Een massagraf van oorlogsslachtoffers uit de Xiongnu-periode in Mongolië.

De Hunnen brachten de dodelijke "Pest van Justinianus" vanuit Azië naar het westen

Een van de dodelijkste epidemieën uit de geschiedenis van de mensheid is waarschijnlijk verbonden aan de migratie van de Hunnen naar het westen. De Pest van Justinianus, die in 541 toesloeg en tot 750 zou woeden, had volgens een nieuwe studie haar oorsprong in Azië, en niet in Egypte zoals tot nu toe werd aangenomen. Dat blijkt uit DNA-onderzoek van skeletten. Ook hebben de onderzoekers het oudste bewijs voor het voorkomen van het hepatitis B-virus bij de mens gevonden.

De Pest van Justinianus was een pandemie die in het jaar 541 van onze tijdrekening uitbrak in het Byzantijnse Rijk. Ze werd genoemd naar Justinianus I, Justinianus de Grote, de toenmalige keizer van Byzantium, die zelf besmet zou geraakt zijn maar de ziekte overleefde, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten.  

Oorzaak van de plaag was builenpest, net zoals bij de Zwarte Dood 800 jaar later, en geschat wordt dat de pandemie in eerste instantie 25 miljoen mensen het leven kostte in Centraal- en Zuid-Azië, Noord-Afrika, het Middellandse Zeegebied en Europa tot aan Denemarken en Ierland toe. De pest zou elke generatie, om de 20 jaar ongeveer, opnieuw de kop opsteken in het Middellandse Zeegebied tot 750, en mogelijk heeft ze in totaal zo'n 100 miljoen mensenleven geëist. Na 770 zijn er geen uitbraken meer, en Europa blijft gespaard van grote epidemieën tot de uitbraak van de Zwarte Dood in de 14e eeuw.

Tot nu toe werd gedacht dat de ziekte waarschijnlijk voor het eerst in Ethiopië is uitgebroken, en zich vervolgens verspreid heeft naar Egypte. Vanuit de Egyptische havensteden zou de pest zich dan in het Middellandse Zeegebied verspreid hebben, en ook naar Constantinopel, de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, dat grote hoeveelheden graan uit Egypte importeerde. En met graan komen onvermijdelijk ook ratten mee, die vlooien hebben die besmet kunnen zijn met de pestbacterie Yersinia pestis.

Een mozaïek van Justinianus I in de San Vitale-kerk in Ravenna.

DNA wijst naar Azië

Een nieuwe studie wijst nu echter Oost- of Centraal Azië aan als de plaats waar de ziekte voor het eerst is uitgebroken. De migraties van de nomadische stammen die de Romeinen de Hunnen noemden, hebben de pest dan waarschijnlijk naar het westen gebracht.

Die conclusie is gebaseerd op DNA-onderzoek van 137 menselijke skeletten, die opgegraven zijn in de Euraziatische steppe. Die beslaat een enorm gebied, en loopt over een afstand van 8.000 kilometer van Hongarije tot het noordoosten van China. De skeletten dateren van 2500 v.C. tot 1500 van onze tijdrekening.  

In een artikel in "Nature" beschrijft het internationale team onder leiding van de Deense geneticus Eske Willerslev, hoe ze de genomen van de 137 individuen sequencen, en bij twee van hen DNA vinden van een stam van de pestbacterie. Die blijkt verwant te zijn aan de stam die verantwoordelijk is voor de Pest van Justinianus.

"Bij sommige van deze Hunnen vinden we de basisvorm van de Pest van Justinianus, die miljoenen mensen heeft afgemaakt in Europa", zei Willerslev aan BBC News. 

Het DNA van de pestbacterie Yersinia pestis is aangetroffen bij een Hun uit het Tian Shan-gebergte in Centraal-Azië, die rond 200 van onze tijdrekening is gestorven. De stam uit Tian Shan is meer "basaal" dan de Justiniaanse stam, wat wil zeggen dat hij verder op de stamboom van de pest ligt en dus een voorouder is van de stam die de Pest van Justinianus veroorzaakt heeft. 

"Onze stam dateert uit 200 van onze tijdrekening, meerdere honderden jaren dus voor de Pest van Justinianus in Europa woedde", zei mede-auteur Peter de Barros Damgaard van de universiteit van Kopenhagen aan de BBC. 

Het tweede geval gaat om een stam die verwant is aan de Justiniaanse stam,  en die is aangetroffen bij een individu uit Noord-Ossetië in de noordelijke Kaukasus. Het is moeilijker vast te stellen wanneer deze Hun gestorven is, maar waarschijnlijk was dat tussen de zesde en de negende eeuw.  

Hunnen op strooptocht. Een romantische voorstelling uit 1890.

