100 jaar geleden: De laatste onthoofding in België

Op 26 maart 1918 werd in Veurne de 26-jarige beroeps­onderofficier Emiel Ferfaille met de guillotine onthoofd. Het was de eerste onthoofding in België sinds meer dan een halve eeuw en meteen ook de allerlaatste.

Op zaterdag 27 oktober 1917 heeft de 20-jarige Rachel Ryckewaert de hele dag in de groentewinkel van Florimond Seru in Veurne gewerkt. ’s Avonds vertrekt ze naar haar thuis. Daar zal zij echter nooit arriveren. Voor haar ouders niet meteen reden tot ongerustheid, want ze wonen vlak bij het station, dat regelmatig met Duitse granaten wordt bestookt.

Omdat het in die buurt dus niet veilig is, blijft Rachel vaak in de woning van haar werkgever overnachten. Pas wanneer de ouders op zondag vernemen dat hun dochter al de vorige avond vertrokken is, slaan zij in paniek en melden de verdwijning van hun dochter bij de Rijkswacht.

Rachel Ryckewaert naast een neefje van haar werkgever ( uit Siegfried Debaecke: De laatste onthoofding).  De beginfoto is een onthoofding in Frankrijk in 1909, van de laatste Belgische bestaan geen foto's.

Nog diezelfde dag zoekt de rijkswacht een aantal familieleden en kennissen van Rachel op. Zo wordt ook haar vriend wachtmeester Emiel Ferfaille ondervraagd.

Als beroepsvrijwilliger heeft hij in 1910 dienst genomen bij het Belgische leger. Nu is hij verantwoordelijk voor de voedselbevoorrading van het 2de regiment Zware Artillerie. Zo doet hij regelmatig inkopen in de groentezaak van Florimond Seru, waar hij een tijdje geleden Rachel heeft leren kennen. Sinds enige tijd hebben zij een verhouding met elkaar.

Rachel (staande, 2e van links) en naast haar, haar vriend Emiel Ferfaille en verder haar ouders, haar zusters en broer en enkele soldaten (uit Siegfried Debaecke: De laatste Onthoofding)

Op maandagochtend merkt groentehandelaar Seru dat in zijn tuin een stuk aarde is omgewoeld. Twee rijkswachters vinden onder een laagje aarde het lijk van de verdwenen Rachel. Rond haar hals een koord, haar hoofd vertoont een diepe wonde.

Als eerste verdachte wordt Emiel naar die plaats gebracht. Omdat het om een militair gaat, komt het onderzoek in handen van krijgsauditeur Everard. Wanneer hij onderzoekt waar Emiel was op de dag van de moord, stelt hij vast dat zijn verdachte een sterk alibi heeft. Hoewel Emiel ondertussen zijn onschuld staande houdt, wordt hij toch overgebracht naar de gevangenis van Veurne.

Rijkswachters op de markt in Veurne ( uit Siegfried Debaecke: De laatste onthoofding)

Enkele dagen later ontvangt Everard het autopsieverslag, Rachel blijkt reeds enkele maanden zwanger te zijn. Ondertussen krijgt Everard van verschillende getuigen te horen dat Emiel helemaal niet van plan was om met Rachel te trouwen.

Ferfaille houdt er nog een tweede vriendin op na : Augusta, een 28-jarige boerendochter uit Hoogstade – ongeveer 10 km van Veurne. Enkele weken geleden heeft Ferfaille haar nog een dure verlovingsring geschonken. Met instemming van Augusta’s ouders zou Ferfaille binnenkort met haar trouwen. Groot is uiteraard hun schok wanneer zij vernemen dat Ferfaille ook in Veurne een vriendin had, die bovendien zwanger van hem was.

Rachel tijdens de oogst en de aanhef van een brief van Emiel aan haar (uit Siegfried Debaecke: De laatste onthoofding)

Eerst blijft Ferfaille alles ontkennen. Pas een week later bekent hij dat hij de 20-jarige Rachel heeft vermoord. Nadat zij hem verteld had dat zij zwanger was, zag hij geen andere uitweg.

Ten onrechte beweren sommige boeken over de Eerste Wereldoorlog dat het hier om een verkrachting en lustmoord ging.  Weliswaar beweerde Ferfaille eerst dronken te zijn geweest en Rachel te hebben willen “gebruiken”, maar later geeft hij toe met voorbedachtheid te hebben gehandeld.

Hij stond trouwens bekend als een gedisciplineerd en ernstig militair. Hij bekent dat hij haar portemonnee meenam om de indruk te geven dat het om een roofmoord ging. Eerder beweerde hij dat Rachel een grote som van hem had gekregen en liet zelfs een valse schuldbekentenis zien, om het onderzoek te misleiden.

