Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten: de Belgische verpleegsters in de Eerste Wereldoorlog

"Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten", was de lijfspreuk van de Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hun werk was belangrijk en vaak ook gevaarlijk, maar het kreeg tot nu weinig aandacht.

In de herdenking van honderd jaar Eerste Wereldoorlog wordt amper aandacht besteed aan het werk van Belgische verpleegsters. Ze zijn nochtans met minstens achthonderd, en spelen een vaak levensreddende rol bij de verzorging van gewonde soldaten en burgers.

Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’ staat er op hun speldje in het hospitaal L’Océan in De Panne, het grootste Belgische fronthospitaal. Tijdens de oorlog slagen ze erin deze drievoudige missie tot een goed einde te brengen. Daarbij krijgt vooral het troostende aspect veel aandacht.

Verpleegster en jongentje met geamputeerd been bij L'Océan in De Panne ( Archief Koninklijk Paleis) en het speldje van het hospitaal. Beginfoto: verpleegsters in l'Océan en slachtoffertjes van een bombardement op Koksijde.

Tot het einde van de negentiende eeuw zijn verpleegkundige zorgen in België bijna uitsluitend in handen van vrouwelijke religieuzen. De doorbraak voor de professionalisering van het verpleegstersberoep situeert zich in het eerste decennium van de twintigste eeuw.

De eerste opleidingen zorgen ervoor dat aan het begin van de Eerste Wereldoorlog 4477 verpleegsters over een diploma beschikken. Van minder dan 1/10 van hen is met zekerheid bekend dat ze tijdens de oorlog als verpleegster actief zijn. Dit cijfer is laag, omdat het bijna onmogelijk was om vanuit bezet België in fronthospitalen terecht te komen.

In 1907 werd in Brussel de Belgische school voor gediplomeerde verpleegsters opgericht (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel)

Daarom komen er tijdens de oorlog nieuwe opleidingen in Londen en Calais. Die moeten zorgen voor de aanvoer van Belgische verpleegsters in de verschillende fronthospitalen. De verpleegsters die in beide steden een stoomcursus volgen, komen dan meteen in Belgische fronthospitalen terecht.

Ze krijgen er te maken met uiteenlopende en vaak nieuwe praktijken, zoals amputaties, buikoperaties en ontsmetting van oorlogswonden. Ook nieuwe technieken als radiografie, fysiotherapie en bloedtransfusie worden toegepast. De verpleegkundige praktijken hebben meermaals een gunstige invloed op de gezondheidstoestand van de gewonde soldaten. In die zin leveren de verpleegsters een belangrijke bijdrage tot het genezen en verlichten van oorlogswonden.

Jane de Launoy (links) bij de toepassing van een nieuwe techniek voor wondontsmetting in het hospitaal L’Océan in De Panne (Cinematek, Brussel)

De oorlogsomstandigheden stellen de Belgische verpleegsters zowel fysisch als psychisch zwaar op de proef: velen raken oververmoeid en worden ziek.

De pieken in de aanvoer van oorlogsslachtoffers na zware gevechten, de strijd voor het overleven van de gewonden, het personeelstekort, de lange diensttijden, de vermoeiende nachtdiensten, de confrontatie met de dood en de schaarse ontspanningsmogelijkheden zorgen voor een zware fysieke en mentale belasting bij het verpleegkundig korps.

Tekening van een uitgeputte Belgische verpleegster uit het schetsboek van een Brits soldaat, die in de Ieperboog actief was (University of Victoria’s Special Collections Library, Victoria, Canada)

‘De vermoeidheid zit diep en het zal maanden, zoniet jaren duren om opnieuw weerstand op te bouwen,’ schrijft frontverpleegster Jane de Launoy in haar dagboek.

Een aantal van haar collega’s moeten hun werk wegens oververmoeidheid stopzetten: tussen eind 1916 en eind 1918 dienen 113 verpleegsters hun ontslag in. De meeste ontslagen situeren zich niet toevallig tijdens het lente- en het bevrijdingsoffensief in 1918: beide offensieven vergen heel wat krachten van de al oververmoeide verpleegsters.

In diezelfde periode worden ook 680 verpleegsters door de medische dienst van het leger van het ene naar het andere hospitaal overgeplaatst, om op die manier in te spelen op de meest acute noden. Deze overplaatsingen zorgen voor heel wat ongemak en stress, want verpleegsters moeten zich telkens opnieuw aanpassen aan een nieuwe werkomgeving.

Minstens 34 Belgische verpleegsters overleven de oorlog niet. De voornaamste redenen zijn vijandelijke bombardementen, oververmoeidheid, ziekte en de Spaanse griep.

De operatiezaal in een Belgisch ziekenhuis in Calais (Archief Koninklijk Paleis)

Bij de uitoefening van hun werk zijn er ook regelmatig spanningen met niet-opgeleide en met Britse verpleegsters. Vanaf het begin van de oorlog willen vele dames, meestal uit de burgerij, op vrijwillige basis verpleegkundige zorgen verstrekken. Ze beschikken daarvoor meestal niet over de nodige competenties. Dit leidt meermaals tot onjuiste verpleegkundige praktijken, en zorgt voor ergernis bij de geschoolde verpleegsters. Die vinden dat opleiding en bekwaamheid primeren op goede intenties.

