100 jaar geleden: omstreden 11 juli-vieringen in bezet België

Deze week 100 jaar geleden vierde Vlaanderen voor het eerst officieel 11 juli. Een cadeau van de Duitse bezetter aan de activisten, de radicale Vlaams-Nationalisten. Op de viering in Kortrijk verschenen enkele onverwachte gasten: soldaten die uit het Belgisch leger gedeserteerd waren. Een deel van de Vlaamsgezinde Frontbeweging in het Belgisch leger had ook gekozen voor samenwerking met Duitsland, een zeer omstreden keuze.

Na de stabilisatie van het IJzerfront einde 1914, wordt het duidelijk dat de stellingenoorlog nog lang zal duren. Voor de soldaten komt er nu tijd vrij voor activiteiten buiten de militaire dienst.

Aan het front verenigen intellectuele, veelal katholieke Vlaamsgezinden zich in de Frontbeweging. Ze ijveren voor een gelijkwaardige behandeling van Nederlandstaligen en Franstaligen, wat in het Belgisch leger nog niet het geval is. Deze Frontbeweging gebruikt frontblaadjes en studiekringen om haar ideeën te verspreiden.

Tijdens de oorlog blijft de Frontbeweging eerder kleinschalig maar toch zal ze na de oorlog uitgroeien tot een belangrijke politieke kracht.

Eéntalige bewegwijzering in de Belgische frontlinie aan de IJzer, pas in de loop van 1917 begon de Belgische legertop werk te maken van tweetalige bewegwijzering (collectie KLM). Beginbeeld, de kop van de activistische krant Gazet van Brussel op 11 juli 1918; de ketenen die Vlaanderen geboeid houden, worden doorbroken ( via hetarchief.be)

Een zelfstandig Vlaanderen met Duitse hulp

In bezet gebied is Duitsland intussen begonnen met een nationaliteitenpolitiek, waarbij ze bevolkingsgroepen opzet tegen de heersende klasse. Nationale bewegingen in Finland, Polen, Oekraïne en de Baltische staten worden telkens ondersteund door Duitsland en met de ‘Flamenpolitik’ richten ze zich in België naar de Vlamingen.

De succesvolle revolutie in Rusland in 1917 heeft een grote invloed op deze bewegingen. Ook in bezet België zet er zich een ogenschijnlijke stroomversnelling in gang. De Raad van Vlaanderen roept de zelfstandigheid van Vlaanderen uit en wil met een volksraadpleging de Vlamingen de kans geven zich hierover uit te spreken.

Vlaamse manifestatie in Antwerpen. Deze foto, verschenen in het Duitse weekblad Welt imBild, laat niet zien dat er meer tegenbetogers dan betogers waren (WIB, 20-02-1918)

Niet dat het uitroepen van deze zelfstandigheid door iedereen ondersteund wordt, integendeel. De volksraadpleging die deze beslissing de nodige legitimiteit moet bezorgen, wordt een fiasco.

Ze  maakt vooral duidelijk dat het grote publiek het helemaal niet eens is met de activisten, de groep Vlaamsgezinden die bereid zijn om met de Duitse bezetter samen te werken om hun politieke eisen in te willigen, willen.

Premier Charles de Broqueville (tweede van rechts) en enkele van zijn ministers bij de koninklijke villa in De Panne (Archief Koninklijk Paleis)(

In de eerste maanden van 1918 sijpelt dit nieuws door tot in onbezet België. Dit komt voor de regering in Le Havre hard aan. Bezorgd om de internationale consequenties van het activisme, zien ze zich verplicht de geallieerden gerust te stellen.

Maar ze hebben vooral schrik dat deze activistische invloeden zullen overwaaien naar het Vrije België en dan vooral naar de Vlaamsgezinden in het leger. Daarom laat minister van oorlog De Ceuninck, de censuur alle kranten en publicaties die op een positieve manier over de zelfstandigheid van Vlaanderen willen berichten, verbieden.

Maar toch komt deze informatie bij de soldaten in de loopgraven terecht. Dat gebeurt onder meer doordat het Duitse leger propagandamateriaal in de Belgische linies dropt en de Belgische soldaten op die manier dit activistische standpunt meegeeft.

Twee voorpagina's van de in Calais uitgegeven krant Ons Vaderland, die nauw aanleunde bij de Frontbeweging. De censuur zorgde vaak voor witte gaten in de artikelen (4-06-1917 en 2-07-1918, via hetarchief.be)

Tegelijkertijd worden er onder de soldaten clandestiene teksten verspreid waarbij veel begrip wordt opgebracht voor het activisme en de Raad van Vlaanderen. Die teksten gaan uit van Vlaamsgezinde militairen van de Frontbeweging maar ook kapelaan Verschaeve doet een flinke duit in het zakje.

