Een kapotte halogeenlamp van 300 watt.  Foto: Ildar Sagdejev (Specious)/Wikimedia Commons

De halogeenlamp verdwijnt, ze is gewoon niet energiezuinig genoeg

Halogeenlampen zijn in essentie veredelde gloeilampen: net als gloeilampen krijgen ze hun licht doordat er elektriciteit door een gloeidraad gestuurd wordt. Daardoor wordt die draad verhit en geeft hij elektromagnetische straling af, voornamelijk warmte en licht. Een halogeenlamp is iets efficiënter in het omzetten van elektriciteit in licht, en heeft een langere levensduur dan een gewone gloeilamp, maar ze is nog lang niet goed genoeg. En daarom moet, na de gloeilamp, nu ook de halogeenlamp verdwijnen van de Europese Commissie.

Een halogeenlamp is een gloeilamp waarbij een gloeidraad uit wolfraam verhit wordt in een ballon die gevuld is met een edelgas onder hoge druk, meestal krypton of xenon, waaraan een kleine hoeveelheid van een halogeen is toegevoegd, zoals iodium of broom. 

De hoge druk van het edelgas maakt dat de gloeidraad niet zo snel verdampt, en dus langer meegaat dan bij een gewone gloeilamp. Bovendien speelt er een chemische reactie, waarbij het verdampte wolfraam een verbinding aangaat met het halogeen, die daarna weer opnieuw uit elkaar valt en waarbij het wolfraam wordt afgezet op de warmste delen van de lamp, namelijk de wolfraam-gloeidraad.

Ook dat verlengt aanzienlijk de levensduur van de lamp, en het zorgt er bovendien voor dat het wolfraam niet of minder neerslaat op het glas, dat daardoor donkerder wordt en dus minder licht doorlaat. 

Een halogeenlamp (rechts) en de LED-lamp die er het alternatief voor vormt (links).  (Foto: Ralf Pfeifer/Wikimedia Commons)

Heet

Halogeenlampen werken ook aan hogere temperaturen dan gewone gloeilampen, wat nodig is voor de chemische reactie tussen het wolfraam en het halogeen. Een buisvormige halogeenlamp van 300 watt bereikt al snel een temperatuur van meer dan 500 graden, een gewone gloeilamp van 500 watt werkt aan een temperatuur van 180 graden en een gewoon lampje van 75 watt wordt zo'n 130 graden warm. 

Die hogere temperatuur maakt dat het voor mensen onzichtbare, infrarode deel van het spectrum van het licht dat halogeenlampen uitstralen, kleiner is, en het zichtbare deel groter. Dat geeft de lampen een hoger rendement dan gewone gloeilampen, en bovendien wordt het licht ook witter.

Die hogere temperaturen hebben echter ook  nadelen: doordat de ballon van een halogeenlamp gevuld is met gas onder hoge druk, moet die ballon klein zijn, en daardoor wordt het glas ook zeer snel erg warm. Er wordt dan ook speciaal glas, meestal hittebestendig kwartsglas, voor gebruikt. En omdat de ballon klein is en dicht bij de gloeidraad zit, wordt het glas toch nog vrij snel zwart, ondanks de verminderde verdamping van het wolfraam van de gloeidraad.

Doordat het glas zo warm wordt, mag men de lampen niet met de vingers beetnemen. Doet men dat wel, dan komen er vetresten op het glas, die inbranden en door verkoling bruine vlekken geven. Die vlekken veroorzaken een plaatselijke grotere verhitting, waardoor het glas van zijn normale vorm in een kristallijne, veel zwakkere vorm kan overgaan, wat de levensduur van de lamp sterk vermindert. De ballon van de lamp kan daardoor gas gaan lekken, of zelfs een bult vormen, waardoor de lamp verzwakt en eventueel kan exploderen. 

Door de hoge temperaturen vormen halogeenlampen ook een brandgevaar, en in Australië bijvoorbeeld worden elk jaar talrijke huisbranden toegeschreven aan oververhitte halogeen plafondlampen. Vanaf september 2020 zal Australië dan ook het voorbeeld van de Europese Commissie volgen en halogeenlampen verbieden. 

