Video player inladen ...

Een metershoge invasie uit het oosten: de Japanse duizendknoop

Ongetwijfeld heeft u het al gezien langs opritten van de autowegen: metershoge planten die een groen, dicht scherm vormen in de zomer, en een boel verdroogde, houtachtige stengels in de winter. Het gaat om de Japanse duizendknoop, een plant die hier helemaal niet thuishoort maar afkomstig is uit Oost-Azië. De plant staat op de lijst van de 100 meest invasieve exoten en dat is er aan te merken. Hij is zeer moeilijk te bestrijden en breidt zich nog steeds uit in ons land. Het idee om de duizendknoop uit te roeien heeft men opgegeven, en men zet nu vooral in op het beheersen van de bestaande populaties, en het vermijden dat er nieuwe haarden bijkomen. 

Japanse duizendknoop is een meerjarige plant met holle, stevige stengels die rood gevlekt zijn, en die lijken op bamboe. In het najaar sterft de plant af en de stengels die gedeeltelijk verhout zijn, blijven staan. De bladeren zijn groot en hebben een spitse top, de planten vormen dichte bestanden waar niets anders onder kan groeien. 

Op vruchtbare plaatsen kunnen de stengels wel 3 tot 4 meter lang worden, maar vaker zijn de planten veel kleiner, vooral op plaatsen waar ze door barsten in het voetpad of ander verhard materiaal door groeien, of op plaatsen waar ze regelmatig afgemaaid worden. 

Bij die 3 meter hoogte moet echter in veel gevallen nog eens 3 meter bijgeteld worden: zo diep kan het uitgebreide wortelsysteem van de duizendknoop immers gaan. De planten hebben een uitgebreid net van wortelstokken, waar ze voedsel in opslaan, en die bestand zijn tegen temperaturen tot -35 graden. Het wortelsysteem kan zich horizontaal tot 7 meter van de plant uitstrekken, en tot 3 meter diep zitten. Er zijn dan ook gevallen bekend waar de plant van een kant van een 4-baans autoweg onder de weg door ging, en aan de andere kant opdook.  

Dat wortelsysteem maakt het extreem moeilijk om de Japanse duizendknoop te bestrijden door hem uit te graven, en het is de voornaamste manier waarop de plant zich verspreidt. Als er grond wordt afgegraven waarin wortelstokken zitten, en die wordt elders gebruikt of gestort, dan zal de plant ook daar opduiken. En langs rivieren en beken is het voldoende dat een stukje grond met wortelstokken wegspoelt en elders terechtkomt, om een nieuwe haard te laten ontstaan.  

De plant komt dan ook veelvuldig voor langs rivieren en beken, en ook langs wegen en spoorwegen, en op plaatsen waar grond gestort is, zoals industrieterreinen. 

De dikke, dichte kolonies die de Japanse duizendknoop vormt, verdringen alle andere planten en verstoren de ecosystemen waar de plant opduikt. Doordat er niets meer onder het dichte bladerendak groeit, kan duizendknoop ook de erosie erger maken. 

Bovendien kan het invasieve wortelsysteem, gecombineerd met de snelle groei, ernstige schade toebrengen aan betonnen funderingen, dijken, wegen en voetpaden, gebouwen en steunmuren. In het Verenigd Koninkrijk weigerden verschillende banken en andere hypotheekverstrekkers leningen te geven voor woningen, waar Japanse duizendknoop in de tuin of in naburige tuinen werd aangetroffen. Sinds de publicatie van een rapport in 2012 waarin gezegd werd dat Japanse duizendknoop slechts zelden ernstige schade toebracht aan gebouwen, en bestreden kon worden, is het aantal gevallen waarin een lening geweigerd wordt, flink afgenomen. 

Scheuten van Japanse duizendknoop zijn vanuit de wortelstokken door het asfalt gegroeid. Foto: Lamiot/Wikimedia Commons

Klonen van één vrouwelijke plant

De Japanse duizendknoop komt van nature voor in Oost-Azië, in China, Japan en Korea. Hij werd in de 19e eeuw door de Duitse botanist Philipp Franz von Siebold  vanop de flank van een Japanse vulkaan meegebracht naar Nederland. 

