"Alleen ik betaal belastingen": kent u dat gevoel?

Het is een jaarlijks terugkerende verzuchting in tijden van belastingaangiften. Loontrekkenden vinden dat alleen zij echt belasting betalen. Want elke cent van hun inkomsten is bekend. Zelfstandigen zeggen dan weer dat ze een heel jaar hard werken "en dan komt de fiscus langs en die neemt alles mee".  Ten slotte vinden ook bedrijven dat zij degenen zijn die het land echt overeind houden "met alles wat ze afdragen aan vadertje staat".  Hoe zit het nu echt? Wie betaalt wat? We zetten de cijfers voor u op een rijtje.

Eerst even het grote kader. De staat ontvangt in een jaar zowat 185 miljard euro uit allerlei afdrachten die gezinnen en bedrijven doen (fiscale en para-fiscale inkomsten, cijfers voor 2016). Die vallen grosso modo uiteen in drie groepen: een derde is inkomstenbelasting, een derde is inkomsten uit socialezekerheidsbijdragen en een derde is heffingen op enerzijds allerlei soorten vermogen (voorheffing, successie,...) en anderzijds op goederen en diensten (btw, accijnzen,...)

In deze periode van het jaar zoomen we specifiek in op de inkomstenbelasting, dat is de belasting waarvoor u nu de aangifte gedaan hebt of nog snel moet doen. (Voor verstrooide zielen: het aangifteseizoen loopt nog tot 29 juni voor aangiften op papier en tot 12 juli voor aangiften via tax-on-web.) Voor een werknemer en een zelfstandige spreken we dan van personenbelasting, voor bedrijven is dit de vennootschapsbelasting.

Personen versus vennootschappen

Het leeuwendeel van deze inkomstenbelasting, die de staat alles samen goed 60 miljard opbrengt, komt van de werknemers en zelfstandigen. Samen betalen zij ruim 46 miljard euro, de vennootschappen betalen ruim 14 miljard euro.

De cijfers nog verder opsplitsen vraagt wat creativiteit. Wat werknemers en zelfstandigen betalen aan inkomstenbelasting, komt samen binnen als "personenbelasting". Dat is duidelijk te onderscheiden van de vennootschapsbelasting. Minder duidelijk is binnen die personenbelasting het onderscheid te maken tussen wat werknemers betalen enerzijds en wat zelfstandigen betalen anderzijds.

Daarvoor hebben we ons gebaseerd op de tabellen die de  Federale Overheidsdienst Financiën opstelt voor de Europese Commissie. Daar moet die opsplitsing namelijk wel gemaakt worden. Wel hebben we die gegevens zelf moeten bewerken om puur de inkomstenbelasting over te houden. Daarbij hield de FOD Financiën een oogje in het zeil.

Het resultaat van onze bewerking ziet u hieronder. Werknemers betalen ongeveer 63 procent van de inkomstenbelasting, vennootschappen 26 procent en zelfstandigen 11 procent.  (Cijfers van 2016).

Als we deze onderlinge verhouding over de jaren heen bekijken, valt op dat het aandeel van de zelfstandigen in de inkomstenbelasting constant blijft, rond de 10 of 11 procent. De onderlinge verhouding tussen werknemers en vennootschappen daarentegen varieert met de economische conjunctuur.

Zo piekte het aandeel van de vennootschappen in de inkomstenbelasting net voor de economische crisis op 26 procent, om dan in 2009 te dalen tot 19 procent. Intussen gaat het weer een pak beter in de bedrijven: in 2016 waren ze opnieuw goed voor een aandeel van 26 procent.  

Sociale lasten

Werknemers vinden nu misschien dat bedrijven, "die toch zoveel groter zijn dan particulieren", met die 26 procent aan de lage kant zitten. Maar vennootschappen, en overigens ook zelfstandigen, merken dan op dat zij als werkgevers de meeste sociale lasten (dus de bijdragen voor de sociale zekerheid) ophoesten. Toch ook goed voor verschillende tientallen miljarden.

Tenslotte nog dit:  in 2016 waren er een kleine 424.000 vennootschappen belastingplichtig. De personenbelasting werd betaald door een kleine 7 miljoen mensen, onder hen ruim 700.000 zelfstandigen (in hoofdberoep). In welke categorie belastingbetaler u dus ook valt: u bent niet alleen.