100 jaar geleden: Duits offensief in Frankrijk loopt vast

In deze reeks brengen we grote en kleine gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog, honderd jaar geleden, deze week van 28 maart tot 4 april 1918.Na de grote terreinwinst vorige week loopt het Duitse offensief in Picardië vast, Franse generaal Foch krijgt het bevel over alle Franse en Britse troepen, Duitse granaat maakt bloedbad in Parijse kerk, gevaarlijk kinderspel veroorzaakt drama bij Waregem, ...

Na de spectaculaire terreinwinst van vorige week maakt het Duitse leger in Picardië nauwelijks nog vorderingen.

Op 28 maart begon een Duitse aanval zich richting Arras, in het uiterste noorden van het frontgebied. Maar de Duitse troepen wisten daar amper enkele kilometers te vorderen. De Britten hebben zich op dit terrein al meermalen met succes weten te verdedigen. De daaropvolgende dagen wisten ze weer terrein te heroveren.

Ten westen van het veroverde stadje Albert voeren de Duitsers zware aanvallen uit richting Amiens, maar die zijn door de Britten afgeslagen.

Oude vrouw op een bank in Amiens met haar koe: het Duitse offensief heeft opnieuw een stroom vluchtelingen op gang gebracht. Beginfoto Duitse krijgsgevangenen krijgen thee. Allebei uit de Albums valois, BDIC.

Ten zuiden van de Somme wisten de Duitsers verder door te stoten. Een twintigtal kilometer voor Amiens is het dorp Moreuil aan de Avre (een bijrivier van de Somme) in korte tijd tweemaal door de Duitsers veroverd en tweemaal door Fransen en Britten teruggenomen. In de bossen ten noorden van Moreuil kon de Canadese ruiterij de Duitse opmars stoppen met een cavaleriecharge, een uitzonderlijk verschijnsel in deze loopgravenoorlog.

Vanaf 30 maart vond aan de zuidelijke flank,  tussen Montdidier en Noyon, een nieuwe Duitse aanval plaats. Daar weten de Fransen goed weerstand te bieden en de Duitsers hier en daar terug te dringen.

Uiteindelijk is een Duitse aanval ingezet op Villers-Bretonneux, een stadje amper 15 km ten westen van Amiens.

De voorpagina's van de Parijse krant Excelsior van 1 en 6 april 1918 (BnF, Gallica)

De gevechten verlopen bijzonder hevig en de verliezen zijn dan ook aanzienlijk aan beide kanten. De aanvallen gaan gepaard met zware verwoestingen van dorpen en stadjes die tot nu toe gespaard gebleven waren van het oorlogsgeweld.

De Geallieerden hebben massaal versterkingen uit andere delen van het front laten overplaatsen. Dat verklaart voor een deel waarom de Duitse opmars nu veel moeizamer verloopt.

Bovendien hebben de Duitsers het nadeel dat hun voorraden en munitie moeten worden aangevoerd door een gebied waar wegen en spoorwegen verwoest zijn. Die aanvoer lijkt dan ook niet vlot te verlopen. Volgens de Duitse kranten speelt ook het weer in het nadeel van de aanvallers.

Duitsland kan de deur van het Britse front niet openbeuken, en de Duitse keizer offert tienduizenden op voor zijn groot offensief. Tekeningen van Joseph Staniforth in The Western Mail van 31 maart en 6 april 1918.

Foch generalissimus

De Franse generaal Ferdinand Foch krijgt het opperbevel van de Franse en Britse strijdkrachten aan het Westelijk Front. Hij wordt voortaan aangeduid als generalissimus.

Dit is gebeurd met de uitdrukkelijke instemming van de Britse opperbevelhebber, veldmaarschalk Haig.

De beslissing wordt in Geallieerde middens overal toegejuicht.  Ook de Britse kranten zijn positief over Foch, zeker zij die zich al meermalen kritisch over Haig hebben uitgelaten. Ze prijzen de bekwaamheid van Foch en merken op dat de Franse generaal al sinds 1912 regelmatig contact had met het Britse leger.

"Generalissimus" Foch, tweede van links, met naast hem de Britse generaal Haig. De man met de hoed is de Franse premier Clemenceau. Foto genomen in het station van Amiens in augustus 1918 (Albums Valois, BDIC)

Foch krijgt ook het bevel over de Amerikaanse troepen in Europa. Dat heeft de bevelhebber van het Amerikaanse expeditiekorps, generaal Pershing, laten weten na een bezoek aan Foch. Die Amerikaanse troepen zouden zo snel mogelijk in actie treden, gezien de dreigende situatie.