Foto van Ferfaille op zijn militaire identiteitskaar en zijn doodvonnis (uit Siegfried Debaecke: De laatste onthoofding)

Na zijn bekentenis belandt Emiel Ferfaille voor de krijgsraad, die hem op 15 januari ter dood veroordeelt. Twee weken later wordt de straf in beroep bevestigd door het Militair Gerechtshof. De advocaten dienen meteen een gratieverzoek in maar de koning weigert genade te verlenen.

Dat stelt een probleem. Als militair is Ferfaille door het krijgsgerecht veroordeeld, maar omdat het om de moord op een burger gaat, is het gewone strafwetboek van kracht. Hij moet dus worden onthoofd, niet gefusilleerd. Maar hoe?

België heeft dan nog een guillotine en zelfs een officiële beul, maar beide bevinden zich in het bezette deel van het land. Bovendien heeft de beul nooit dienst gedaan, want er was al meer dan een halve eeuw geen onthoofding meer geweest. Minister van Justitie Henry Carton de Wiart beslist daarom een beroep te doen op de Franse beul.  De Belgen betalen de kosten, inclusief het transport en het hotel van de beul.

De Franse 'meesterbeul' Anatole Deibler en schilderij van een terechstelling door hem uit 1909 (BnF Gallica)

Op 23 maart vertrekt Anatole Deibler, de “executeur des hautes oeuvres” of meesterbeul van Frankrijk, met twee helpers per trein uit Parijs. De in kisten verpakte guillotine gaat mee in een gesloten wagon.

De reis verloopt niet zonder problemen, want de trein moet langs Amiens, net als de Duitsers hun zware lente-offensief in de richting van die stad zijn begonnen. In en rond Amiens heerst een grote chaos, maar uiteindelijk weet de trein Duinkerke te bereiken,  waar het gezelschap met de lugubere lading meteen doorreist naar Veurne.

De onthoofding is gepland voor 25 maart. Maar de stad wordt al enkele dagen voortdurend door de Duitse artillerie beschoten. Een groot deel van de bevolking vlucht. De executie wordt met een dag uitgesteld.

Verwoestingen in Veurne door de Duitse beschietingen in het voorjaar van 1918 (uit Siegdried Debaecke: De Laatste onthoofding)

De Grote Markt, een traditionele plaats voor executies, lijkt niet veilig. Besloten wordt de guillotine op te stellen in de binnenkoer van de gevangenis.

In de vroege ochtend van 26 maart 1918 wordt Emiel Ferfaille naar de guillotine geleid. Omdat volgens de wet de terechtstelling in het openbaar moet verlopen, wordt het publiek kort daarvoor op de binnenplaats toegelaten. Er is weinig plaats maar er valt weinig te zien.  Deibler, die in zijn lange carrière aan 395 onthoofdingen zou meewerken, heeft de reputatie zeer snel en efficiënt te werk te gaan. Het is maar een kwestie van seconden voor de enkele tientallen nieuwsgierigen zien dat de 30 kg zware valbijl naar beneden zoeft…

Aquarel van Joe English dat de onthoofding van Ferfaille helemaal fout voorstelt: die vond niet plaats op de markt in Veurne, er was geen schavot en zeker niet zoveel toeschouwers (uit Siegfried Debaecke: De laatste onthoofding)
Tekening van een executie door Deibler en karikaturen van de man (BnF Gallica)

Hoe kon dit gebeuren?

Vroeger stond in het Belgisch Strafwetboek een zeer kort artikel 8 : “Iedere ter dood veroordeelde wordt onthoofd.” Die bepaling was een rechtstreekse erfenis van de Franse Revolutie. Toen was de guillotine ingevoerd, die geacht werd de snelste en meest humane vorm van executie te zijn.

In het onafhankelijke België was de doodstraf nooit echt populair geweest. Bij de onafhankelijkheid in 1830 waren er pleidooien voor afschaffing van de straf. In de eerste jaren daarna waren er geen executies en ook later werd de grote meerderheid van de terdoodveroordeelden begenadigd.

Tekeningen van diverse terechtstellingen in Frankrijk uit het tijdschrift L' Oeil de la Police ( BnF Gallica)

In 1867 besliste de liberale minister van Justitie Jules Bara, die tevergeefs geprobeerd had de doodstraf uit het strafwetboek te laten schrappen, dat voortaan ieder doodvonnis via het koninklijk genaderecht in levenslange hechtenis zou worden omgezet, zelfs als de veroordeelde niet om genade zou vragen.

