Een vergeten oorlog die toch een grotere catastrofe is dan de Tweede Wereldoorlog

"Deze week was het 400 jaar geleden dat in Duitsland de Dertigjarige Oorlog uitbrak, een Duitse catastrofe zonder weerga, groter dan de Tweede Wereldoorlog, waarvan de gevolgen tot op de dag van vandaag voelbaar zijn." Kenner van Duitsland Rik Tyrions: "Naar schatting heeft deze oorlog het leven gekost aan 6,5 miljoen mensen, dat is 40 procent van de bevolking."

labels
Rik Tyrions
Rik Tyrions was journalist buitenland bij VRT NWS en expert Duitsland.

Op 23 mei 1618 kieperde een groep protestantse edelen de afgevaardigden van de streng katholieke Duitse keizer Ferdinand II uit het raam van de burcht van Praag. Een slechte plaatselijke gewoonte, want 200 jaar eerder hadden boze Hussieten al zeven leden van het stadsbestuur uit het venster van het stadhuis  gegooid.

De vertegenwoordigers van Zijne Majesteit kwamen er met de schrik en een paar schrammen vanaf. Maar de Tweede Praagse Defenestratie was wel het begin van de grootste catastrofe, die Duitsland ooit heeft getroffen, de Tweede Wereldoorlog inbegrepen.

Die Dertigjarige Oorlog is bij ons nauwelijks bekend. De Zeventien Provinciën zaten toen in een vechtscheiding, van elkaar en van Spanje. Maar voor het Heilig Roomse Rijk der Duitse Natie waren het drie gruwelijke decennia van oorlog, geweld, plundering, vernieling en moord op een groot deel van de bevolking.

De militaire afhandeling van het conflict is minder belangrijk en bovendien een wirwar van allianties, die aan de lopende band werden gesmeed en verbroken. In de loop van dertig jaar opereerden de legers van de Duitse keizer en zijn katholieke bondgenoten, van een reeks protestantse Duitse vorsten, van Denemarken, Zweden, Spanje, Frankrijk en zelfs Transsylvanië op het grondgebied van wat toen Duitsland was.

De tweede Praagse defenestratie

Het conflict begon als een heropflakkering van de godsdienstoorlogen, die Europa in de 16e eeuw hadden geteisterd. De Tweede Praagse Defenestratie was het startsein voor de opstand van de protestantse Boheemse edelen tegen de katholieke Habsburgse keizers.

De vijandelijkheden escaleerden echter toen de twee partijen bondgenoten gingen zoeken, de protestanten bij de vorsten in Noord-Duitsland, de katholieken bij de heersers in Zuid-Duitsland. Daarna probeerde Denemarken een graantje me te pikken, wat jammerlijk mislukte. Vervolgens mengde het ambitieuze Zweden zich in het conflict. Halfweg de oorlog zag ook Frankrijk een kans om te ontsnappen uit de Habsburgse omsingeling: de Nederlanden, Spanje en Duitsland werden allemaal geregeerd door leden van de familie Habsburg. En de prins van Transsylvanië speelde de rol van joker door uit rancune en persoonlijke ambitie met een leger tot voor de poorten van Wenen te trekken.

Keizers, koningen en andere vorsten lieten het ruwe slachtwerk over aan hun legeraanvoerders. De enige, die moedig genoeg was om op het slagveld te sterven, was de Zweedse koning Gustaaf II Adolf. Hij werd in 1632 door een keizerlijke ruiter van dichtbij in de rug geschoten.

Gustaaf Adolf II

Van de andere legeraanvoerders is vooral Albrecht von Wallenstein bekend, de opperste bevelhebber van de keizerlijke legers. Nauwelijks minder beroemd in Duitsland, maar bij ons compleet vergeten is Johan t'Serclaes, graaf van Tilly, een edelman uit Waals-Brabant (en dus uit de Habsburgse Nederlanden).

Tilly is één van de twee veldheren, die een eigen standbeeld heeft in de Feldherrnhalle in München. Maar zijn naam blijft voor altijd verbonden met  de gruwelijkste slachtpartij uit de Dertigjarige Oorlog. Op 20 mei 1631 staat Tilly met 27.000 keizerlijke soldaten voor de poorten van Maagdenburg. Om negen uur ‘s morgens trekt het leger de stad binnen. En dan begint een orgie van plundering, marteling, verkrachting en moord, die vier dagen zal aanhouden.