De komst van Foch lijkt meteen positieve gevolgen te hebben voor de strijd. De eerste beslissingen van de generalissimus lijken het front te stabiliseren, ook al blijft de toestand buitengewoon ernstig. Cruciaal is dat de Geallieerden standhouden voor Amiens. Als die stad valt, zou dat fataal worden voor de verbindingen tussen het noorden (inclusief het stukje onbezet België) en de rest van Frankrijk. Een terugtrekking van de Britse troepen naar de kust zou dan onvermijdelijk kunnen worden.

Op 29 maart zei Foch in een van zijn eerste mededelingen dat er voor Amiens niets te vrezen was. Vijf dagen later zegt hij dit te ‘garanderen’.

"Het opperbevel van Foch als wraak van Napoleon op Wellington" ; De Amsterdammer, 6 april 1918.

Duitse granaat veroorzaakt bloedbad in Parijse kerk

Op 23 maart heeft één granaat een bloedbad aangericht in een kerk in Parijs. Het gaat om een projectiel afgeschoten door de reuzekanonnen die de Franse hoofdstad al een week beschieten.

De kerk zal vol voor een dienst naar aanleiding van Goede Vrijdag, toen de granaat door het dak vloog.

De ontploffing verbrijzelde een zuil van de kerk, waardoor het dak instortte. De aanwezigen werden bedolven onder stenen. De gevolgen waren verschrikkelijk. Er vielen uiteindelijk 92 doden en 68 gewonden.

Het cynische commentaar van tekenaar Albert Hahn in 'De Hollandsche Revue' op de beschieting van de kerk: "De heer heeft mij heerlijk geholpen!" (28 april 1918)

De ramp krijgt extra aandacht omdat er onder de slachtoffers veel vrouwen en kinderen zijn, en ook notabelen en adellijke personen. Zo vonden een Zwitsers diplomaat en de 16-jarige dochter van de Belgische consul-generaal de dood. 

Wereldwijd reageert de pers – en niet alleen in de Geallieerde landen – verontwaardigd over deze nieuwe vorm van Duitse barbarij. De kardinaal-aartsbisschop van Parijs doet een beroep op de “gerechtigheid van God”. Ook de paus protesteert.

Het Weense Kikeriki stelt het offensief in het westen en het bombardement op Parijs voor als een kegelspel, met de Duitse opperbevelhebber Hindenburg en zijn adjunct Ludendorf als superieure spelers (7 april 1918)

Steeds meer Parijzenaars verlaten de stad. De uittocht is zo groot, dat de regering overweegt om het gebruik van particuliere wagens te verbieden. De prefect van Parijs heeft intussen opgedragen de daken van de gebouwen met matrassen te bedekken.

De Duitse persorganen laten intussen weten dat de Fransen hun eigen (door de Duitsers bezette) steden nabij het front beschieten. In Laon is de beroemde kathedraal getroffen. Op Goede Vrijdag vielen er doden in een school en op Paasmaandag werden elf Franse burgers gedood toen een granaat een rouwstoet trof…  

De Parijse krant Excelsior toont een foto van de pastoor van de kerk omringd door kinderen en anderen die aan de dood ontsnapten. De naam van de kerk wordt niet genoemd om de Duitsers geen informatie te geven over welke doelen ze troffen.
Links, "Sire, we wachten tot de mis begint" (Le Journal, 2 april 1918). Rechts, "Goede Sint-Pieter, ik was een Frans koorknaapje" (Le Journal, 31 maart 1918)

“Graaf Czernin heeft gelogen”

De Oostenrijks-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken graaf Czernin heeft voor een ongewoon incident gezorgd.

In een rede tot de Weense gemeenteraad zei hij op 2 april dat de Franse premier Clemenceau, enkele dagen voor het begin van het Duitse offensief in het geheim contact met hem had opgenomen om over vrede te onderhandelen.

Czernin had daar naar eigen zeggen positief op gereageerd, maar er wel aan toegevoegd dat de vraag over een teruggave door Duitsland van Elzas-Lotharingen aan Frankrijk niet ter sprake kon komen. Waarna de contacten werden afgebroken.

De verklaring van Czernin is overal, zeker in Oostenrijk, voorpagina-nieuws

Persagentschappen verspreidden Czernins beweringen meteen over de hele wereld. Dat er regelmatig geheime contacten zijn tussen beide kampen, is geen echte verrassing, maar dat de onbuigzame “Tijger” een vredesaanbod zou gedaan hebben, wekt sensatie.

Clemenceau bevond zich op dat moment aan het front en was niet meteen bereikbaar. Maar de dag daarop telefoneerde hij zelf met het Franse persagentschap Havas om te reageren. Zijn antwoord omvatte maar één zin: “Graaf Czernin heeft gelogen”.

