19e eeuwse bustes van verschillende mensentypes in het Musée de l'Homme.

Verschillende bevolkingsgroepen hebben verschillende lichamelijke kenmerken en gezondheidsproblemen

Het Rode Kruis heeft een oproep gedaan voor stamceldonoren van Afrikaanse of Turkse afkomst, omdat stamcellen van westerse mensen voor hen niet geschikt zijn. Afrikaanse of Turkse mensen hebben een ander afweersysteem dan westerlingen, en daardoor hebben ze stamcellen uit de eigen bevolkingsgroep nodig. Dat roept de vraag op of er nog opvallende verschillen zijn op het gebied van lichamelijke kenmerken en gezondheidsproblemen tussen verschillende bevolkingsgroepen. 

Biologisch gezien bestaan er binnen Homo sapiens geen rassen: alle mensen behoren tot hetzelfde ras. Alle mensen op aarde stammen overigens af van een kleine groep mensen, enkele duizenden zo wordt geschat, die zo'n 70.000 jaar geleden in Afrika een ramp overleefd hebben die de mens bijna uitgeroeid had. Dat blijkt ook uit de geringe genetische diversiteit bij de mens: mensen zijn genetisch veel minder divers dan de meeste andere zoogdieren. Chimpansees bijvoorbeeld, ook al leven die slechts in een klein gebied in Afrika en hebben ze slechts een kleine populatie, zijn genetisch veel verscheidener dan alle mensen op aarde. 

Oorspronkelijk leefden alle mensen samen in Afrika, en vormden ze één "ras". Alle verschillen die wij als verschillen tussen rassen zien, de huidskleur, de vorm en de kleur van het haar en de gelaatstrekken, vinden hun oorsprong zo'n 60.000 jaar geleden, toen de eerste mensen Afrika verlieten en naar het noorden trokken. 

De zwarte huid van de emigranten belemmerde de productie van vitamine D onder invloed van de zon, en dus kregen mutaties voor een lichtere huid de kans zich in de populatie te verspreiden in gebieden waar de zon minder fel scheen dan in Afrika. De mensen die door Europa trokken, vermengden zich met de neanderthalers die daar leefden, de mensen die in Afrika bleven, deden dat niet. Als een gevolg daarvan hebben alle mensen buiten Afrika een klein deel neanderthal DNA in hun genoom - er wordt geopperd dat we daar blauwe ogen en ros haar van gekregen hebben, anderen zien blauwe ogen als een van de weinige kenmerken die enkel Europeanen hebben, als gevolg van een mutatie.

Blond haar heeft zich blijkbaar een aantal keer los van elkaar ontwikkeld, en het komt voor in Europa, bij de Australische aboriginals, in Oceanië en in Azië, waar het vooral bij kinderen voorkomt en het haar later donkerder wordt. 

De mensen die hun tocht voortgezet hebben naar en in Azië, en uiteindelijk Oceanië, hebben zich dan weer vermengd met de mysterieuze denisova-mensen, en sommige Aziatische bevolkingsgroepen, de inheemse bewoners van Amerika, Melanesiërs en Australische aboriginals hebben denisova-DNA in hun genoom, Afrikanen en Europeanen niet. 

Naarmate verschillende groepen verder trokken en geografisch geïsoleerd raakten van elkaar, kwamen er meer verschillen. Zo kregen Aziaten de typische amandelogen, waarschijnlijk als bescherming tegen de kou in Mongolië, en werden Maleisiërs, die opnieuw naar de tropen trokken, opnieuw donkerder van huid, terwijl de Inuit in het hoge noorden net lichter werden.

Naast die zichtbare verschillen ontstonden er ook andere genetische verschillen, maar opvallend is dat de meeste genetische verschillen, zo'n 75 tot 85 procent, toch binnen bevolkingsgroepen te vinden zijn, tussen mensen van dezelfde bevolkingsgroep dus. Zo'n 5 tot 10 procent van de verschillen zijn te vinden tussen bevolkingsgroepen op hetzelfde continent, en 6 tot 10 procent tussen bevolkingsgroepen op verschillende continenten, zo blijkt uit verschillende studies. En slechts een handvol genen op de naar schatting 19.000 tot 20.000 genen die bij de mens instaan voor de vorming van proteïnen, bepalen de uiterlijke kenmerken die wij toeschrijven aan rassen. Biologisch gezien stelt dat dus niet veel voor. 

