Britten pakken graag uit met "special relationship" met VS, maar wat is er zo speciaal aan?

De Britten pakken er graag mee uit, met hun "special relationship" met de Verenigde Staten. Nu de Amerikaanse president Donald Trump het land bezoekt, gonst de term weer rond in Westminster. 

analyse
Ivan Ollevier
Ivan Ollevier is journalist bij VRT NWS. Hij volgt al jaren de Britse politiek en maatschappelijke discussies.

Plaatsvervangende schaamte

Herinnert u zich dat beeld in Washington vorig jaar? Donald Trump was pas president, en de Britse eerste minister Theresa May was de eerste buitenlandse regeringsleider die hem een bezoek bracht. Hand in hand verlieten ze het Witte Huis. In Londen vielen haar critici over elkaar heen om de ontmoeting onder vuur te nemen. Bij de anderen sloeg plaatsvervangende schaamte toe. 

Schoorvoetend. Met tegenzin zelfs

"We hebben een speciale relatie met de Verenigde Staten", verdedigde May zichzelf. "Het is belangrijk om die relatie te onderhouden, wie er in de Verenigde Staten ook aan de macht is." Het is opvallend dat het altijd de Britten zijn die het over die speciale relatie hebben. Nooit de Amerikanen. Nooit. Tenzij een (Britse) journalist er expliciet naar vraagt. Zoals bij Obama. En dan antwoordt hij nog schoorvoetend. Met tegenzin zelfs.

Tanende internationale macht

De term was een bedenksel van Winston Churchill, kort na de Tweede Wereldoorlog. Het is zelfs niet helemaal uit te sluiten dat Churchill, wiens moeder een Amerikaanse was, het niet over zijn land had maar over zichzelf. Dat was bij Churchill, met zijn reusachtige ego, nooit uit te sluiten. Maar de Britse pers sprong erbovenop.

De Britten hadden iets nodig om hun tanende internationale macht te compenseren. De gedachte vatte post dat de grootmacht van die tijd, de VS, zou luisteren naar hun dichtste bondgenoot. "The next best thing" dus. "Als wij de oude Grieken zijn, dan zijn de Amerikanen Romeinen", lees je weleens in het conservatieve en niet geheel pretentieloze weekblad The Spectator.

Thacher en Reagan, Blair en Bush

Eerste minister Margaret Thatcher en president Ronald Reagan hadden er ook één, een speciale relatie. Samen trokken ze ten strijde tegen het communisme. Samen lanceerden ze het neoliberalisme. Al sinds ze elkaar in 1975 voor het eerste ontmoetten, hadden ze een speciale relatie. Ook al liet Thatcher zich eens ontvallen: "Arme Ronny. Er zit niets tussen zijn oren."

Tony Blair en George W. Bush hadden er ook één. Samen smeedden ze plannen om het Irak van Saddam Hoessein binnen te vallen. Wat ze uiteindelijk ook deden, in 2003. Tot grote woede van de sociaaldemocratische achterban in het Verenigd Koninkrijk.

Britain First

Voor de rest lijkt de speciale relatie zich vooral in het hoofd van de Britten af te spelen. En al helemaal niet in het hoofd van Donald Trump. Die retweette vorig jaar een bericht van een beruchte, uiterstrechtse Britse organisatie, Britain First. Toen Theresa May daar voorzichtig kritiek op had, kostte het haar prompt een antwoord: "Richt je niet op mij, maar op het Radicaal Islamitische Terrorisme in de UK". Daarna liet May haar politiek personeel opdraven om het uit te leggen in de pers: dat "de relatie met de VS enorm belangrijk is" (de minister van Onderwijs), of dat "geen enkele tweet de transatlantische relatie mag verstoren" (de minister van Binnenlandse Zaken).

Baasje-poedel

Het gevaar bestaat dat de kiezers de speciale relatie gaan zien als een eufemisme voor een baasje-poedelrelatie. Blair werd al geregeld het schoothondje van Bush genoemd. Velen herinneren zich nog de geheime opname van een gesprek tussen de twee, waarbij Bush de behaagzieke Blair met zijn achternaam aansprak. Behagen wil Theresa May ook. Ze voelt de hete adem van de brexit in haar nek, en ze is op zoek naar handelspartners. Ze zal tijdens Trumps bezoek op eieren lopen.