Clemenceau tijdens een van zijn talloze bezoeken aan het front, Beaumont voorjaar 1918. Op 1 april 1918 ontsnapte hij ternauwernood aan de dood, toen niet ver van hem een Duitse bom insloeg. Albums Valois, BDIC.
Volgens Kikeriki bekent Clemenceau aan een boze 'madame Entente' dat hij met zijn voet toch even die Weense heeft betast; rechts de Oostenrijkse keizer Karel  (14 april 1918)

Duitse troepen in Finland

Op 3 april zijn Duitse troepen geland in Hanko in het uiterste zuiden van Finland.

Het gaat om bijna 10.000 man van de Oostzee-divisie onder generaal Rüdiger graaf von der Goltz (een verwant van de veldmaarschalk die in het begin van de oorlog gouverneur-generaal van België was).

De Duitsers komen daarmee openlijk tussen in de burgeroorlog in dat pas onafhankelijke land. Het zuiden van Finland, inclusief de hoofdstad Helsinki, is nog altijd in handen van de “Roden”.

Duitse mitrailleur-sectie in stelling in de omgeving van Helsinki Omniscan 12.4 SR3 Build1759

Vliegtuigen hebben massaal vlugschriften uitgestrooid waarin de Duitsers zichzelf als bevrijders van het bolsjewisme voorstellen. De Rode Garde in Hanko is meteen onschadelijk gemaakt en gevangen genomen.

De Duitse interventie betekent een steun in de rug van de Witte troepen die proberen de belangrijke stad Tampere te veroveren. De Witte regering in Vaasa noemt in een mededeling de Duitse troepen “vrienden” en “wapenbroeders”.

Duitsland doet dit echter niet louter uit vriendschap. Sinds enkele weken worden belangrijke materialen en grondstoffen (hout, ertsen…) vanuit Finland massaal naar Duitsland geëxporteerd, blijkbaar in ruil voor de wapens die de Duitsers aan de Witter leveren.

Zware rellen in Québec

In de Canadese stad Québec zijn er rond de paastijd hevige rellen geweest tegen de dienstplicht. Die is sinds begin dit jaar van kracht maar het verzet daartegen van de Franstalige Canadezen blijft groot.

Het begon toen twee federale politieagenten een jongeman op straat arresteerden, omdat hij geen document kon tonen dat hem vrijstelde van legerdienst. In korte tijd werden de politiemannen omringd door een paar duizend woedende omstaanders.

Ook toen de jongeman later werd vrijgelaten bleef er een woedende menigte op straat roepen. Een politiekantoor werd aangevallen. Ook de volgende dagen bleef het onrustig.

Foto van Joseph Mercier, door wiens aanhouding de rellen losbarstten, en een tekening van de confrontatie tussen politie en manifestanten in La Patrie, 1 april 1918

De Canadese regering zond daarop zo’n 6000 man troepen naar het overwegend Franstalige Québec om de orde de herstellen. Daarbij werden geen Franstalige militairen ingezet, omdat die niet werden vertrouwd.

Op 1 april (Paasmaandag) openden de troepen het vuur op een groep betogers. Er vielen zeker vier doden en meer dan 150 gewonden. De doden waren allen gewone burgers die niet aan politiek deden. Een van hen was 14 jaar oud.

Het zijn de zwaarste onlusten die de jonge Canadese staat gekend heeft. Voor veel Franstaligen lijkt dit het einde van het idee dat ze nog in die staat kunnen blijven leven.

Aankomst in Quebec van de troepen die de opstand moeten onderdrukken
De vier slachtoffers van het optreden van het leger

Drama in de buurt van Waregem

In het West-Vlaamse dorp Nieuwenhove bij Waregem vond een bloedbad plaats toen een gevonden artilleriegranaat ontplofte in een groep kinderen. Een 11-jarige jongen had de granaat de dag daarvoor opgeraapt in een veld en de kinderen waren het tuig aan het bestuderen.

Toen een voorbijganger hen zei om de granaat weg te gooien, deed een van hen dat letterlijk. De granaat viel op een steen en ontploftte.  Zes kinderen stierven ter plaatse, zeven de dagen daarop, net als de voorbijganger. Het jongste slachtoffer was een 7-jarig meisje.  

De begrafenis van enkele van de slachtoffertjes (Foto Stadsarchief Waregem)

Franse feministe veroordeeld

De Franse feministe en vakbondsleidster Hélène Brion is voor de krijgsraad moeten verschijnen op beschuldiging van “defaitistische propaganda”. 

Brion is onderwijzeres en al lang actief in de onderwijzersvakbond, de socialistische partij en diverse feministische organisaties. Zo ijvert ze al jaren – tevergeefs – voor vrouwenstemrecht in Frankrijk. Ze maakt deel uit van het bestuur van de overkoepelende linkse vakbond CGT. In het begin van de oorlog was ze tijdelijk algemeen secretaris van de CGT, omdat de meeste mannelijke vakbondsleiders waren gemobiliseerd.