Enkele jaren daarvoor, in 1863, had de guillotine voor de laatste keer gewerkt. Hoewel die beslissing niet bindend was voor zijn opvolgers, schiep Bara een gewoonte die bleef bestaan. De doodstraf was ‘de facto’ afgeschaft. De assisenhoven veroordeelden nog wel misdadigers ter dood, wetende dat ze niet zouden worden terechtgesteld.

Belgische artillerie-eenheid op de markt in Veurne ( uit Siegfried Debaecke: De Laatste onthoofding)

Krijgsraden

De Eerste Wereldoorlog vormde een uitzondering op deze gewoonte. Voor de gewone justitie veranderde er niets, maar door de oorlog werden militaire rechtbanken – krijgsraden – bevoegd om straffen uit te spreken in verband met misdrijven in de oorlog. Daaronder ook de doodstraf, maar dan wel door het vuurpeloton, of “de dood met de kogel”.

In meer dan vier jaar spraken de krijgsraden liefst 222 doodstraffen uit, maar daarvan werden er slechts twintig uitgevoerd. De meeste executies gebeurden in de eerste maanden van de oorlog, in een sfeer van verwarring en paniek. 

Onder die twintig terechtgestelden waren er vier Belgische burgers die voor spionage waren veroordeeld, en vier Duitsers, wegens spionage of oorlogsmisdaden. Negen Belgische militairen werden gefusilleerd om redenen die louter militair te noemen zijn. Ze verlieten hun post, liepen weg uit hun eenheid en/of gehoorzaamden niet aan bevelen. Hun doodvonnissen waren meestal zeer omstreden. Hun proces verliep in veel gevallen niet eerlijk, hun veroordeling was soms zonder meer onwettig en vaak kregen ze niet de kans een genadeverzoek in te dienen.

In een latere fase van de oorlog verliep alles veel geregelder. Er werden dan ook vrijwel geen doodstraffen meer uitgevoerd. De meeste ter dood veroordeelde militairen kregen genade en werden naar een strafcompagnie gezonden, waar ze hard, onaangenaam en vaak ook gevaarlijk werk moesten verrichten.

De onthoofding van Ferfaille kreeg weinig weerklank in de pers en aanvankelijk kreeg de veroordeelde zelfs een foute naam, namelijk Van den Houcke (hetarchief.be)

Toch waren er uitzonderingen. Drie militairen die wegens moord waren veroordeeld, werden wel geëxecuteerd. Koning Albert I weigerde in hun geval genade te verlenen. De koning vond het onrechtvaardig dat een moordenaar veilig in de gevangenis zou zitten, terwijl onschuldige militairen aan het front voortdurend in doodsgevaar verkeerden.

Twee van de drie veroordeelden hadden een andere militair met hun dienstwapen doodgeschoten. In dergelijke gevallen is het militair strafrecht van toepassing en volgde de dood met de kogel.

In het geval van Emiel Ferfaille ging het echter over de moord op een burgermeisje en werd dus nog eens de (Franse) guillotine bovengehaald.

Minister Carton de Wiart, van Justitie, vond dit gebeuren niet voor herhaling vatbaar. Nog in 1918 voegde de Belgische regering via een besluitwet een extra zin bij artikel 8: “De doodstraf wordt evenwel uitgevoerd met de kogel, wanneer de veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt tegen de uitwendige veiligheid van de staat of wanneer hij in oorlogstijd door het militair gerecht veroordeeld is.”

De guillotine zou nooit meer dienst doen op Belgische bodem. Er volgde in de Eerste Wereldoorlog nog één executie, voor moord op een militair, op 3 juni 1918 voor een vuurpeloton op het strand van Oostduinkerke.

De zin “Iedere ter dood veroordeelde wordt onthoofd” zou pas in 1996 uit het strafwetboek verdwijnen, toen de doodstraf in België definitief werd afgeschaft.

Beluister hier het gesprek uit "De ochtend" op Radio 1 over de laatste onthoofding in België:

Meer lezen over deze laatste onthoofding? Siegfried Debaecke schreef voor uitgeverij De Klaproos het boek "De laatste onthoofding. De fascinerende speurtocht naar de laatste onthoofding in België".

Vakantiefoto van Anatole Deibler met familie en kennissen aan zee. Henri Desfourneaux was de assistent van Deibler, was er in Veurne ook bij en zou hem opvolgen. De op de foto nog erg jonge André Obrecht, een neef van de vrouw van Deibler, werd de voorlaatste Franse 'meesterbeul. De laatste openbare onthoofding in Frankrijk was in 1939, de laatste onthoofding in 1977.