Bestuurlijke scheiding en activisten’, een pamflet van zijn hand, roept op om het bezette land op de hoogte te brengen van het lijden van de Vlaamse soldaten aan het IJzerfront, zodat de publieke opinie zich daar positief zou opstellen ten opzichte van de realisaties van de Raad van Vlaanderen. Dit is dus een onomwonden steunverklaring aan het activisme.

Cyriel Verschaeve op de voorpagina van Pallieter (september 1923) en de aanhef van zijn pamflet 'Bestuurlijke scheiding en activisten.

Dergelijke standpunten en hun illegale verspreiding zorgen ervoor dat al wat ook maar enigszins Vlaamsgezind was aan het front met een vergrootglas wordt bekeken; het wekt zelfs afkeer op.

De Heldenhuldezerken, de zerkjes die oorspronkelijk bedoeld zijn voor gesneuvelde Vlaamse studenten, maar die al gauw voor elke gesneuvelde besteld kunnen worden, zijn een slachtoffer hiervan. In de nacht van 9 op 10 februari 1918 worden de letters AVV-VVK op de zerkjes van de begraafplaats in Oeren dicht gecementeerd.

Ook Vlaamsgezinde militairen die tijdens zogenaamde “vliegtochten”, pamfletten uitdelen of opschriften aanbrengen op gebouwen om hun eisen bekend te maken, worden opgepakt. Aan politiek doen, was strikt verboden voor militairen.

Het geschonden zerkje op de begraafplaats in Oeren (Museum aan de IJzer)

Het zijn acties die onmiddellijk een tegenreactie uitlokken. Enkele dagen na de grafschennis in Oeren worden de AVV-VVK letters opnieuw overschilderd. Daarenboven wil de Frontbeweging nu haar macht tonen door een massale actie te organiseren. Einde februari, begin maart 1918 slaagt ze erin om soldaten te laten betogen in hun kantonnementen tegen de taalomstandigheden.

Alhoewel er onder de radicalen van de frontbeweging gedacht wordt aan acties waarin geweld kan gebruikt worden, verwerpt de leiding elke vorm van gewapende opstand, noch ging ze akkoord het defaitisme te stimuleren onder de soldaten zodat die de wapens neerleggen bij de eerste geschikte gelegenheid.

Van links naar rechts, Adiel Debeuckelaere, de leider van de Frontbeweging, Constant Sevens en Hendrik Borginon
Een van eerste, opvallende acties van de Frontbeweging: de open brief aan koning Albert van 11 juli 1917, met een vraag om steun aan de Vlaamse eisen. De brieft zinspeelt op de oproep van de koning bij het begin van de oorlog aan de Vlamingen om zich de Guldensporenslag te herinneren.

Een Duitse zege lijkt even dichtbij

Op 21 maart 1918 starten de Duitsers hun groot lenteoffensief dat al maanden in de lucht hing. Voor hen ziet de situatie er goed uit. Met de Bolsjewiekenregering in Rusland hebben ze op 3 maart 1918 de vrede van Brest-Litovsk getekend. Ondertussen brengen ze massaal troepen over van het Oostfront naar het westen.

Ook het Belgische front komt onder druk te staan. Toch slaagt het Belgische leger er in om een Duits offensief te stoppen tijdens de ‘Slag bij Merkem’ op 17 april 1918. Deze klinkende overwinning toont aan dat de soldaten bereid zijn te vechten. Het defaitisme haalt dus niet de bovenhand.

Tevreden Belgische soldaten en Duitse krijgsgevangenen na de Slag bij Merkem KLM-MRA, Brussel-Bruxelles, Fonds: SPhAB

Maar ook daarna blijven de Vlaamse eisen steeds terugkomen: de Vlamingen vechten niet uitsluitend voor een vrij België, maar voor een Vrij Vlaanderen in een vrij België.

De legerleiding reageert hierop met een nog strengere censuur en een repressief beleid. Al wie zich aan het front actief inzet voor de Vlaamse zaak wordt opgespoord en moet van het front verdwijnen.

Dat is het gemakkelijkst voor medisch personeel. Halfweg maart wordt hulparts Jan Guldentops, beheerder van Heldenhulde, op aandringen van de Sûreté Militaire, van het front verbannen. Begin mei 1918 overkomt een andere beheerder, Hilaire Gravez, hetzelfde.

De zwaarste klap voor de organisatie moet toen nog komen. Op 17 juni 1918 wordt Jozef Verduyn, de drijvende kracht achter Heldenhulde, overgeplaatst naar een militair hospitaal in het zuiden van Frankrijk.

Een pamflet roept op om het Heldenfonds te steunen ( Bibliotheek UGent) en Jozef Verduyn.
De Vlaamsgezinde tekenaar Joe English en zijn schets voor het Heldenhulde-zerkje

Ook andere Vlaamsgezinde soldaten overkomt hetzelfde. Zij worden naar een ander regiment overgeplaatst, tenzij de regimentsbevelhebber zich daar tegen kant. Dat is bijvoorbeeld het geval bij Adiel Debeuckelaere. Ook Verschaeve wordt in zijn kapelanij gelaten.