Niets of niemand is veilig. Enkele honderden rijke burgers kunnen zich vrijkopen en worden de stad uitgeleid. Maar de rest wordt ongenadig afgemaakt door de dronken en plunderende soldaten. Tot overmaat van ramp wordt de stad ook nog in brand gestoken, waardoor duizenden inwoners verstikken of verbranden. Als Tilly op 24 mei het sein geeft om de gruwelen te staken, is Maagdenburg een rokende puinhoop. 20.000 inwoners hebben het niet overleefd.

Begin 1631 telde Maagdenburg 35.000 inwoners, een jaar later nog 450.  In heel Europa wordt ontzet gereageerd

In heel Europa wordt ontzet gereageerd op de massamoord in Maagdenburg. Enkel paus Urbanus VIII toont zich in een brief van 24 juni 1631 verheugd over "de vernietiging van het ketterse nest". De laatste overlevenden verlaten in de maanden daarop ook de stad, omdat elk economisch leven onmogelijk is geworden. Begin 1631 telde men 35.000 inwoners, een jaar later nog 450. 

Een van de overlevenden is Otto von Guericke, zoon uit een rijke familie. Later zal hij zich de duizenden lijken herinneren, die in de Elbe werden gekieperd. Het zijn er zo veel dat de machtige stroom ze niet allemaal weggespoeld krijgt.

Von Guericke zal als burgemeester zijn stad weer opbouwen en hij zal wereldberoemd worden met zijn experiment met de Maagdenburger halve bollen, waarmee hij de kracht van de luchtdruk bewijst. Maar als von Guericke in 1686 sterft, telt zijn stad nog altijd maar 20.000 inwoners.

Johan t'Serclaes, graaf van Tilly

Maagdenburg is geen alleenstaand geval. Een combinatie van factoren zorgt ervoor dat de oorlogvoering in de 17e eeuw een triest hoogtepunt van gruwel en vernietiging bereikt. Van vaste, staande legers of van dienstplicht is nog lang geen sprake.

Keizers, koningen, prinsen en hun legeraanvoerders zoeken huurlingen, die voor hen willen vechten, uiteraard tegen betaling. Meestal is de veldtocht of de oorlog nog lang niet afgelopen als het geld al op is. De huurlingen zoeken dan maar hun eigen soldij bij de boeren en stedelingen, waar ze voorbij trekken.

Mensen worden op de vreselijkste manieren gemarteld om hen te doen vertellen waar ze hun kostbaarheden hebben verstopt. Vrouwen en kinderen worden zonder reden vermoord. De legerbendes gijzelen hele steden om losgeld af te dwingen. Zelfs de lijken van gesneuvelde soldaten worden genadeloos door de tegenstander geplunderd.

En de soldaten waren niet alleen uit op geld en goed, maar ook op levensmiddelen. De legers ‘leefden van het land’, dat wil zeggen dat ze de boeren dwongen om hen eten en drinken te bezorgen. Gratis uiteraard.

En er waren niet alleen de legers, die eten nodig hadden.  Na de soldaten volgde de bagagetrein, met de voorraden en de benodigdheden, verder de marketentsters, die eten verkochten, de hoeren, die hun lichaam verkochten en de goochelaars en waarzeggers, die een onzekere toekomst verkochten. Als een legerschaar van enkele tienduizenden huurlingen in een gebied neerstreek, was dat binnen de paar weken compleet leeggeroofd en leeggegeten.

 De Tweede Praagse Defenestratie was het begin van de grootste catastrofe, die Duitsland ooit heeft getroffen, de Tweede Wereldoorlog inbegrepen

Als de soldaten verder trokken, bleven er alleen nog hongersnood en epidemieën. Men schat dat maar één op de zeven doden in de Dertigjarige Oorlog rechtstreeks te wijten was aan oorlogshandelingen. De rest kwam om het leven door plunderingen, uitputting en door allerlei ziektes, van de klassieke pest tot het wijdverspreide syfilis.

