Wie mocht voor wie stemmen: een tijdslijn

Mannen en vrouwen staan nog maar zeventig jaar naast elkaar in de rij aan het stembureau. Op 27 maart 1948 voert België als een van de laatste landen in Europa het vrouwenstemrecht in. Wie voor wie mag stemmen in België is in twee eeuwen tijd veel veranderd. Steeds meer burgers kunnen stemmen en steeds meer burgers kunnen zich kandidaat stellen. 

     Klik op de iconen voor meer info

Cijnskiesrecht vanaf 1830

In 1831 moet je aan heel wat voorwaarden voldoen om te mogen stemmen. Enkel mannen ouder dan 25 die een jaarlijkse belasting of cijns betalen, mogen naar de stembus. In totaal hebben er in België maar 55 000 mannen stemrecht, één procent van de bevolking. Er zijn bovendien niet zo veel politici om op te stemmen, want ook zij moeten hoge belastingen betalen om zich verkiesbaar te stellen.

Vanaf 1883 mogen ook hoogopgeleiden stemmen voor de gemeente en de provincie. Dat wordt bepaald in de zogenoemde “loi des capacitaires”, te vertalen als de “wet van de geschikten”. Daaronder vallen bijvoorbeeld notarissen, hoge officieren en mensen met een diploma.

Algemeen meervoudig stemrecht voor mannen vanaf 1893

In 1893 komt er verandering: alle mannen ouder dan 25 mogen vanaf nu stemmen, maar sommigen onder hen krijgen meer dan één stem. Wie een belasting betaalt, tot de clerus behoort of een universitair diploma op zak heeft, krijgt één of twee extra stemmen. Hoewel nu twintig procent van de bevolking mag stemmen, wegen de stemmen van de rijke en hoogopgeleide groep nog steeds zwaarder door.

Algemeen stemrecht…vooral voor mannen vanaf 1921

Na de Eerste Wereldoorlog wordt er gevreesd voor sociale onrust. Om de gemoederen te bedaren, kondigt Koning Albert I in een troonrede aan dat alle mannen één stem krijgen. Er wordt ook gediscussieerd over vrouwenstemrecht. Katholieken zijn voor, liberalen en socialisten tegen.


Uiteindelijk komt er een tussenoplossing: vrouwen krijgen stemrecht op gemeentelijk niveau, en mogen daar kandidaat zijn. Op provinciaal en nationaal niveau krijgen ze geen stemrecht, maar mogen ze wel kandidaat zijn, een zogenoemd passief stemrecht. Gehuwde vrouwen hadden toestemming nodig van hun echtgenoot om verkiesbaar te zijn. Oorlogsweduwen en vrouwen die tijdens de oorlog gevangenzaten voor verzetsdaden, krijgen ook extra rechten.

Vrouwen krijgen stemrecht vanaf 1948

De grote verandering in het stemrecht voor vrouwen komt er pas na de Tweede Wereldoorlog. In 1948 krijgen mannen én vrouwen volledig stemrecht. België is samen met onder andere Griekenland en Hongarije bij de laatsten in Europa om het vrouwenstemrecht in te voeren. Het aantal stemgerechtigden stijgt meer dan ooit. Vooral de christendemocraten, toen de CVP, gaan erop vooruit.


Toch bleef het aantal vrouwelijke parlementsleden tot de jaren ’70 beperkt tot amper twee à vier procent. Het is wachten tot 1965 op de eerste vrouwelijke minister. Marguerite Riemaecker-Legot wordt dan minister van Gezin en Huisvesting.


In de jaren ’70 volgt de echte mentaliteitswijziging. Internationaal verandert veel met het VN-Vrouwenverdrag. Daarin staat dat de Verenigde Naties “alle discriminatie tegen vrouwen uitbannen”. In België wordt de Verenigde Feministische Partij opgericht en de Nationale Vrouwenraad organiseert de “stem-vrouwcampagnes”. In 1985 krijgt België zelfs een Staatssecretaris voor Maatschappelijke Emancipatie, Miet Smet van de CVP.

Quota vanaf 1994

Om de aanwezigheid van vrouwen in het parlement te stimuleren, werden er afspraken gemaakt voor de samenstelling van de politieke lijsten. De wet Smet-Tobback, zo heet de wet van 1994 die bepaalt dat maximaal twee derden van de kandidaten op een lijst hetzelfde geslacht mogen hebben.


De quotawet wordt de komende jaren verder verfijnd. Vanaf 2002 moeten de lijsten evenveel vrouwen als mannen tellen. Bij een oneven aantal mag het verschil niet groter zijn dan één. Bovendien mogen de eerste twee kandidaten op de lijst niet van hetzelfde geslacht zijn.


De quota hebben duidelijk hun effect. Hieronder zie je hoe het percentage vrouwen in de parlementen geleidelijk aan steeg:



En nu? – Ritsen?

Nog steeds zijn vrouwen ondervertegenwoordigd in de Belgische politiek. In Vlaanderen waren er bijvoorbeeld maar 13% vrouwelijke burgemeesters na de gemeenteraadsverkiezingen van 2012. In Brussel is daarom het “ritsprincipe” voorgesteld. Volgens dat principe moeten mannen en vrouwen elkaar steeds afwisselen op de lijst. Het principe wordt voor het eerst toegepast bij de gemeenteraadsverkiezingen in oktober, maar enkel in Brussel, en enkel voor de gemeenteraad.