De Europese energielabels.

Niet zuinig genoeg

Halogeenlampen hebben dus een iets beter rendement dan gewone gloeilampen, en ze gaan ook langer mee. Toch valt na bijna 60 jaar - in 1959 patenteerde het Amerikaanse bedrijf General Electric een lamp voor dagelijks gebruik met jodium - in de EU nu ook het doek voor de meeste halogeenlampen. Hun rendement - de hoeveelheid licht die ze geven per verbruikte stroomeenheid - ligt eenvoudigweg te laag, en volgens de Europese Commissie zijn er nu voldoende zuinigere alternatieven voorhanden. 

Verlichting is immers verantwoordelijk voor een flink deel van ons energieverbruik, en dus ook van onze uitstoot van het broeikasgas CO2. Gebouwen zijn goed voor 40 procent van ons energieverbruik, en zo'n 15 procent daarvan gaat naar verlichting. 

Om het energieverbruik en de CO2-uitstoot te verminderen, werkt de EU al bijna 10 jaar aan maatregelen om energieverslindende lampen gefaseerd uit te bannen en te vervangen door zuinigere alternatieven.  

In 2009 werd aangekondigd dat niet-zuinige lampen zouden moeten verdwijnen, en eerst werden de gewone gloeilampen van 60, 75 en 100 watt verboden, in 2012 gevolgd door alle gloeilampen. Dat gloeilampen nog steeds te koop zijn en gebruikt worden, komt doordat winkels hun voorraden nog mogen verkopen, iets wat ook voor de halogeenlampen het geval is. 

Een "capsule" halogeenlampje, dat niet onder het verbod valt omdat er niet voldoende alternatieven voor zijn (Foto: Stefan Wernli/Wikimedia Commons).

Energielabel B

Lampen moeten voor de Europese Commissie in de nabije toekomst allemaal minstens het energielabel B hebben, terwijl halogeenlampen bijna altijd C of zelfs D hebben. En dus werden twee jaar geleden al een aantal types halogeenlampen verboden, en nu dus bijna al de andere. Enkel lampen waarvoor er geen goed alternatief voor handen is, zoals de buisvormige halogeenlampen met een contactpunt aan elk van de uiteinden (zie grote foto bovenaan), "capsule" lampjes, de kleine lampjes met twee lange contactpuntjes onderaan (zie foto onderaan) en zwakstroom halogeenlampjes die bijvoorbeeld in ovens gebruikt worden, vallen niet onder het verbod. 

Voor al de andere zijn er genoeg alternatieven voorhanden, vindt de Europese Commissie, en dat dan vooral in de vorm van LED-lampen, Light-emitting diodes. Een LED verbruikt, afhankelijk van de bron, slechts 10, 20 of 25 procent van een halogeenlamp en gaat bovendien veel langer mee. De gemiddelde levensduur van een halogenlamp is zo'n twee jaar, een LED gaat gemiddeld 15.000 branduren mee, wat zo'n 15 jaar tot 20 jaar kan zijn. 

Veel mensen gebruiken nu nog gewone gloeilampen en halogeenlampen in huis - meer dan 10 lampen van elk volgens onderzoek -, en volgens diverse experts loont het de moeite om die onmiddellijk te vervangen door LED's, ook al zijn die veel duurder in de aankoop. Volgens lampenproducent Philips bespaart een gezin al snel 130 euro per jaar door de omschakeling, Nederlandse specialisten houden het op een meer bescheiden 50 euro per jaar. 

De Europese Commissie maakt zich sterk dat er door de omschakeling tegen 2023 40 miljard kilowattuur bespaard zal worden aan elektriciteit, en de uitstoot van CO2 zou met 15 miljoen ton per jaar verminderen, een hoeveelheid gelijk aan wat Portugal jaarlijks uitstoot door zijn elektriciteitsgebruik. Voorwaarde is dan wel natuurlijk dat veel mensen bereid zijn om hun oude gloei- en halogeenlampen te vervangen door zuiniger exemplaren...