Postkaart die werd uitgegeven om Hélène Brion te ondersteunen, kort na haar aanhouding (via BnF Gallica)

Omdat ze deelnam aan pacifistische betogingen, werd ze al in juli vorig jaar als onderwijzeres geschorst. In november volgde haar arrestatie.

De Parijse pers voerde een ware beschadigingscampagne tegen haar. Men beweerde dat ze geld had ontvangen van Duitsland, verdachte personen zou hebben verstopt, naar Rusland zijn gereisd, enzovoort… Ook “abnormaal” gedrag, zoals het dragen van mannenkleren.

Karikatuur hekelt de repressie van het "defaitisme" in Frankrijk (uit het Nederlandse tijdschrift De Toekomst, 20 april 1918) en cover van het blad Revue des Causes Célèbres gewijd aan het proces Brion (BnF Gallica)

Voor de krijgsraad hield Brion een indrukwekkende toespraak. Ze werd ervan beschuldigd aan pacifisme te doen “onder voorwendsel van feminisme”, maar zelf beweerde ze het tegendeel: ze was vanuit haar feminisme tot inzicht gekomen dat de slachting moet ophouden. “Ik ben de vijand van de oorlog omdat ik feministe ben, de oorlog is de triomf van brutaal geweld, het feminisme kan enkel overwinnen door morele kracht en intellectuele waarde.” Ze zei ook dat ze niet kon worden vervolgd voor een politiek misdrijf, omdat ze als vrouw geen politieke rechten heeft.

Het proces draaide uit op een demonstratie van pacifisme en feminisme, waarbij vooraanstaande feministes voor haar kwamen getuigen. Uiteindelijk kreeg Brion een lichte straf: drie jaar voorwaardelijk. Maar ze verliest wel haar betrekking in het onderwijs.

Hélène Brion voor de krijgsraad Hasselblad H4D

Oprichting Royal Air Force

Met ingang van 1 april zijn alle Britse luchtstrijdkrachten gebundeld in één organisatie: de Royal Air Force (RAF).

Het gaat om een fusie tussen het Royal Flying Corps van het leger en de Royal Naval Air Service van de marine, die beide kort voor de oorlog waren opgericht.

De nieuwe luchtmacht wordt een zelfstandig krijgsmachtonderdeel, los van leger en marine. De militairen dragen aparte uniformen in hemelsblauwe kleur en de officiersrangen hebben eigen benamingen, zoals ‘air marshall’, ‘wing commander’ en ‘squadron leader’.   De RAF staat onder controle van het begin dit jaar opgerichte Ministerie van Luchtvaart.

Toestellen van de Royal Flying Corps (model R.E. 8) langs de kant van de weg in de omgeving van Bapaume, 25 maart 1918) © IWM (Q 11987)

De RAF beschikt over zowat 20.000 vliegtuigen en luchtschepen – meteen de grootste luchtvloot ter wereld - en heeft 300.000 personeelsleden. Daaronder ook vrouwen, die een apart hulpkorps (de Women’s Royal Air Force) vormen en vooral als mecaniciens dienst doen.

De oprichting van de RAF is het gevolg van een groot hervormingsplan dat vorig jaar werd opgesteld door de Zuid-Afrikaanse generaal Jan Smuts als lid van het Britse Oorlogskabinet.

Mecaniciens van de Women’s Royal Air Force werken aan een Avro 504 © IWM (Q 27255)

Britten moeten energie sparen

Vanaf 2 april gelden in grote delen van Engeland draconische maatregelen om gas en elektriciteit te besparen.

Vanaf 9.30 uur ’s avonds moeten theaters en muziekzalen gesloten zijn. Hotels, restaurants en clubs mogen dan geen warme maaltijdens meer serveren en winkels mogen niet meer verlicht zijn.

De maatregel geldt voor het hele zuiden, zuidoosten en midden van Engeland, inclusief Londen. Hij wordt “curfew” genoemd, naar een middeleeuws voorschrift om ’s nachts alle licht te doven, een verplichting die tot in de 19de eeuw nog in sommige Britse steden bestond.  

Voor heel Groot-Brittannië geldt bovendien een beperking van gas en elektriciteit tot 5/6 van wat in het overeenkomstig kwartaal vorig jaar werd verbruikt. Gezinnen krijgen de raad hun slaapkamers niet meer te verwarmen en geen licht aan te laten in kamers waar het niet nodig is.

Niet alleen energie, maar ook voedsel is schaars aan het worden in Groot-Brittannië. Door de harde winter in de VS en de Duitse totale duikbotenoorlog is de aanvoer verminderd. Even is overwogen om brood te rantsoeneren , "Mrs. Britanni" hoopt dat te vermijden door extra zuinig te zijn en verspilling te vermijden. En de regering heeft een oproep gedaan om nog meer aardappelen te kweken dan in 1917, want " de aardappel is het Britse wapen tegen de duikboot" (Western Mail, 14 en 19 maart 1918)