Waar is het "groene" Zweden naartoe?

Gisteren trokken de Zweden naar de stembus. De resultaten zijn zoals verwacht: de sociaaldemocraten halen hun slechtste resultaat in ruim een eeuw, de rechtspopulisten zijn de grote winnaar. Een ander opvallend resultaat is dat van de coalitiepartner van de sociaaldemocraten: de groenen. De Miljöpartiet krijgt een oplawaai van jewelste en zou met ruim 4 procent van de stemmen nog net het parlement halen. Een opvallend resultaat in een land dat wij als "zeer groen ervaren". Hoe komt dat? Naast een aantal interne problemen, zijn er ook redenen die je niet alleen binnen de Zweedse politiek moet zoeken. 

analyse
Jeroen Reygaert
Jeroen Reygaert is VRT-Buitenlandjournalist. Hij volgt Duitsland, Nederland en omgeving op de voet.

De Zweden zijn vooral "openbaar groen"

Wat Finland schijnt te zijn voor het onderwijs, lijkt Zweden voor het milieu: een voorbeeld. Toch is dat alles veel meer op mythe en imago gebaseerd dan op de werkelijkheid. De gemiddelde Zweed heeft een ecologische voetafdruk van ruim 6 hectare, dat is erg vergelijkbaar met Nederland en iets minder dan ons land. In vergelijking met de beschikbare ruimte doen de Zweden het uiteraard een pak beter, al ligt dat in de eerste plaats aan de hoeveelheid beschikbare ruimte en niet aan de levensstijl. 

De Zweden rijden bijvoorbeeld graag en veel, en ze doen dat gemiddeld genomen met de grootste auto’s van Europa. En ondanks het klimaat, houdt de gemiddelde Zweed het graag warm, dus op een sauna min of meer, of op een vliegvakantie naar het zuiden, wordt amper bespaard. En dan is er nog de nauwelijks te stoppen consumptiedrift: de Zweden hebben het economisch goed, de kronen mogen rollen: meubels worden – of wat had je gedacht – aangepast aan het laatste design, er wordt behoorlijk wat vlees gegeten, en wat het land zelf niet maakt, wordt geïmporteerd. 

Zweden is al "groen genoeg"

Het groene imago is in de eerste plaats te danken aan het op sommige vlakken opvallende overheidsbeleid: biobussen, ecotaxi’s en recyclage zijn er gemeengoed. Ecowijken bestaan er langer dan op de meeste andere plaatsen en de milieumaatregelen zijn er meer ingeburgerd dan elders. Bedrijven die meestappen in het ecologisch verhaal zijn er veel vanzelfsprekender. Dat is zo, dat was ook zo bij de vorige regeringen: of die centrumrechts of centrumlinks waren: wat in vele landen een strijdpunt voor ecologisten is, is in Zweden gewoon normaal.

Wat normaal geworden is, eist vanzelfsprekend minder engagement om het te bereiken. Een partij die streeft voor wat er is, trekt minder aan dan een partij die wil bereiken wat er niet is. Dat de Zweden in hun dagelijkse privéleven veel minder groen zijn dan in het openbaar, maakt de rek niet echt groter: het "tot daar wil ik wel mee, maar gekker…"-syndroom. 

Genoeg andere problemen

De natuurlijke interesse van mensen in het milieu, de wil om milieuproblemen op te lossen, hangt voor een groot stuk samen met de "mogelijkheden die ze hebben om zich daarmee bezig te houden". Het is een vrije interpretatie van de – niet onomstreden – "Groene Kuznets Curve". Die theorie stelt dat de vraag naar een "schoner milieu" toeneemt met de welvaart. Met andere woorden wordt milieu gezien als een luxegoed: wie zich dagelijks moet afvragen hoe te overleven, zal amper bezig zijn met de vraag of hij dat ook op een ecologisch verantwoorde manier doet.

Vanuit die optiek zou het logisch zijn dat de Zweden juist wel massaal met het milieu bezig zouden zijn en de groene partij in de armen zouden sluiten. Het land gaat het economisch enorm voor de wind, de welvaart ligt er hoger dan ooit, de werkloosheid is ongezien laag. Economisch gezien lijkt Zweden een land zonder problemen. 

Alleen voelt het voor de gewone Zweed niet per se zo. Als je de thema’s bij deze verkiezingen bekijkt, dan ging het in de kern over wat Zweden bedreigt in het typische "Zweden-zijn". Kort gezegd: de alom geprezen sociale zekerheid die onder druk staat en de "massale" migratie. Het geeft een deel van de Zweden op zijn minst het gevoel dat er andere katten te geselen zijn dan het milieu. Het leek plots over Zweden an sich te gaan. 

Groen regeren is vaak bont en blauw eindigen

Ook totaal los gezien van de typische situatie in Zweden, is regeren voor groene partijen nooit zonder risico. Integendeel. Mee regeren betekent immers coalities maken, compromissen sluiten en dus ook: principes laten varen. Voor partijen die gebaseerd zijn op "principes" is dat niet altijd vanzelfsprekend. Wie het wel probeert, eindigt vaak met een kater. 

Denk maar in eigen land aan het resultaat van Agalev, na de paars-groene regering-Verhofstadt I: de partij zakte ongekend weg en werd uit het parlement geschopt. Maar ook in Duitsland zijn er verschillende voorbeelden te vinden. Bij zo goed als alle recente deelstaatverkiezingen werden groene coalitiepartners zwaar afgestraft: in Rijnland-Palts raakte de partij in een klap twee derde van haar kiezers kwijt, in Noordrijn-Westfalen zowat de helft, in Nedersaksen ruim een derde. Telkens als kleinste coalitiepartner in een rood-groene regering. Vergelijkbaar met de Zweedse situatie, dus.

De verklaringen daarvoor zijn vrij simpel: voor de ene kiezer gaan de groene principiële maatregelen te ver, voor de andere niet ver genoeg, voor de coalitiepartners liggen ze moeilijk. 

Er zijn uitzonderingen, in de Duitse deelstaat Baden-Württemberg, bijvoorbeeld, waar de groene minister-president Kretschmann er wel in slaagde na zijn eerste ambtstermijn de verkiezingen te winnen. Maar Kretschmann wordt dan ook gezien als het voorbeeld van de "Realpolitiek": zo zal hij onder meer de geschiedenis ingaan als de minister-president die ooit zijn beklag deed over zijn Mercedes als dienstwagen, omdat hij die te klein vond.