Een alliantie van nomaden

De Hunnen waren geen volk maar een alliantie van verschillende groepen nomaden, zoals de Scythen en mogelijk de Xiongnu, die samenwerkten om hun macht en hun grondgebied te vergroten. 

De Scythen stonden bij de Grieken en de Romeinen bekend als uitzonderlijk goede ruiters die op de grens tussen Europa en Azië leefden. De Xiongnu leefden meer naar het oosten en zijn bekend uit Chinese kronieken. Ze vochten een bloedige oorlog uit met de Han-dynastie in China. 

De Hunnen begonnen hun trek naar het westen waarschijnlijk in de tweede of derde eeuw v.C., en ze verschijnen aan de grenzen van het Romeinse Rijk in de vierde eeuw n.C. Ze stichtten een kortstondig rijk in Europa door andere stammen te verdrijven of te onderwerpen, en ze ondernamen strooptochten in het West-Romeinse Rijk en ook in het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk.

Ze waren berucht voor hun vechtlust en hun wreedheid, iets wat gepersonifieerd werd door Attila, hun leider die talloze militaire campagnes tegen Rome ondernam. Onder Attila bereiken de Hunnen het toppunt van hun macht, maar na zijn dood in 453 valt hun rijk snel uiteen.  En intussen hadden ze waarschijnlijk dus de pest tot aan de poorten van de beide Romeinse rijken gebracht. 

Een portret van "Attila de Hun" door beeldhouwer George S. Stuart (foto: Peter d'Aprix/Wikimedia Commons)

Krengen van paarden

DNA-analyse van de pest-stam heeft aangetoond dat hij mutaties bezat die het mogelijk maken dat de ziekte overgedragen wordt door vlooien, zoals later bij de Zwarte Dood ook het geval was. Of dit de belangrijkste manier was van besmetting in de zesde eeuw, is echter niet geweten. 

"Een interessante speculatie is dat in oude Chinese historische bronnen opgetekend staat dat de Xiongnu-krijgers aan biologische oorlogsvoering deden, door krengen van dode paarden in waterbronnen te gooien", zo zei doctor de Barros Damgaard aan de BBC. 

"Ik speculeer graag dat dit de kweekplaats voor de pest zou geweest zijn, en ook dat het traject bij de mens verbonden zou zijn geweest met paarden, maar ik kan het op geen enkele manier bewijzen."

Yersinia pestis, de pest-bacterie (foto: Centers for Disease Control and Prevention).

Oudste bewijs voor hepatitis B bij mensen

Een andere studie in "Nature", eveneens door een team onder leiding van Eske Willerslev, brengt verslag uit over het oudste bewijs voor het hepatitis B-virus bij de mens. Die ontdekking komt voort uit de virale sequentie van stalen van twaalf skeletten uit de steppe. Het oudste daarvan is 4.500 jaar oud.

"Mensen hebben al decennia lang geprobeerd de geschiedenis van hepatitis B te ontwarren - deze studie transformeert ons begrip van het virus en toont aan dat het al vanaf de bronstijd mensen getroffen heeft", zo zei Barbara Mühlemann op de website van de University of Cambridge.  Mühlemann is een doctoraatstudent in Cambridge en samen met doctor Terry Jones de belangrijkste auteur van de studie over het hepatitis-virus.  

"We hebben ook getoond dat het mogelijk is om virale genetische sequenties terug te vinden in stalen die zo oud zijn, iets wat belangrijke wetenschappelijke implicaties zal hebben", zo zei ze.  

Voor deze studie waren de oudste menselijke virussen die onderzoekers ontdekt hadden, zo'n 450 jaar oud, maar de meeste waren niet ouder dan 50 jaar. 

"Onderzoekers bestuderen voornamelijk moderne virusstammen, en we zaten zo goed als in het donker wat oude sequenties betreft, tot nu. Het was alsof we evolutie trachten te bestuderen zonder fossielen. Als we alleen de dieren die nu leven zouden bestuderen, zou ons dat een zeer onjuist beeld geven van hun evolutie - het is hetzelfde met virussen", zo zei doctor Terry Jones op de site van de University of Cambridge. Mede-hoofdauteur van de studie Jones werkt in Cambridge en is gespecialiseerd in de evolutie van pathogenen, ziekteverwekkers. 

Het is nu mogelijk om een beter begrip te krijgen van het hepatitis-virus. Aantonen dat het virus al sinds minstens de bronstijd bij mensen circuleert, is op zich al een grote wetenschappelijke vooruitgang, aangezien eerdere pogingen om te schatten hoelang het virus al besmet, uiteenliepen van 400 jaar tot 34.000 jaar. De genetische opmaak van de oude stam kan ook gevolgen hebben voor het verbeteren van vaccins voor hepatitis B.

"Deze studie is slechts een begin", zo zei professor Willerslev. "We spreken hier over een enkel virus, maar er zijn een boel andere virussen waar we naar kunnen kijken."