Te veel studenten geneeskunde aan Franstalige kant: probleem voor minister De Block?

Na lang onderhandelen kwam het vorig jaar tot een nieuw politiek akkoord tussen Vlamingen en Franstaligen: ook in Franstalig België zou de instroom van het aantal studenten geneeskunde beperkt worden. Wat blijkt dit academiejaar? Ruim 1.000 studenten zullen de studie aanvatten. Terwijl slechts de helft ervan arts mag worden. Volgens het akkoord althans. Heeft minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open VLD) een probleem?

Sinds twee jaar organiseert het Franstalig hoger onderwijs een ingangsexamen voor de studie geneeskunde. Vorig jaar - de eerste keer - slaagden er een 600-tal kandidaten. Er volgde een storm van kritiek.

Dit jaar blijken er ruim 1.000 kandidaten geslaagd te zijn. Ze mogen allemaal beginnen, ondanks het feit dat er een politiek akkoord is om maar 505 van hen tot het beroep van arts toe te laten. De helft dus. Wat met de rest?

Wat vooraf ging

In 1997 besliste de regering om het aantal artsen te beperken. Onder meer om de kosten van de gezondheidszorg beheersbaar te houden. De beslissing werd op federaal niveau genomen; door Vlamingen en Franstaligen samen dus.

Het akkoord hield in dat vanaf 2005 jaar na jaar een vooraf bepaald aantal afgestudeerden wordt toegelaten tot een vervolgopleiding en een stage om arts te kunnen worden.

Een mouw aan passen

Terwijl het federale niveau beslist over het aantal artsen, behoort de opleiding tot het beleidsniveau van de gemeenschappen. Er is een Vlaamse minister van Onderwijs en de Franstalige minister van Hoger Onderwijs. Zij zijn verantwoordelijk voor de instroom van artsen.

In Vlaanderen werd al snel een ingangsexamen ingevoerd om het aantal studenten te beperken. Aan Franstalige kant deden ze dat niet. Daardoor waren er jaar na jaar meer Franstalige studenten met een basisdiploma geneeskunde dan voorzien. Daar werd een mouw aan gepast: ze mochten toch arts worden.

Voorafname

Omdat er dus meer Franstalige artsen bijkwamen dan afgesproken, werd het gezien als een soort voorafname van de beschikbare plaatsen. Plaatsen die pas voor de volgende jaren bedoeld waren, mochten al ingenomen worden. Het evenwicht zou later hersteld worden.

Maar plots, twee jaar geleden, bleek de limiet van de voorafnames bereikt: van de Franstalige studenten in hun laatste masterjaar dreigde niemand nog aan de vervolgopleiding te kunnen beginnen. 

Een nieuw akkoord

Om de studenten niet in de kou te laten staan, werkte de huidige minister van Volksgezondheid De Block een oplossing uit. De voorwaarde was wel dat er aan Franstalige kant een "werkzame filter" zou komen.

Volgens de minister is er overeengekomen "dat de filter efficiënt moet zijn. Er moet met andere woorden een evenwicht zijn tussen de in- en de uitstroom." 

Ook een ingangsexamen

Het eerste ingangsexamen aan Franstalige kant vorig jaar beperkte meteen het aantal studenten tot een 600-tal. Maar dit jaar slaagden er al meer dan 1.000 kandidaten, voor 505 plaatsen als arts.

Franstalig minister van Onderwijs Marcourt (PS) wuift het probleem weg: "Het ingangsexamen wordt georganiseerd door de academici. Zij hebben autonomie. Wie slaagt voor hun proeven, mag beginnen. Dat is academische vrijheid." 

Op de vraag wat er dan moet gebeuren met de honderden afgestudeerden die geen arts mogen worden, antwoordt de minister: "Dat is een probleem voor het federale niveau."

Probleem opgelost?

Bij het kabinet-De Block klinkt het dat een deel van de studenten sowieso de opleiding niet zullen afmaken. "En een deel gaat met dat basisdiploma geneeskunde aan de slag in een ander beroep, nog andere vertrekken naar het buitenland." Vraag is of dat voor 500 studenten zo zal zijn.

"Ik hoop dat minister Marcourt dit goed inschat", vult De Block aan "want hij draagt hier wel een belangrijke verantwoordelijkheid, zowel tegenover de studenten zelf als tegenover de ouders die de studie betalen." En ook nog: "Het is niet de bedoeling dat we binnenkort opnieuw een oplossing moeten zoeken voor een overtal aan studenten."

Waarom het aantal artsen beperken?

Daarvoor zijn volgens De Block twee redenen.

  • De vervolgopleiding tot arts vraagt een goede omkadering. Als er te veel kandidaten zijn dan zou dat ten koste gaan van de kwaliteit "omdat ze dan onmogelijk voldoende praktijkervaring opdoen met de patiënt."
  • Als er een overaanbod binnen bepaalde specialisaties zou komen, dan werkt dat overconsumptie van zorg in de hand. Wat meer kosten voor de gezondheidszorg zou betekenen. Of dan zouden er artsen zijn die te weinig patiënten zien om "bij te blijven."