"Een vrouw" mag allereerste Boekenweekgedicht schrijven

Na protest tegen een "mannelijk" Boekenweekgeschenk komt er nu een Boekenweekgedicht, geschreven door een vrouw. De stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) had eerder Jan Siebelink en Murat Isik aangewezen om het Boekenweekgeschenk en het Boekenweekessay te schrijven, twee  mannen, terwijl ''De moeder de vrouw" het thema wordt van de Boekenweek in 2019.

Bij de bekendmaking van het Boekenweekthema een maand geleden kreeg de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) de wind van voren. 300 auteurs, lezers en mensen uit de sector protesteerden onmiddellijk, vaak in felle bewoordingen. Dat aantal is intussen verdubbeld. Bij de ontevredenen zowat evenveel mannen als vrouwen, en bijna alle grote namen van de Nederlandse literatuur. In Vlaanderen hadden onder meer Anne Provoost, Annelies Verbeke en Kristien Hemmerechts openlijk kritiek. Er klonk vooral boosheid omdat de stichting anno 2019 nog zo duidelijk de mannelijke kaart trekt, met een thema dat de vrouw nadrukkelijk als moeder vastpint. 

Kristien Hemmerechts

4 vrouwen op 20 Boekenweekgeschenken

Het Boekenweekgeschenk, een gratis novelle voor wie een bepaald bedrag aan boeken besteedt, bestaat 20 jaar. In die 2 decennia kreeg maar 4 keer een vrouw de opdracht om het wijverspreide hebbeding te schrijven, in 2018 was dat Griet Op De Beeck

De CPNB schrok hard van de commotie en nam meteen contact op met een afvaardiging van de auteurs, bij hen onder meer Fleur Speet en Manon Uphoff. Na overleg is er nu beslist dat er bij de start van de Boekenweek in maart 2019 een extra geschenk komt: het Boekenweekgedicht. Geschreven door een dichteres. 

Voorts beloofde de organisatie dat de volgende jaren meer vrouwen het Boekenweekgeschenk zullen mogen schrijven, om uiteindelijk tot volledige gendergelijkheid te komen. Ook wordt er gekeken naar een betere samenstelling tussen oude en jonge auteurs, en komt er extra aandacht voor schrijvers met een andere culturele achtergrond. "We zijn daar al een hele tijd mee bezig", zegt Job Jan Altena van de CPNB aan VRT NWS, "maar nu schieten we in actie, we raken wel uit de puzzel  en over 5 jaar evalueren we." 

Wie de dichteres van het eerste Boekenweekgedicht wordt staat nog niet vast. Mogelijk komt er een wedstrijd. Er is evenmin een beslissing gevallen over het thema of de titel van het gedicht. Ook over de verspreiding van het gedicht is er voorlopig onduidelijkheid. 

Ik kan me ook voorstellen dat het een mooi gedicht wordt dat door een rapper op muziek wordt gezet, dat zou het echt mooi in de etalage plaatsen, een eigentijdse invulling naast klassieke poëzie. 

Job Jan Altena, CPNB

Meer dan een schaamlapje?

Maar zal dat volstaan om alle kritische literatoren tevreden te stellen? Die hadden namelijk nog meer aanbevelingen... Vooreerst wilden ze een extra bundel met gevarieerde bijdragen van vrouwelijke en mannelijke auteurs over het moederschap. En ze vragen in 2019 nog twee gratis essays over het gedicht "Moeder" van M. Vasalis (1909-1998), één geschreven door een vrouw, een ander door een man.  

De stichting maakt zich sterk dat er een overeenkomst is met de afvaardiging van de protestbriefschrijvers, en bij uitbreiding met de hele sector. Die afvaardiging had intussen overleg met hun achterban. Hun handtekening staat onder het akkoord. Iedereen blij. 

Extra bundels en essays kunnen er komen, maar dan op initiatief van de uitgevers, zegt Job Jan Altena. In het verleden speelden de uitgeverijen en handelaars al handig in op het thema met eigen publicaties en leesportefeuilles.  

M. Vasalis

‘Is het vandaag of gistren, vraagt mijn moeder,
bladstil, gewichtloos drijvend op haar witte bed.
Altijd vandaag, zeg ik. Ze glimlacht vaag
en zegt: zijn we in Roden of Den Haag?
Wat later: kindje ik word veel te oud.
Ik troost haar, dierbare sneeuwwitte astronaut
zo ver al van de aarde weggedreven,
zo moedig uitgestapt en in de ruimte zwevend
zonder bestek en her en der.
Zij zoekt – het is een S.O.S. –
haar herkomst en haar zijn als kind
en niemand, niemand, die haar vindt
zoals zij was. Haar franse les
herhaalt zij van haar achtste jaar:
‘bijou, chou, croup, trou, clou, pou, où,
die eerste juffrouw, weet je wel
die valse ouwe mademoiselle
hoe heet ze nou. Ik ben zo moe.’

Had ik je maar als kind gekend,
die nu mijn kind en moeder bent.

M. Vasalis