Wat staat er precies allemaal in de nieuwe wet op het gevangenispersoneel?

De discussie over het voorontwerp van wet focust zich haast uitsluitend op de kwestie van de minimale dienstverlening. Maar dat is slechts één element. Wat wil minister van Justitie Geens (CD&V) nog allemaal hervormen? Een overzicht. 

Eerst dit: het voorontwerp van wet is eigenlijk een kaderwet. Dat betekent dat vooral de grote lijnen worden uitgetekend en dat de concrete invulling later zal moeten gebeuren. In die zin is er dus nog ruimte voor bijsturing. Wat zijn de krijtlijnen?    

Een penitentiaire beleidsraad

Die Raad moet de minister adviseren over het gevangenisbeleid. De Raad is samengesteld uit mensen van de gevangenisadministratie, de magistratuur, de advocatuur, de academische wereld en het Nationaal Instituut voor Criminologie en Criminalistiek. Het is de bedoeling het gevangenisbeleid voortdurend te evalueren en wetenschappelijk te onderbouwen  

De leden van de Raad hebben vrij toegang tot de gevangenissen en kunnen ook ‘vrij en zonder getuigen’ spreken met gedetineerden en personeelsleden. 

Interne inspectie

Deze inspectie kan beschouwd worden als het intern toezicht en staat onder het direct gezag van de minister van Justitie.  

De inspectie moet zich bezighouden met de klachten van gedetineerden (of hun familie), de naleving van de procedures in de gevangenissen, de effectiviteit van de rechten van de gedetineerden maar ook de naleving van de deontologie door het personeel. Ze kan ook de tuchtprocedures opvolgen en heeft het recht om tuchtdossiers in te kijken van de ambtenaren. 

Meer in het algemeen is het de bedoeling een ‘cultuur van verantwoording en zelfevaluatie te bevorderen.’ 

Een penitentiaire opleidingsdienst

Deze opleidingsdienst zorgt voor de basisopleiding maar ook voor alle voortgezette opleidingen.  Dat kunnen zuiver technische opleidingen zijn (bv. om de apparatuur van de toegangscontrole te bedienen) maar ook opleidingen die focussen op ‘communicatieve en relationele vaardigheden aangepast aan het werken in een gevangenis.’ 

De overheid moet die  opleidingsdienst wel nog opstarten en uitbouwen.  

Een nieuwe organisatie van het gevangenispersoneel

In het voorontwerp is sprake van personeel dat zich enerzijds moet bezighouden met de bewaking en beveiliging (van gebouwen en personen) en anderzijds met toezicht en begeleiding van gedetineerden. Het is een wat ambtelijke formulering voor wat in Nederland de ‘koude en warme’ bewaking genoemd wordt (zie ook analyse). Het komt erop neer dat de organisatie uitgebouwd wordt op twee pijlers: bewaking en controle versus begeleiding van gedetineerden.  Sommige personeelsleden zullen zich dus alleen nog bezig houden met sloten, camera’s en fouilleringen, de anderen zullen tussen de gevangenen lopen en de hele tijd met hen praten en activiteiten doen.

Men gaat er dus voortaan van uit dat er binnen het personeel diverse profielen moeten zijn en dat niet langer iedereen alles moet kunnen. 

Een gedragscode

Een gedetineerde is afhankelijk van het gevangenispersoneel, en dat plaatst hem of haar in een kwetsbare situatie. Daarom is er een gedragscode nodig voor het personeel. ‘In de gevangenissen zijn de omstandigheden die een risico inhouden op de schending van de integriteit permanent aanwezig. Een bijzondere waakzaamheid hiervoor is dus aangewezen.’ 

Het valt op dat ook op andere plaatsen in het ontwerp de nadruk wordt gelegd op de moraliteit en integriteit van het gevangenispersoneel. 

Een minimale dienstverlening

De invoering van de minimale dienstverlening, de kwestie die het meeste aandacht krijgt, komt erop neer dat er bij elke staking van meer dan 24 uur, de personeelsleden 72 uur vooraf hun (stakings-)intenties moeten laten weten. Op basis van die informatie wordt dan (per gevangenis) nagegaan of er voldoende personeel aanwezig is. Als dat niet het geval is, kan er (na overleg met de vakbonden) personeel opgevorderd worden. 

In het ontwerp staat wel dat deze regeling na één jaar geëvalueerd zal worden en dat dan beslist kan worden om de minimale dienstverlening ook uit te breiden tot stakingen van één dag. 

De minimale dienstverlening moet toelaten dat ook bij langdurige stakingen gedetineerden regelmatig kunnen douchen, in de buitenlucht wandelen, contact houden met advocaat en familie… Hier neemt het ontwerp eigenlijk de normen over van de Raad van Europa. 

Examens bij bevorderingen

Naast een aantal criteria voor het aannemen van personeel, zijn er ook criteria bepaald voor het bevorderen van personeel. Daarbij wordt gezegd dat de bevordering naar een hoger niveau afhankelijk kan gemaakt worden van het slagen in een opleiding. Bovendien wordt gesteld dat bepaalde functies beperkt kunnen worden in de tijd. 

Toelagen beperken

In een specifiek artikel wordt bepaald dat het personeel sommige toelagen alleen nog zal krijgen bij effectieve prestaties (en dus niet forfaitair). In de memorie van toelichting wordt expliciet gezegd dat dit artikel de bedoeling heeft om het absenteïsme tegen te gaan en de aanwezige personeelsleden beter te verlonen. Men wil met andere woorden het (financiële) verschil tussen werken en niet-werken groter maken omdat nu ‘het spanningsveld qua verloning tussen wel of niet presteren quasi onbestaande is.’  

Basisprincipes van het tuchtregime

In een afzonderlijk hoofdstuk van het wetsontwerp wordt het tuchtregime verder uitgewerkt. Daarin staat o.a. dat er een aparte ‘jurisprudentiegegevensbank’ zal worden opgericht waarin alle tuchtsancties anoniem zullen worden opgenomen. Deze databank heeft de functie als barometer te fungeren voor het meten van het integriteitsniveau van het personeel.