Enkele radicalen belanden in een speciaal peloton in Normandië waar ze als houthakkers in de bossen moeten werken. De legerleiding vreest dat zij naar de vijand zullen overlopen als ze hen in de gevechtszone laten. Dan liever in verzekerde bewaring, ergens diep in Frankrijk.

Ze gaan de geschiedenis in als ‘de houthakkers van de Orne’. Ward Hermans en Maurits Geerardyn waren de bekendsten onder hen.

Collectie Museum aan de IJzer

Een zending naar bezet gebied

In april 1918 maakte Adiel Debeuckelaere, de leider van de frontbeweging, de balans op. Voor hem is het duidelijk. Hij ziet zich geconfronteerd met twee vijanden. Enerzijds de Belgische regering omdat deze het Vlaams eisenprogramma niet aanvaardt, anderzijds Duitsland dat het bezette land moet ontruimen en schadevergoeding dient te betalen.

Net zoals het merendeel van de frontbeweging zet hij zich af tegen het idee om over te lopen naar de vijand, is hij tegen het verspreiden van een defaitistische boodschap onder de soldaten en op het meewerken met de activisten in bezet België.

Maar binnen de frontbeweging is er een kleine radicale vleugel. Voor de oplossing van de Vlaamse eisen ziet die geen mogelijkheden meer binnen het Belgische kader en zoekt daarom steun bij Duitsland om de zelfstandigheid van Vlaanderen te verkrijgen.

De bedeling van de post aan het front. Wie geen familie had buiten bezet België, kreeg maar zelden post. De scheiding van en het gebrek aan nieuws van het thuisfront was een van de grote problemen voor de Belgische soldaten (Liberaal Archief Gent, collectie Jean Pecher))

In deze periode van Duitse offensieven en een streng optreden tegen Vlaamsgezinde soldaten aan het front zwicht de Frontbeweging onder druk van die kleine groep extremisten. Ze beslist een gezant naar bezet België te sturen. De keuze valt op Jules Charpentier, die zelf deel uitmaakte van deze groep radicalen. Hij krijgt volgende opdrachten mee, zo omschrijft Adiel Debeuckelaere ze althans na de oorlog:

-  hij moet Vlaanderen inlichten over de toestand aan de IJzer, de strijd van de frontbeweging en haar standpunt over vrede.

-   hij moet contact nemen met 5 prominente flaminganten: Lodewijk Dosfel, Reimond Speleers, Alfons Depla, Antoon Jacob en Emiel Vliebergh om met hen te overleggen hoe het programma van de Frontbeweging in overeenstemming kan gebracht worden met dat van de Vlaamsgezinden in bezet gebied.

Volgens Debeuckelaere zou afhankelijk van de uitkomst van deze gesprekken een nieuwe gezant met verregaandere volmachten de oversteek maken.

Uiteraard betekent dit dat de gezant moet meewerken met de vijand, want alleen het Duitse leger kan dit mogelijk maken. Het valt dus te hopen dat de Duitsers het nut en het belang van de missie van deze overloper zullen inzien. Het is per slot van rekening perfect inpasbaar in hun ‘Flamenpolitik’

Karel De Schaepdrijver en Jules Charpentier in het Duitse propagandablad Door Vlaanderen heen (via hetarchief.be)

In de nacht van 30 april op 1 mei slaagt Jules Charpentier erin om het niemandsland aan de Kloosterhoek in Stuivekenskerke over te steken om zo de Duitse stellingen op de linkeroever van de IJzer, te bereiken. Hij bevindt zich in het gezelschap van onder andere Karel De Schaepdrijver, en nog drie andere. In de dagen en weken nadien zullen er nog volgen.

De delegatie wordt uitvoerig door de Duitsers ondervraagd. Ze verklaren hierbij dat ze gedeserteerd zijn met de opdracht de Raad van Vlaanderen en het Vlaamse volk op de hoogte te brengen hoe het er in het Belgische leger aan toe ging. Ze willen meewerken aan het Duitse plan om een nieuw België te creëren op basis van gelijkheid tussen Vlamingen en Walen.

Charpentier neemt contact met de 5 Vlaamse prominenten zoals gevraagd door de Debeuckelaere, maar slaagt er niet in ze allemaal bereiken. Hij zoekt hierop contact met de Raad van Vlaanderen, het bestuursorgaan van de activisten.

