"Eehhmmmm". Een Duits meisje in Leipzig in 1947. Deutsche Fotothek CC-BY-SA 3.0

Waarom u "ehm" zegt voor bepaalde woorden

Waarom gaan we soms langzamer of net sneller spreken , houden we een langere pauze voor een woord, of werpen we er een "ehm" tussen? Onderzoekers hebben ontdekt dat als mensen midden in een zin zitten en trager gaan spreken, of een woord wil hen niet te binnen schieten, zodat ze "ehm" zeggen om tijd te winnen, dat de kans dan groot is dat het eerstvolgende woord dat ze uitspreken een substantief is en geen werkwoord. 

Mogelijk heeft dat er mee te maken dat het visualiseren van een zelfstandig naamwoord voor we het uitspreken, tijdelijk onze spraak vertraagt, terwijl "actieve woorden" als een werkwoord minder tijd vragen om ze te "zien" in ons hoofd voor ze uit onze mond komen, zo zeggen de onderzoekers. 

Ieder stukje gesproken taal wordt voortgebracht met een bepaalde snelheid, maar die snelheid is lang niet constant: sprekers vertragen en versnellen regelmatig onbewust hun spraak. De spreeksnelheid wordt beïnvloed door een complexe combinatie van factoren, waaronder de frequentie, de vertrouwdheid en de voorspelbaarheid van de gebruikte woorden.

Uit eerder onderzoek was al gebleken dat pauzes die voorafgingen aan niet vertrouwde of moeilijke woorden, de relatieve moeilijkheidsgraad van het plannen van dergelijke woorden weerspiegelden. Een internationaal team onder leiding van taalkundige Frank Seifart van de Universiteit van Amsterdam, in samenwerking met onder meer de Universiteit Leiden, wilde de spraaksnelheid gebruiken als een index voor de planning in ons hoofd van het uiten van woorden. Met een nieuwe benadering keken ze daarvoor naar het tijdsbestek waarin sprekers de productie voorbereiden van woorden uit de twee belangrijkste lexicale klassen - woordsoorten: zelfstandige naamwoorden en werkwoorden. 

Een fragment van een afbeelding uit de "Codex Mendoz" uit 1541. De Azteken beelden de daad van het spreken uit door een luchtwolkje, een beetje zoals de tekstballonnetjes in stripverhalen.

289.000 woorden uit negen verschillende talen

Voor hun nieuwe studie analyseerden de onderzoekers duizenden opnamen van spraak, en keken naar het ritme van in totaal 288.848 woorden. 

"We hebben opnames geanalyseerd van natuurlijke spraak van negen taalkundig en cultureel verschillende populaties van over de hele wereld, uit onder andere het Amazonegebied, Siberië, de Himalaya en de Kalahari-woestijn, maar ook de V.S. en Nederland", zo zei Seifart op de website van de Universiteit Leiden. "We maten het spreektempo in termen van hoeveel segmenten ("letters") per seconde werden uitgesproken en in termen van pauzes tussen woorden. Hieruit kwam naar voren dat in al de negen talen een sterke neiging bestaat langzamer te gaan spreken voorafgaand aan een substantief dan voorafgaand aan een werkwoord. Daar keken we behoorlijk van op, omdat in eerder onderzoek werd gesteld dat werkwoorden meer tijd vergen om te plannen."

In al de negen onderzochte talen ontdekten de onderzoekers dat pauzes - of er nu niets gezegd of ze opgevuld werden met een stoplap als "ehm" - 60 procent meer kans hadden voor te komen voor een substantief dan voor een werkwoord. De onderzoekers vonden verder ook dat mensen dubbel zoveel de neiging hadden te "hummen" en te "kuchen" voor ze een substantief uitspraken dan een werkwoord, zelfs als dat werkwoord complex of niet vertrouwd was.

De resutaten van het team wijzen erop dat juist substantieven meer planning vereisen. De onderzoekers denken dat dit komt doordat substantieven nieuwe informatie toevoegen. Substantieven worden immers enkel gebruikt als er nieuwe informatie gepresenteerd moet worden. Als dat niet het geval is, wordt een substantief vervangen door een voornaamwoord als "hij", "zij", of "het", of door niets. 

"Als uit de voorafgaande informatie al is gebleken dat het om een man gaat, dan wordt in vervolguitingen "hij" gebruikt in plaats van "de man", of er wordt helemaal niets gebruikt. Je zegt dan niet: "De man kwam binnen en de man ging zitten", maar wel "Hij kwam binnen en ging zitten". Een dergelijk vervangingsprincipe bestaat niet voor werkwoorden. Ze worden altijd gebruikt ongeacht of ze nieuwe of reeds bekende informatie representeren", zo gaf Seifart als voorbeeld in de mededeling op de site van de Universiteit Leiden. 

Een illustratie uit het boek "A system of elocution, with special reference to gesture, to the treatment of stammering, and defective articulation " van Andrew Comstock, uit 1864.

"Universele patronen"

De bevindingen van de studie suggereren dat, hoewel de onderzochte talen duidelijk verschilden in grammaticale structuren en culturele context, bepaalde ritmes in de spraak sterke universele patronen volgen, patronen van het versnellen en vertragen van spraak, en dat die patronen verbonden zijn met hoe sprekers verwijzende informatie beheren wanneer ze met elkaar communiceren, en dus met het gebruik van zelfstandige naamwoorden of werkwoorden. 

Daarnaast stellen de onderzoekers dat klassen van woorden - substantieve of werkwoorden - systematischer opgenomen zouden moeten worden in modellen van spraakproductie.

Opvallend aan de studie was overigens dat het Engels, waarop eerder onderzoek vooral is gebaseerd, het meest uitzonderlijke gedrag liet zien van de negen bestudeerde talen. Dat betekent dat als je alleen naar het Engels zou kijken, de kans groot zou zijn dat je belangrijke generalisaties over menselijke taal over het hoofd zou zien. Zo blijken nu data uit kleine, vaak bedreigde talen cruciaal te zijn voor ons begrip van menselijke taal.

De studie van het team van Seifart is eerder deze maand gepubliceerd in "Proceedings of the National Academy of Sciences".