In 1850 was er al een exemplaar in de beroemde Kew Royal Botanical Gardens in Engeland, en Japanse duizendknoop werd snel een favoriet bij tuiniers in Engeland en de rest van West-Europa, omdat de plant op bamboe leek en zowat overal wilde groeien. 

Al snel "ontsnapte" de duizendknoop echter aan de tuinen en parken, en begon hij aan zijn opmars in het wild. Oorspronkelijk kwam de plant vooral voor in verstoorde milieus en in steden, en langs waterlopen, wegen en spoorwegen rukte hij steeds verder op. Nu wordt hij ook aangetroffen in houtkanten, bossen en andere meer natuurlijke leefgebieden, zoals bijvoorbeeld de Hoge Venen.  

Al de exemplaren van de Japanse duizendknoop in Europa en Noord-Amerika zijn klonen van een enkele vrouwelijke plant die Von Siebold heeft meegebracht. 

Overigens zijn er twee soorten duizendknoop in ons land, en hun kruising. Naast de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica) komt ook de Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis) voor. Die is inheems in het noordoosten van Rusland, onder meer op het schiereiland Sachalin. De twee soorten kunnen een kruising vormen die de Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica) genoemd wordt. Die soort is zeer invasief en vormt zelfs levensvatbaar zaad, waarmee hij zich kan verspreiden. De twee andere soorten duizendknoop planten zich enkel ongeslachtelijk voort, door stukken met knopen die nieuwe planten vormen. 

In de lente schieten de nieuwe scheuten op tussen de verharde stengels die van het jaar daarvoor zijn blijven staan.

Moeilijk te bestrijden

Zoals gezegd heeft Japanse duizendknoop een uitgebreid stelsel van wortels en wortelstokken, en om de plant uit te roeien is het nodig die wortels te doden. 

Vaak wordt daarbij een beroep gedaan op herbiciden, chemische bestrijdingsmiddelen. De felle groei van de plant wordt flink verminderd door het gebruik van glyfosaat, dat in de onkruidbestrijder Roundup zit, van imazapyr, een andere onkruidbestrijder, of door een combinatie van beide. Ook kan men al de zichtbare bovengrondse stengels afsnijden, en de stammen vullen met glyfosaat. Al die methoden geven echter geen garantie op blijvend succes op lange termijn: soms werken ze en is de duizendknoop verdwenen, soms sterven de bovengrondse delen van de plant af maar de wortels niet, en het volgend jaar verschijnt de plant opnieuw in volle glorie. 

Als de plant staat op land waar gebouwd zal worden, gaat men vaak over tot het uitgraven van de wortelstokken. Daarbij is het echter moeilijk om de afgegraven grond op een verantwoorde manier kwijt te raken, zonder de plant weer verder te verspreiden. En men moet ook alle wortels mee hebben, die zoals gezegd tot wel 3 meter diep kunnen zitten. Als er slechts enkele stukjes van een centimeter of meer blijven zitten, zal de plant snel opnieuw de kop opsteken.

In Vlaanderen is de Japanse duizendknoop nog steeds aan een opmars bezig, voornamelijk door het verplaatsen van grond. Langs waterlopen, op industrieterreinen en langs wegen en spoorwegen duiken nog steeds nieuwe haarden op. In het Verenigd Koninkrijk wordt de afgegraven grond beschouwd als speciaal afval, en moet hij gestort worden op een vergunde stortplaats. 

Als opvolging van de eerdere, chemische bestrijdingsmethoden, of als aparte bestrijding, kan men ook de bodem afdekken waar de duizendknoop voorkomt. Dat gebeurt dan in het begin van de winter, met een flexibele, niet-lichtdoorlatende materie. De randen van oude stengels zijn echter messcherp, en kunnen gemakkelijk door de meeste materialen heen prikken. 

Afdekken met niet-flexibel materiaal zoals betonplaten, moet dan weer zeer zorgvuldig gebeuren, want de kleinste opening is genoeg voor de plant om opnieuw op te schieten. Bovendien kunnen de wortels tot op zeven meter van de afdekking reiken en nieuwe scheuten doen verschijnen. 

Een oude locomotief in Beekbergen in Nederland is op enkel jaren tijd bijna overgroeid door Japanse duizendknoop. (Foto: Jaap Tamminga/Wikimedia Commons/CC BY-3.0 Nl)

Meer ecologische bestrijdingsmethoden

De laatste tijd experimenteert men met meer ecologisch verantwoorde bestrijdingsmethoden, als alternatief voor de chemische bestrijding of het radicale afgraven van de grond.