Groepsfoto van de zogenaamde 'sublieme deserteurs'  in het Duitse propagandablad Door Vlaanderen heen (via hetarchief.be)

Jules Charpentier en Karel De Schaepdrijver maken ook werk van hun informeringstaak. Ze brengen drie brochures uit onder de de naam Yser-reeks. Deze brochures zijn beter bekend als ‘de rode boekjes’.  Ze bevatten open brieven en vlugschriften die aan het front zijn verschenen. Daarnaast publiceren de meeste overlopers ook artikelen in de activistische kranten en houden ze op meetings talrijke toespraken.

Een van de kernboodschappen van de Yser-reeks was dat de Vlamingen oververtegenwoordigd waren in het Belgische leger en dat er (ook omwille van Vlaamsonkunige officieren) meer Vlamingen sneuvelden. Het historisch onderzoek spreekt dat tegen, de Vlamingen waren wel licht oververtegenwoordigd maar daarvoor zijn verklaarbare redenen, o.a. dat men bij het begin van de oorlog  er alleen in Vlaanderen in geslaagd was om de lichting van 1914 op te roepen terwijl de rest van het land al in Duitse handen was .(bron illlustratie Bibliotheek UGent)

Op 11 juli 1918 is er een activistische stoet in Kortrijk waar Vlaamsgezinde deserteurs en krijgsgevangenen  aan deelnemen. En alhoewel deze stoet plaatselijk een succes is en de krijgsgevangenen in de dagen erna nog propagandareisjes maken naar de omliggende gemeentes, is er die dag toch iets wezenlijks veranderd.

Uitgerekend op 11 juli 1918 verklaart kanselier von Hertling tegenover de Rijksdag dat Duitsland het herstel van België als zelfstandige staat zal garanderen.  Duitsland trekt hiermee niet alleen zijn aanspraken op België in, ze beëindigen ook alle steun aan het activistisch bewind. Voor Duitsland is de Flamenpolitik mislukt.

De Vlaamse activisten als naieve kikkers die steun vragen aan de Duitse ooievaar. Tekening uit De Amsterdammer van 10 maart 1917, naar aanleiding van het bezoek aan Berlijn van een delegatie van de Raad van Vlaanderen.

En ook in onbezet België is er iets veranderd. De Frontbeweging slaagt er op 11 juli nog wel in om een pamflet uit te geven, maar het uitblijven van grootschalige manifestaties bevestigt dat de militaire overheid alles onder controle heeft. Even belangrijk is bovendien dat ze het idee om over te lopen naar bezet gebied, nogmaals volledig afwijst. Ze distantieert zich hiermee van de groep overlopers rond Charpentier.

De Franse en  Britse militaire successen in de zomer van 1918 worden gevolgd door het bevrijdingsoffensief. Dit zorgt ervoor dat de sfeer bij de soldaten helemaal omslaat. Eindelijk is er een kans om de vijand te verjagen en weer naar huis te gaan. De Frontbeweging verliest snel een groot deel van zijn aanhang.

Illustraties uit "Vlaanderens Weezang aan den IJzer" van Julius Charpentier en Karel De Schaepdrijver (Bibliotheek UGent)

Na de Oorlog

De meeste leden van de activistische top en de overlopers die zich hebben ingeschakeld in de Duitse propagandamachine begrijpen dat in België blijven na de Duitse nederlaag geen veilige optie is. Ze nemen de vlucht naar Duitsland of Nederland.

De meesten worden in België bij verstek ter dood veroordeeld. De activisten zijn hiermee na de oorlog van het toneel verdwenen, samen met de gehate Duitse bezetter. Zo lijkt het toch.

Karikaturen uit het in Gent uitgegeven activistische weekblad "De Vlaamsche Smeder" (28 april en 5 mei 1918, via hetarchief.be)

Maar het activistische ideeëngoed – “Vlaanderen zelfstandig” - is niet dood. De mythische herinnering draagt al snel bij tot een radicalisering van tal van gefrustreerde Vlaamsgezinden. Het blijkt immers aartsmoeilijk om een nieuwe taalwetgeving er door te drukken. De martelgang van de vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit toont dat aan.

Ook de Vlaamsgezinde frontsoldaten schrikken na 11 november 1918 van de vijandige houding bij velen ten aanzien van de het flamingantisme.

Het kost jaren maar Vlaamsgezinden van de Frontbeweging en uit het activisme groeien naar elkaar toe. De jongere, opgroeiende generatie versterkt hun rangen. Met het Vlaamsche Front, ook de Frontpartij genoemd, krijgen ze  een eigen spreekbuis in het parlement. Ook in de socialistische en christendemocratische partijen eisen tal van Vlaamsgezinden hun plaats op, steunend op een toenemende electorale macht. Het kost tijd maar de Vlaamse beweging boekt weer resultaten, gestimuleerd door de mythische herinnering aan de Frontbeweging en het activisme.

Peter Verplancke is conservator van het Museum aan de IJzer, Diksmuide

Illustraties: Jan Ouvry