Ophef in het Verenigd Koninkrijk om (te) dure museumtickets

In Londen vraagt de National Gallery voor het eerst meer dan 20 pond voor een ticket voor een tentoonstelling. Eerder deden andere Britse musea hetzelfde. Sommigen menen dat dit te duur is.

22 pond of ruim 25 euro: zoveel moet u ophoesten als u tijdens het weekend de tentoonstelling "Monet & architecture" in de National Gallery in Londen wil zien. Daarmee verkoopt het beroemde museum voor het eerst tickets die meer dan 20 pond (bijna 23 euro) kosten.

Directeur Gabriele Finaldi geeft toe dat de tickets aan de dure kant zijn, maar houdt vol dat de prijs nodig is om tentoonstellingen van die omvang te organiseren. Bovendien bood de National Gallery vroegboekkortingen aan, zo argumenteert hij, en is de kwaliteit van de schilderijen van die aard dat de ticketprijs gerechtvaardigd is.

Besparingen

Tom Watson ziet dat anders. Hij is de schaduwminister van Cultuur voor Labour, de partij die sinds 2010 in de oppositie zit en naar Britse gewoonte sindsdien een onofficieel kabinet samenstelt.

Hij meent dat de hoge ticketprijs het gevolg is van de gestegen kosten waarmee vele musea kampen. Die vloeien volgens hem voort uit de drastische besparingen die de Conservatieve regeringen de voorbije 8 jaar in de cultuursector hebben doorgevoerd.

Watson vreest dat de hoge ticketprijzen voor minder bemiddelde bezoekers een te grote barrière vormen. "Musea moeten het juiste evenwicht vinden tussen inkomsten verzamelen en voldoen aan hun verplichting om kunst voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk te maken", citeert The Guardian hem.

24 pond

De National Gallery is niet het eerste of enige museum in Londen dat meer dan 20 pond voor een ticket vraagt. Wie "Picasso 1932 - Love, fame, tragedy" in Tate wil bekijken, moet eveneens 22 pond betalen. Vorig jaar vroeg het Victoria and Albert Museum tijdens het weekend zelfs 24 pond (27,5 euro) voor een ticket voor "Pink Floyd: Their mortal remains".