Ook de verhoudingen tussen Belgische en Britse verpleegsters lopen niet altijd van een leien dakje. De Britse verpleegsters hanteren een zeer streng reglement, dat niet toestaat om op het bed van een gewonde te gaan zitten en enkel toelaat om patiënten met hun nummer aan te spreken. De Belgische verpleegsters vinden dat hun Britse collega’s hierdoor veel te weinig morele steun en troost aan de gewonden geven.  Sommige gewonden worden daarom liefst door Belgische verpleegsters verzorgd.

Belgische en Britse verpleegsters ‘zusterlijk’ samen bij een feestmaaltijd in het tentenhospitaal L’Océan in Vinkem (Archief Belgische Rode Kruis, Brussel)

Tijdens de oorlog onderneemt de katholieke letterkundige Marie Elisabeth Belpaire - die al voor de oorlog in Antwerpen een vrouwenbond had gesticht - vanuit De Panne herhaalde pogingen om een professionele organisatie voor frontverpleegsters op te richten. Dit gebeurt vooral via de tijdschriften Pour les Nurses en Aujourd’hui et Demain.

In deze tijdschriften wordt gepleit voor een unie tussen de verpleegsters. Deze pogingen blijven echter zonder resultaat. Een militair reglement van 1917, dat verenigingen en vriendenkringen verbiedt, vormt daarbij een belangrijke hinderpaal.  Op het einde van de oorlog ontstaat wel La Famille de l’Infirmière, een organisatie die morele steun aan verpleegsters biedt.

'Troostende' verpleegsters in een gewondenzaal in een Belgisch ziekenhuis in Calais (Archief Koninklijk Paleis)

Tijdens de oorlog blijkt de beeldvorming over Belgische frontverpleegsters behoorlijk diffuus. Het beeld dat het sterkst aan bod komt, is dat van de verpleegster als moederfiguur. ‘Nu ik niemand meer heb, ben jij mijn mama’, zegt een door haar verzorgde soldaat tegen Jane de Launoy.

In dit verband is er ook het beeld van koningin Elisabeth als verpleegster en moeder van de soldaten. Ze was nooit op permanente basis actief als verpleegster, want daarvoor had ze te veel andere verplichtingen. Maar ze was wel vaak aanwezig in L'Océan en andere fronthospitalen. 

Haar aanwezigheid was een steun voor de gewonde soldaten, en ook voor de verpleegsters. Door haar aandacht voor hun werk speelde de koningin een niet onbelangrijke rol in de opwaardering van het beroep.

Elisabeth op een postkaart als koningin-verpleegster en in de koninklijke villa in De Panne

Ook het beeld van de zorgende en medelevende verpleegster wordt vaak vermeld. ‘Nooit zal en kan ik die goede Zuster vergeten. Want daar voor heeft ze te vele nachten slaaploos door gebracht voor het wel zijn en zorgen der gewonden’, schrijft een soldaat in het poëziealbum van verpleegster Edith Steelandt.

De verpleegster wordt soms ook voorgesteld als prostituee en als mannenverslindster. Het beeld van de witte engel, dat na de oorlog vaak wordt gebruikt, blijkt tijdens de oorlog amper aan bod te komen. Dit beeld moet dan ook beschouwd worden als een naoorlogse constructie.

Het Franse weekblad La Vie Parisienne - dat in niet-bezet België gretig wordt gelezen - publiceert ‘kokette’ afbeeldingen van verpleegsters (Privéarchief Anthony Langley, Antwerpen)
Links, "De mooiste mode, aangenomen door vrouwen uit de hele wereld". Rechts, "Dubbel verwond, door kogels in het hoofd en pijlen in het hart". Tekeningen uit La Baïonnette, 21 oktober 1915.

Bij de verpleegkundige praktijken van Belgische verpleegsters is het opvallend dat het troostende aspect sterk op de voorgrond treedt. In zoverre de oorlogsomstandigheden dat toelaten. Naast het feit dat de meesten goed opgeleid en technisch onderlegd zijn, nemen ze de tijd om met de gewonden te praten en hen moed in te spreken.

De vooroorlogse traditie van katholieke zorg - waarbij naast religieuzen ook welgestelde dames morele en spirituele ondersteuning boden - speelt daarbij een belangrijke rol. Altijd troosten vat dan ook - meer nog dan genezen en verlichten - de essentie van het werk van Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog het best samen. Dat werk is grotendeels onbekend gebleven, maar in de huidige herdenking van de Eerste Wereldoorlog verdient het zeker een plaats.

Nog tot 16 september loopt in Poperinge de tentoonstelling Heelkracht. Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog . Bij de tentoonstelling hoort het boek van Luc De Munck Altijd troosten.  Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2018, 192 p.

Luc De Munck is verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven. Hij doet onderzoek naar de professionele identiteit van Belgische verpleegsters in de twintigste eeuw.

Gewondenzaal in L' Océan (Archief Koninklijk Paleis)