blijven zwijgen. We kunnen het lot van deze vrouwen en kinderen niet blijven negeren, net zomin als de risico's die eraan verbonden zijn. Er moet gehandeld worden en er moeten knopen doorgehakt. Anders aanvaarden we dat ze verdwijnen in de vergeetput van de geschiedenis omwille van de zonden van hun vaders..

Video player inladen ...