Video player inladen ...

Belgische bedrijven meester op zee: offshore-windmolenparken goed voor 15.000 Belgische jobs

15.000 tot 16.000 jobs, dat zou de bouw van de windmolenparken op zee België momenteel opleveren. Directe en indirecte jobs, zo zegt de sector: van ontwerpers, studiebureaus, toeleveranciers van transformatorstations, tot de bemanningen en technici die met hun schepen de kabels en windmolens overal ter wereld de zee opslepen. Want de Belgische bedrijven bouwen niet alleen meer windmolens voor onze kust, ze zijn tegenwoordig overal actief. Tot in China toe.

Momenteel wordt voor in de Belgische Noordzee het vijfde windmolenpark gebouwd. Rentel, zo heet het park, zal bestaan uit 42 supergrote Siemens-turbines. Ze behoren tot de grootste ter wereld. De bladen van de turbine zijn maar liefst 75 meter lang en tot 5 meter breed. Ze wegen per stuk bijna dertig ton.

Daarnaast is er de mast of toren, die is opgebouwd uit drie delen. In totaal 90 meter hoog en een gewicht van 470 ton. Op die mast komt nog de gondel, die de machinekamer van de turbine bevat en waaraan de bladen worden geschroefd. Afmetingen: twintig meter lang, zes meter breed. Er kunnen bijna twee huizen in. De mastodonten wegen in totaal 900 ton en zijn van basis tot tip bijna 200 meter hoog: twee keer het Atomium en ruim anderhalve keer zo hoog als de kathedraal van Antwerpen.

De wieken (bladen) zijn enorm: maar liefst 75 meter lang

Echte giganten

Het is een algemene trend in de windturbine-industrie: de molens worden almaar groter, zijn almaar efficiënter en leveren almaar meer stroom. De eerste turbines die in 1982 verschenen op de strekdam in Zeebrugge waren piepkleine dwergen in vergelijking met de machines van nu. Ze waren "amper" 34 meter hoog, ruim 6 keer kleiner dan de turbines van Rentel en leverden bijna 50 keer minder stroom. Bovendien vielen ze ook sneller stil: moderne turbines hebben amper wind nodig om te draaien.

En die efficiëntie gaat met sprongen vooruit: nu al zie je het verschil tussen de machines van Rentel en hun buren van C-Power. De turbines van C-Power zijn amper 5 jaar ouder dan die van Rentel, nauwelijks kleiner en behoren tot de beste van hun tijd. Maar tijdens ons bezoek op zee stonden ze bijna allemaal stil, terwijl die van Rentel zachtjes bleven draaien, ondanks het bijna windstille weer.

De turbines zijn spectaculair gegroeid: op 35 jaar tijd zijn ze bijna 8 maal groter geworden

En we zijn nog lang niet aan het einde van de race naar sneller, groter en beter: fabrikant Vestas heeft nu al een turbine die bijna 25 meter groter is dan het Siemens-model van Rentel. Volgend jaar komt General Electric met een turbine die maar liefst 260 meter hoog is, met bladen van … 107 meter lang. Die gigant zal een vermogen hebben van 12 Megawatt, 80 keer meer dan de eerste Belgische turbines van 35 jaar geleden. Het is slechts een kwestie van tijd eer er turbines zullen verschijnen die de Eiffeltoren letterlijk in de schaduw stellen. En dan nog zal de evolutie vermoedelijk niet stoppen.

Maar hoe krijg je ze op zee?

We spreken dus echt over gigantische machines: de bladen zijn zelfs niet meer transporteerbaar over de weg omdat ze gewoon te groot geworden zijn. Vraag is: hoe krijg je die reuzenmachines op zee?

Daar komen onze Belgische bedrijven op de proppen. Want we hebben de productie van de windmolens dan misschien wel jammerlijk gemist, we blijven wel de meester op zee. En dat heeft veel te maken met onze baggerbedrijven. Van oudsher behoren onze twee grote baggergroepen Jan De Nul en Deme tot de wereldleiders in hun sector. Hun expertise gaat al tientallen jaren terug: ze zijn het meer dan wie ook gewoon om te werken op zee. Zand en grind wegbaggeren, kunstmatige eilanden opspuiten, zeebodems effenen, sleuven aanleggen voor onderzeese kabels, funderingen voor havendammen of golfbrekers bouwen: ze kunnen het allemaal. De werkschepen van Deme en De Nul vind je op alle wereldzeeën. En offshoreparken die bouw je dus op zee.  Toen onze regering een tiental jaar geleden besliste onze windmolenparken veel verder op zee te duwen, zaten de baggeraars dan ook op de eerste plaats.

Belgische ondernemingen waren pioniers in het bouwen van offshore windmolenparken

Deme pionierde bij de aanleg van het eerste deepshore park, C-Power, dat ruim 30 kilometer ver op zee werd gebouwd. De groep zou nooit meer uit de offshore verdwijnen: het investeerde in nieuwe gespecialiseerde werkschepen die de almaar grotere turbines veilig konden transporteren en overeind hijsen. Maar liefst tien nieuwe schepen heeft Deme intussen gekocht, alleen voor offshore activiteiten. Goed voor een investering van ruim een miljard euro. Elke schip is een uniek stuk, op maat gemaakt. Concurrent Jan De Nul heeft intussen ook zijn plaats veroverd in de constructie van windmolenparken: het investeerde intussen in 9 nieuwe werkschepen.

Spelers op de wereldzeeën

Die moderne schepen en technieken maken dat onze bedrijven de windparken ook almaar sneller kunnen bouwen: in 2008, bij de bouw van het eerste park, duurde het transport en de bouw van één turbine op zee nog drie weken. Nu is dat drie dagen. De werkschepen moeten ook minder over en weer naar de aanvoerhaven. De turbine van het Rentelpark is ruim twee keer krachtiger dan die van Belwind. Je moet er dus twee keer minder plaatsen voor eenzelfde vermogen.

Bovendien was het in 2008 was het ondenkbaar in ruwe weersomstandigheden op de Noordzee te bouwen: alle bouwactiviteiten lagen vanaf het najaar tot het voorjaar stil. Tegenwoordig werken de constructeurs bijna het hele jaar door,  ook tijdens de rauwe wintermaanden.  Omdat de schepen gewoon beter zijn.

De parken zijn de helft goedkoper geworden. Daardoor zijn de subsidies ook spectaculair gedaald: 2 mijard euro per park in 2008, 0 euro in 2025

Ook de bouwkost ging spectaculair naar omlaag: vandaag wordt een offshorepark de helft goedkoper gebouwd dan in 2008. Goed voor de subsidiëring van de parken.  In Duitsland en Nederland zijn parken goedgekeurd die geen cent subsidie meer vragen. Heel anders dan de eerste parken, die elk met ruim 2 miljard euro ondersteund worden.

De Belgische expertise is ook onze buurlanden opgevallen. Deme is alleen al in Europa in 67 offshoreparken betrokken. De Nul in meer dan 20. Het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland, Ierland: overal duiken de Belgische baggergroepen op. Voor onderhoud, bouw funderingen, kabels leggen of de volledige constructie van een park. Alle landen rond de Noordzee, de bakermat van de offshore windparken, doen beroep op de Belgische expertise.

Offshore windmolenparken met Belgische inbreng in West-Europa

En ook in het Verre Oosten is de expertise van de Belgen doorgedrongen: De Nul en Deme haalden contracten binnen in Taiwan en China voor vier nieuwe parken. 

Offshore windmolenparken met Belgische inbreng in het Verre Oosten

En er zijn nog andere Belgische ondernemingen actief in de offshoresector. Smulders uit Hoboken bijvoorbeeld. Lang voor de instap van de baggeraars was het metaalconstructiebedrijf al betrokken bij de eerste windmolenparken op zee.  Smulders bouwde in 2001 al de stalen sluitstukken van het Horns Ref Park in Denemarken en zou nooit meer van de markt verdwijnen. Smulders heeft intussen al voor meer dan 40 parken stalen funderingen voor turbines, onderbouw van de transformatorstations en sluitstukken gebouwd. 

Staalbedrijf Smulders bouwde al in 2001 mee aan het eerste grote offshore windmolenpark in Denemarken

Ook Engie Fabricom, CG Power Systems Belgium (bouw transformatorstations en hoogspanningssubstations) en tal van studiebureaus en onderaannemers zijn betrokken bij parken over heel West-Europa, tot in China, Japan en zelfs India.

Goed voor de werkgelegenheid

Het legt de Belgische offshore windindustrie geen windeieren. Volgens de sector zouden er op dit moment in ons land 15.000 jobs gecreëerd zijn door de windmolenparken. Deme trok 1.000 extra werknemers aan, op een totaal van 4.000: een kwart meer jobs dus, alleen door zijn offshoreactiviteiten. De Nul heeft intussen 600 vacatures ingevuld, op een totaal van circa 6.500 medewekers. En nog is het niet genoeg: beide bedrijven zijn voortdurend op zoek naar nieuwe werkkrachten. Maar jammer genoeg vinden ze die niet meer: technisch geschoolde werknemers zijn er momenteel veel te weinig in ons land.

De toekomst ziet er intussen rooskleurig uit: ons land besliste nieuwe windmolenparken te bouwen voor de westkust, en ook in andere landen worden voortdurend nieuwe projecten aangekondigd. De offshore windmolenparken hebben duidelijk de wind in de zeilen. En het ziet ernaar uit dat dat nog jaren zal duren.

De zes bladen aan boord van het werkschip