Bijna 20 jaar na dioxinecrisis buigt rechtbank zich nog over schadevergoedingen

Bijna 20 jaar na de dioxinecrisis heeft het federaal voedsel­agentschap vandaag een schadevergoeding geëist voor de strafrechtbank in Gent. Het voedselagentschap eist 24 miljoen euro schadevergoeding van onder meer vetsmelters Verkest, die werden veroordeeld voor onder meer bedrog. Ook andere bedrijven vroegen nog een schadevergoeding op het proces. 

In 1999 barstte de dioxinecrisis los in ons land, nadat dioxines in de voeselketen terecht waren gekomen. Uit onderzoek bleek dat de besmetting zijn oorsprong vond bij het bedrijf Verkest in Deinze en het Waalse bedrijf Fogra. Het bedrijf Fogra leverde met giftige pcb's besmette vetstoffen aan Verkest, die het aan de veevoederbedrijven verdeelde. De Verkests leverden zogezegd gesmolten dierlijk vet aan meng- en veevoederfabrikanten, terwijl het om een mengsel van dierlijk en technisch vet ging.

Het bedrijf Verkest werd later schuldig bevonden aan valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken en bedrog in koopwaar. Vandaag eist het Federaal Voedselagentschap van het bedrijf 24 miljoen euro schade­vergoeding. Ook een aantal veevoederfabrikanten vroegen vandaag schadevergoedingen, samen voor meer dan 10 miljoen euro. De Belgische staat en het Vlaams gewest, die eerder tot 400 miljoen euro vergoeding wilden, hebben zich niet in de zaak gesteld.

Vijf jaar geleden werd Verkest al eens veroordeeld tot schadevergoedingen van alles samen meer dan een miljoen euro, aan verschillende slachtoffers van de dioxinecrisis.