Vanwaar de onrust over de nieuwe eindtermen?

Vak per vak worden de eindtermen vastgelegd. Al maandenlang zitten experts, leerkrachten en pedagogen samen in commissies om er over na te denken, te debatteren en knopen door te hakken. Langzaamaan krijgen de eindtermen nu vorm. Maar er is onrust. En de bezorgdheden kwamen gisteren naar buiten via tweets van onderwijsexpert bij de OESO Dirk Van Damme en Open VLD en N-VA uitten die ook in het Vlaams parlement. Wat zit er onder die lat, die volgens de één hoger en de ander lager gelegd wordt?

Waarover gaat het deze keer?

Op dit moment worden de eindtermen voor de eerste graad middelbaar onderwijs vastgelegd. Dat gebeurt vak per vak, elk in een eigen commissie met experts, pedagogen en leerkrachten. De eindtermen bepalen wat een kind moet kennen en kunnen op het einde van een schooljaar. Met die eindtermen gaan de onderwijskoepels (Katholieke, GO, Steden en Gemeenten,...) aan de slag. Zij verfijnen en maken er per koepel eigen concrete leerplannen van. 

Als de vakcommissie na maandenlang debatteren tot een beslissing komt, worden die eindtermen nagekeken door de valideringscommissie. Als daar het licht op groen gezet wordt, moeten de eindtermen ook nog eens allemaal naar het parlement. Pas als ze daar goedgekeurd worden, kan aan de leerplannen begonnen worden. Vermits minister van Onderwijs Crevits op 1 september 2019 wil starten met de nieuwe eindtermen en leerplannen, zal het nu vooruit moeten gaan.  De temperatuur stijgt dus.

Wat zijn de bezorgdheden?

Na een rondvraag bij vakcommissieleden, politici en Dirk Van Damme zijn er een paar duidelijke lijnen.

Voor een aantal vakken ligt de lat hoger dan voordien. Dat is al zeker zo voor wiskunde, geschiedenis en aardrijkskunde. Bij de taalvakken zijn de meningen verdeeld maar vooral zeer afwachtend.

Iedereen heeft de mond vol van het 'kader'. Bij het ontwikkelen van de nieuwe eindtermen moet de commissie vertrekken van een strikt vastgelegd kader.

Bijvoorbeeld dat het aantal eindtermen minder moet. Dat heeft als voordeel dat er wat meer vrijheid is voor een leerkracht om tot de minimumdoelen te komen. Zo kan er in de toekomst bij geschiedenis en aardrijkskunde meer ingespeeld worden op de actualiteit en de leefwereld van leerlingen. Bij geschiedenis zal naast feitenkennis een nieuwe dimensie toegevoegd worden: de leerlingen moeten ook met die kennis aan de slag en abstract redeneren. Bij aardrijkskunde zijn de eindtermen zo geformuleerd dat leerkrachten met hun leerlingen bepaalde stappen moeten doorlopen om de doelstelling te kunnen halen.

Het voordeel is meteen ook een mogelijk nadeel: minder en algemenere eindtermen kan volgens sommigen alle kanten op met de uitwerking in leerplannen. Zullen de leerkrachten en experts daar nog gehoord worden?

Als laatste is er nog de bezorgdheid om de hervorming van de eerste graad. Daarover is de knoop doorgehakt maar dat moet nog in de praktijk omgezet worden. Leerkrachten zijn bang dat hun vak niet meer als vak overeind zal blijven. Het zou kunnen dat in de toekomst bepaalde vakken gebundeld worden tot één vak. Met eindtermen die algemener zijn, zouden dan misschien wel vakspecifieke kennis of vaardigheden verloren kunnen gaan.

Bij leerkrachten taal  komt daar nog een vrees bovenop. Nu er zoveel energie gestoken wordt in het STEM-verhaal (Science, Technology, Engineering en Mathematics) lijkt taalonderwijs in een verdomhoekje te raken. Maar benadrukken ze bij de taalvakken: er zijn nog geen definitieve teksten, we wachten nog af voor we echt uitspraken gaan doen.