Zo test men de sterilisatie van de bodem door stoom, waarbij hete stoom in de bodem wordt geïnjecteerd om het wortelsysteem te doden. 

Ook biologische middelen worden getest. Zo doet men onderzoek naar het inzetten van een schimmel van het geslacht Mycosphaerella, die de bladeren van de Japanse duizendknoop aantast, en in Japan lelijk huishoudt onder de inheemse populatie. Het onderzoek verloopt echter nogal traag omdat de schimmel een complexe levenscyclus heeft. 

Daarnaast voert men in het VK testen uit met de bladvlo Aphara itadori, die zich uitsluitend voedt met Japanse duizendknoop. De resultaten zijn bemoedigend aangezien gebleken is dat de vlo in het VK de winter kan overleven, en dus zich blijvend zou kunnen vestigen. 

Tot slot kunnen geiten de bovengrondse delen van de plant opeten. Dat doet de duizendknoop niet verdwijnen, maar het beperkt wel de explosieve groei. Anecdotische verhalen over varkens die daarna de wortel uitgraven en opeten, en zo de hele plant doen afsterven, zijn niet bevestigd. Uit experimenten in Nederland is overigens gebleken dat varkens duizendknoop niet zo heel lekker vinden. De plant, waarvan de jonge scheuten ook voor mensen eetbaar zijn, heeft namelijk een erg zure smaak, te vergelijken met extreem zure rabarber.

De stengel van Japanse duizendknoop heeft rode vlekken.

Verhinderen dat er nieuwe haarden ontstaan

In Vlaanderen is men afgestapt van het bestrijden van grote, gevestigde populaties, omdat het in de praktijk meestal niet haalbaar blijkt die volledig weg te krijgen. Als de locatie het toelaat, zal men de planten in bestaande populaties onder controle trachten te houden, en de ecologische impact ervan trachten te verminderen, door begrazing en/of maaien, waarbij men er dient op te letten dat het afval correct verwerkt wordt. 

Daarnaast worden de beschikbare middelen beter ingezet op preventie, op het  voorkomen dat er nieuwe haarden ontstaan. 

Aangezien de verplaatsing van "besmette" grond de voornaamste verspreidingsmethode van de plant is, is het belangrijk om te controleren of er in grond, die elders gebruikt zal worden, Japanse duizendknoop aanwezig is. Als dat het geval blijkt, moeten ofwel de planten en wortels zorgvuldig verwijderd worden, of anders moet men afzien van het gebruik van de grond.

Eens de grond elders gebruikt is, moet men het terrein controleren en eventuele planten uitsteken en afvoeren. Dat moet tot vijf jaar na het verplaatsen van de grond gebeuren, omdat het zo lang kan duren voor er uit de wortels scheuten verschijnen. 

Een beginnende, nieuwe haard van de plant kan bestreden worden door ze uit te graven, of door een gecombineerde techniek te gebruiken, namelijk bestrijden met glyfosaat en vervolgens afdekken.

Glyfosaat of andere chemische bestrijdingsmiddelen worden het best gebruikt in de late zomer of de herfst. De plant begint dan immers voedingsstoffen weg te halen uit de bladeren, die toch zullen verdorren en afsterven, om die op te slaan in het wortelsysteem. En met die voedingsstoffen, brengt hij dan ook het glyfosaat over naar de wortelstokken.

Na de behandeling met herbiciden,  moet men de plaats nog regelmatig controleren en eventueel de behandeling herhalen. 

Het is in elk geval duidelijk dat de uitroeiïng van de Japanse duizendknoop niet voor morgen zal zijn, en het ziet er eerder naar uit dat de plant een blijvertje is in ons land. Een schrale troost daarbij is dat bijen de kleine witte bloemen van de plant niet versmaden, en dat de Japanse duizendknoop een belangrijke bron van nectar kan zijn op een ogenblik dat er weinig andere planten in bloei staan. Zo heeft toch een diersoort er nog iets aan...

De kleine witte bloempjes van Japanse duizendknoop zijn geliefd bij bijen. (Foto: Frank Vincentz/Wikimedia Commons/CC BY-SA 3.0)