In 1618 leefden in het Duitse Keizerrijk goed 16 miljoen mensen. Naar schatting heeft de oorlog het leven gekost aan 6,5 miljoen mensen, dat is 40 procent van de bevolking. In sommige streken liep het dodental op van meer dan de helft tot zeventig procent. Het duurde een volledige eeuw eer Duitsland van de oorlog bekomen was.

Tegen die tijd waren de Verenigde Provinciën een rijke koopvaardijnatie, had Engeland de grondslagen gelegd van zijn koloniaal imperium en was Frankrijk het machtigste land van Europa geworden. Duitsland bleef achter en raakte steeds meer verdeeld in honderden kleine vorstendommetjes, waaruit pas een eeuw later enkele grote spelers zouden groeien, zoals Pruisen.

Op een moment dat Frankrijk en Engeland hun centraal bestuur versterkten, brokkelde de macht van de Duitse keizer langzaam af. In Londen en Parijs konden centrale regeringen hun landen laten doorgroeien tot koloniale grootmachten. De rijkdom uit de koloniën zorgde voor een opkomende burgerij, die later streefde naar democratie. Duitsland daarentegen trok zich op zichzelf terug, ook al omdat grote havens zoals Bremen, Stralsund, Greifswald en Wismar in handen bleven van de Zweden.

Naar schatting heeft deze oorlog het leven gekost aan 6,5 miljoen mensen, dat is 40 procent van de bevolking

Volgens sommige historici zorgde de lange nasleep van de Dertigjarige Oorlog er ook voor dat de Duitse burgerij pas laat in de 19e eeuw een factor van betekenis werd. Toen in 1848 in heel Europa de liberaal-democratische revolutie uitbrak, stond er in Duitsland geen eensgezinde en vastberaden middenklasse klaar, die een parlementair systeem kon installeren. Het duurde tot 1949 eer er een levensvatbare democratie kwam op Duitse bodem.

Er zijn maar een paar Duitse woorden, die doorgedrongen zijn tot in het Engels. Kindergartenrucksack en schadenfreude zijn de meest in het oog springende. Een ander leenwoord is ‘angst’, meestal in de combinatie ‘german angst’.

Waar hebben de Duitsers dan schrik van?

Volgens de IJzeren Kanselier Otto von Bismarck van God en van niets anders. Of het moest die oude Keltische schrik zijn dat de hemel hen op het hoofd zal vallen. German angst is dan die ongrijpbare angst voor wat mis kan lopen, meer nog, dat wat mis kan lopen ook mis zal lopen. Zo zijn de Duitsers nooit grote liefhebben van atoomenergie geweest, de rampen van Tsjernobyl en Fukushima hebben hen daar alleen maar in bevestigd.

De Duitsers voelen zich collectief onzeker. Dolle koeienziekte, varkenspest of vogelgriep, de Duitsers zijn er als de dood voor. “Angst is niet alleen een gebrek aan moed”, schreven de gebroeders Grimm in hun Deutsches Wörterbuch. “Het is een knagende zorg, een benauwende toestand vol twijfel.”

German angst is die ongrijpbare angst voor wat mis kan lopen, meer nog, dat wat mis kan lopen ook mis zal lopen

Nogal wat historici vermoeden dat die angst nog een late erfenis is uit de Dertigjarige Oorlog. Het Duitse volk leed onder het totale verlies aan controle over zijn leven. Een leven dat op ieder moment abrupt beëindigd kon worden.

Toen de oorlog in 1648 stopte was meer dan één generatie opgegroeid met niets anders dan dood en vernieling om zich heen. Die angst gaven ze door aan hun kinderen, die ze op hun beurt weer doorgaven. Tot het min of meer in de Duitse genen zat, zo menen historici.

En zo is de Dertigjarige Oorlog de Duitse oercatastrofe geworden, de olifant in de kamer, waar nauwelijks over gesproken wordt. Er zijn dezer dagen zo goed als geen plechtigheden om het begin van de strijd, 400 jaar geleden, te herdenken.

Merkwaardig genoeg is er wél geld om de kapel in Lützen te onderhouden, waar de Zweedse koning Gustaaf II Adolf om het leven kwam. En ook voor de veldheren Tilly en Wallenstein zijn er nog elk jaar feestelijkheden. Zo worden alleen de verantwoordelijken voor de massamoorden herdacht. De arme sloebers, die het leed van de oorlog hebben gedragen, zijn al lang vergeten.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst.