100 jaar geleden: het Duitse leger geeft de Marne op

In deze reeks brengen we grote en kleine gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog 100 jaar geleden, deze week van 25 tot 31 juli 1918: het Duitse leger is van de Marne teruggedreven, net als in het begin van de oorlog, stakingen in Britse munitiefabrieken beëindigd, grootste Britse luchtaas omgekomen, .....

De Duitse legers hebben zich volledig teruggetrokken van de Marne.

Ze hebben een nieuwe stelling ingenomen zo’n 10 tot 15 km noordelijker, voorbij de stad Fère-en-Tardenois.

Ten westen daarvan wordt bijzonder hevig gevochten voor Soissons.. De Geallieerde legers zijn de stad tot op een paar kilometer genaderd.

Door de Duitsers achtergelaten barricade in Fère-en-Tardenois (Albums Valois, BDIC). Beginfoto, gewonde Duitse krijgsgevangenen.
Franse en Italiaanse soldaten kijken naar de lijken van gesneuvelde Duitse soldaten (Albums Valois, BDIC).

De Duitse pers meldt voor de eerste keer terugtrekkingen aan het front. Er staat wel bij dat dit gebeurde “na grondige vernietiging van alle installaties die nuttig zijn voor de vijand”.

De Duitse legerberichten hebben het voortdurend over zware vijandelijke aanvallen die ofwel afgeslagen werden, ofwel waarbij het verloren terrein “grotendeels” heroverd werd.

Italiaanse soldaten verzamelen door de Duitsers achtergelaten materiaal (Albums Valois, BDIC).

Verder standhouden aan de Marne zou een gevaar voor insluiting hebben betekend, mochten de Geallieerden bij Soissons doorbreken. Bovendien hadden de Duitsers er op zich geen belang bij om daar stand te houden.

Maar symbolisch is het zeker een nederlaag.  Opnieuw, net als in het begin van de oorlog, worden de Duitse legers van de Marne teruggedreven.

Burgers worden teruggebracht naar hun dorp, Condé-en-Brie, dat pas heroverd is (Albums Valois, BDIC)
De Geallieerde terreinwinst van 18 tot 31 juli 1918 (kaart uit de New York Tribune, 1-08-1918)
Het Oostenrijkse Kikeriki blijft optimistisch: "de hoogzomer zal geen Foch-zomer worden"; de Geallieerde opperbevelhebber Foch is aan het worstelen met zijn Duitse evenknie, Hindenburg (28 juli 1918, Oostenrijkse Nationale Bibliotheek)
De Duitse keizer Willem II volgens de tekenaar van de New York Tribune (27 en 30 juli 1918, Library of Congress)

Grootste Britse luchtaas omgekomen

“Mick” Mannock, de meest succesrijke Britse oorlogsvlieger, is omgekomen.

Dat gebeurde toen Mannock aan het Leiefront in Noord-Frankrijk vrij laag boven de grond vloog, wellicht om het wrak te bekijken van een Duits vliegtuig dat hij net had neergeschoten. Daardoor kwam hij onder het vuur van de vijandelijke loopgraven te liggen.

Zijn vliegtuig vloog in brand en stortte neer achter de Duitse linies.

Majoor Eduard Mannock was 31. Bij het uitbreken van de oorlog werkte hij als technicus voor een telefoonbedrijf in Turkije. Toen Turkije aan de oorlog ging deelnemen, werd hij daar opgesloten. In gevangenschap werd hij zo ziek dat hij in 1915 naar zijn vaderland werd teruggezonden.

Mannock herstelde daarna snel en trad toe tot het Britse leger, eerst bij de medische dienst, dan bij de genie, om uiteindelijk een pilootopleiding te volgen.

Officieel heeft hij 61 erkende overwinningen in de lucht behaald. Het grootste aantal voor een Brits piloot (de Canadees Billy Bishop, die ook actief is in de Britse luchtmacht, heeft er nog meer).

Hoewel hij een van de meeste gedecoreerde Britse militairen werd, is zijn naam minder gekend dan andere “azen”, zoals von Richthofen en Guynemer. De Britten voeren minder de cultus van luchthelden dan de andere oorlogvoerende naties.

Naschrift: Mick Mannock kreeg postuum het Victoria Cross, de befaamde medaille voor uitzonderlijke moed. Hij zou door Duitsers zijn begraven, maar zijn graf werd later niet gevonden.

Einde stakingen Britse munitiefabrieken

Er lijkt dan toch een einde te komen aan de aanhoudende stakingen in de Britse munitie-industrie.

Sinds het voorjaar braken regelmatig stakingen uit onder de ca. 30.000 arbeiders in die branche.

Een van de oorzaken is het ongenoegen over het stijgende werkritme. Er werden steeds minder arbeiders vrijgesteld van militaire dienst. Bovendien was er onvrede dat ze vervangen werden door ongeschoolde arbeiders en vrouwen. Maar er is ook sprake van extreemlinkse agitatie.

© IWM (Q 54373)

De overheid heeft regelmatig beloften gedaan om de arbeidstoestanden en de sociale voorzieningen van de arbeiders te verbeteren, maar steeds braken de stakingen opnieuw uit. Ondanks dreigingen van individuele boetes voor elke dag dat een arbeider zou staken.

Uiteindelijk werd het een princiepskwestie. De regering kon niet aanvaarden dat haar gezag werd aangetast tijdens een oorlog.

De arbeiders moesten voor het einde van de maand het werk hernemen. Zo niet zouden ze naar het leger worden gezonden. Dat lijkt tot het einde van de staking te hebben geleid. Voorlopig althans.

Moord op veldmaarschalk von Eichorn

In de Oekraïense hoofdstad Kiev is generaal-veldmaarschalk Hermann von Eichorn vermoord. Hij was opperbevelhebber van een legergroep aan het Oostfront en militair gouverneur van de Oekraïne.

Von Eichorn reed in een auto op straat toen er vanuit een passerend rijtuig een bom naar hem geworpen werd. De veldmaarschalk en zijn adjudant werden zwaargewond. Ze overleden kort daarop.

Als militair gouverneur had von Eichorn de opdracht om de bezette Oekraïne zoveel mogelijk voedsel te doen leveren aan Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Dat gebeurde niet altijd goedschiks. Vaak gingen de Duitse troepen de producten op de boerderijen opeisen.

Herman von Eichhorn, centraal, in Minsk kort na de inname van de stad, maart 1918

De dader van de aanslag is aangehouden. Die behoort tot de linkse socialisten-revolutionairen, een partij die zich zowel in Rusland als de Oekraïne tegen het vredesverdrag met Duitsland kant. Meteen is een klopjacht naar medeplichtigen begonnen.

Hermann von Eichorn was 70 jaar. Het grootste deel van de oorlog was hij legerbevelhebber aan het Oostfront. Hij was een van de acht Duitse generaals die in deze oorlog de maarschalksstaf kregen. 

Nieuwe minister-president van Oostenrijk

Keizer Karel van Oostenrijk heeft Max baron Hussarek von Heinlein benoemd tot nieuwe minister-president voor de Oostenrijkse gebieden van zijn rijk. Die vormen samen met Hongarije de “dubbelmonarchie” Oostenrijk-Hongarije.
De vorige premier Seidler von Feuchtenegg nam ontslag nadat hij de steun had verloren van de Poolse fractie in het Oostenrijkse parlement. Dat was een gevolg van de vrede die met Rusland werd gesloten.

Links Hussarek von Heinlein, rechts Seidler von Feuchtenegg

Hussarek von Heinlein komt uit een familie van ambtenaren en officieren. Hijzelf is jurist en ambtenaar. Tot vorig jaar was hij minister van Onderwijs en Erediensten. In die functie erkende hij de islam als godsdienstgemeenschap in Oostenrijk.

Met de benoeming van een nieuwe premier wil de keizer een poging doen om zijn rijk grondig te hervormen ten voordele van de Slavische volkeren. De Tsjechen, Polen Slovenen en Kroaten in de dubbelmonarchie neigen steeds meer naar afscheiding en worden daarbij openlijk gesteund door de Geallieerden. Karel wil snel een hervorming waardoor die volkeren een grotere autonomie kennen.

Karikaturen van de oude (links) en de nieuwe (rechts) minister-president in Kikeriki (28 juli en 4 augustus 1918)

Vlaamse overlopers spreken op meetings

Op activistische bijeenkomsten in Vlaanderen zijn enkele Vlaamsgezinde militairen verschenen die naar de vijand zijn overgelopen.

Het gaat vooral om Karel De Schaepdrijver en Jules Charpentier. Beiden zijn in de nacht van 30 april op 1 mei van dit jaar als Belgische militairen naar de vijandelijke linies gedeserteerd. Een misdrijf waar in principe de doodstraf op staat.

Charpentier was eerder gedegradeerd wegens zijn Vlaamsgezinde activiteiten in het leger.

Staande, van links naar rechts, Karel De Schaepdrijver, Jules Charpentier en Carlos Van Sante, en andere gedeserteerde militairen ( uit het Duitse propagandablad Door Vlaanderen heen).

De overgelopen militairen werden door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt, maar snel weer vrijgelaten, om te worden ingezet voor anti-Belgische propaganda. De Schaepdrijver en Charpentier schreven enkele brochures over "wantoestanden" in het Belgische leger.  

In vlugschriften worden de Vlaamse soldaten achter de IJzer aangemaand hun voorbeeld te volgen.

Op 27 juli hield De Schaepdrijver, samen met een andere overloper, Carlos Van Sante, het woord op een grote meeting in de Nederlandse Schouwburg in Gent.

Oproep in het Gentse, aktivistische tijdschrift De Vlaamsche Smeder om deel te nemen aan de meeting in Gent (via hetarchief.be)

De activisten noemen hen “sublieme deserteurs”. Ze vergelijken hen met de Tsjechen en Slovaken uit het Oostenrijks-Hongaarse leger die naar de Geallieerden zijn overgelopen en die in de Geallieerde propaganda worden bewierookt.

Naschrift: de “sublieme deserteurs” behoorden tot de Frontbeweging, maar wat ze deden zou zonder de toestemming van die beweging zijn gebeurd, hoewel er sprake van is dat ze in opdracht handelden. Ze weken later naar Nederland uit en werden in België bij verstek ter dood veroordeeld. 

Op 16 augustus was er een gelijkaardige meeting in Leuven, waarvoor het aktivistische weekblad Uilenpiegel van Leuven een warme oproep deed.

Veroordelingen van schepenen Sint-Joost

De Duitse bezetter heeft Georges Pètre en Marcel Despret vervolgd wegens “germanofobie” of duitsvijandigheid.

Beiden zijn schepen van de kleine, dichtbevolkte Brusselse gemeente Sint-Joost-ten-Node. Tegelijk bekleden ze belangrijke functies in het Nationaal Hulp en Voedingskomiteit, dat hulp verstrekt aan de noodlijdende Belgische bevolking.

Pètre, die de inspectiedienst van het Komiteit leidt, controleerde welk Belgisch voedsel er onrechtmatig door de Duitsers wordt opgekocht. Er zijn immers afspraken daarover tussen de Duitse overheid en het Komiteit. Hij legde lijsten aan van handelaars die meedoen aan die praktijken en maakte die over aan zijn collega Despret, die als hoofd van de dienst geschillen daarover rapporten naar buitenlandse diplomaten stuurde.

Plaket ter ere van Georges Pètre in de Verbiststraat in Sint-Joost-ten-Node en zijn graf op de begraafplaats van de gemeente (die gelegen is op het grondgebied van Schaarbeek)

De Duitsers hebben zo’n lijst in handen gekregen. Volgens hen gaat het om “zwarte lijsten” van mensen die diensten leverden aan de bezetter, om na de oorlog met hen te kunnen afrekenen.  Zoiets wordt als een daad van “germanofobie” beschouwd en is volgens de Duitse bezetter strafbaar.

Despret krijgt drie maand gevangenis en 1000 mark boete, Pètre komt er vanaf met zes weken.

Naschrift: dezelfde Georges Pètre was tijdens de Tweede Wereldoorlog burgemeester van Sint-Joost en actief in het verzet. Hij werd toen op straat door Vlaamse SS’ers doodgeschoten.

Staatsgreep in Bakoe

In de stad Bakoe aan de Kaspische Zee is een einde gekomen aan het bolsjewistisch regime aldaar.

Dat regime, bekend als de “Commune van Bakoe”, ontstond in april. Het steunde vooral op de Russische en Armeense bolsjewieken, niet op de Azerbeidzjaanse moslims.

De pas gevormde republiek Azerbeidzjan eist Bakoe als hoofdstad op en heeft een bondgenootschap met Turkije gesloten. Turken en Azerbeidzjanen hebben een Islamitisch Leger van de Kaukasus gevormd dat oprukt naar Bakoe. Deze dreiging was voor de tegenstanders van de bolsjewieken in de stad de aanleiding om in opstand te komen.

Olievelden in de omgeving van Bakoe

Milities van rechtse socialisten-revolutionairen, mensjewieken en Armeense nationalisten (Dasjnaks) pleegden een staatsgreep tegen de Commune en hebben een “Centraal-Kaspische Dictatuur” ingesteld.  De meeste bolsjewistische leiders zijn gevlucht.

De nieuwe machthebbers doen een beroep op het Britse leger om het hoofd te bieden aan de Turken. De Britten gaan daarom vanuit Perzië via de Kaspische Zee een kleine strijdmacht naar Bakoe sturen.

Armeense vrijwilligers krijgen een militaire opleiding in Bakoe

Intussen zijn in de nabijheid van Bakoe de eerste gevechten uitgebroken tussen het Islamitische Leger en Russische kozakken die de stad verdedigen.

De achtergrond van deze ingewikkelde strijd wordt gevormd door de olierijkdom van Bakoe. Het bezit van de oliebronnen kan in de oorlog een belangrijke troef zijn.

Britse militairen op weg naar Bakoe vanuit Perzië