(Foto: Ibex73/Wikimedia Commons/CC BY-SA 4.0)

Haplogroepen, wijsheidstanden en oorsmeer

Dat gezegd zijnde, zijn er wel degelijke statistische verschillen in het voorkomen van bepaalde kenmerken en bepaalde ziekten tussen bepaalde bevolkingsgroepen. 

Een eerste concreet voorbeeld zijn de haplogroepen, groepen van mensen met hetzelfde haplotype. Dat zijn mensen die genetisch verwant zijn op basis van hun haploïde DNA, DNA zoals dat slechts op één enkel chromosoom voorkomt. Voor de bevolkingsgroepen worden hiervoor meestal het haplotype van het Y-chromosoom gebruikt voor de mannelijke kant, en de haplotypes van de mitochondriën voor de vrouwelijke kant. Van het Y-chromosoom is er maar één, zijn tegenhanger is een X-chromosoom, en de mitochondriën zijn de "energiefabriekjes" van de cellen die alleen langs moederkant worden doorgegeven en die hun eigen DNA hebben.  

Op basis daarvan komt men tot een aantal categorieën, voor het mitochondriaal DNA zijn dat bijvoorbeeld: Zuid-Europeanen: J, K; Noord-Europeanen: H, T, U, V, X; Midden-Oosten: J, N; Afrikanen: L, L1, L2, L3; Aziaten: A, B, C, D, E, F, G; inheemse Amerikanen: A, B, C, D, X

Ook voor de mannelijke kant zijn er een aantal categorieën en op basis daarvan kan men bijvoorbeeld volksverhuizingen in het verleden nagaan of iemands afkomst met een grote mate van waarschijnlijkheid bepalen. Zo zal iemand met een haplogroep E1b1a (V-38) langs vaderskant en L1 langs moederskant hoogstwaarschijnlijk afstammen van zwarte Afrikanen. Een DNA-staal met Q-M120 langs vaderskant en groep F langs moederskant zal dan weer zo goed als zeker toebehoren aan iemand uit Oost-Azië, een Han Chinees, een Japanner, een Koreaan of een Mongool. 

Minder ingewikkelde maar opmerkelijke voorbeelden van verschillen zijn te vinden in onze tanden. Zo verschilt het al dan niet krijgen van wijsheidstanden of verstandskiezen aanzienlijk naargelang van de bevolkingsgroep: bijna alle oorspronkelijke inwoners van het Australische eiland Tasmanië krijgen wel wijsheidstanden, terwijl dat bij de oorspronkelijke inwoners van Mexico bijna niemand is. In het Verenigd Koninkrijk heeft bijna 13 procent van de bevolking geen last van wijsheidstanden, in Duitsland bijna 21 procent. 

Een laatste voorbeeld van niet onmiddellijk zichtbare lichamelijke kenmerken die verschillen bij bevolkingsgroepen, is het oorsmeer. Er bestaan twee soorten oorsmeer, nat en droog of korrelig. Oost-Aziaten en de inheemse bewoners van Amerika hebben doorgaans droog oorsmeer, Afrikanen en Europeanen nat. 30 tot 50 procent van de mensen uit Zuid- en Centraal-Azië en de eilanden in de Stille Zuidzee hebben droog oorsmeer.

Voorstelling van een Berber, een Nubiër, een Aziaat en een Egyptenaar in het graf van farao Seti I.

Gevoeligheid voor ziektes

Bij bepaalde bevolkingsgroepen komen bepaalde aandoeningen meer voor dan bij andere. 

Dat is onder meer het geval met een aantal erfelijke ziektes, die doorgaans geen symptomen geven als de patiënt maar één abnormale vorm van het hemoglobinegen geërfd heeft, en die dan zelfs een zekere mate van bescherming bieden tegen malaria. De ziektes komen dan ook meer voor bij mensen uit gebieden waar malaria woedt of woedde. Zo komen 80 procent van de gevallen van sikkelcelziekte voor in zwart Afrika, en de ziekte komt ook voor in delen van India, het Arabische schiereiland en bij mensen van Afrikaanse afkomst. Thalassemie is een andere bloedziekte die vooral voorkomt in een aantal gebieden rond de Middellandse Zee, en ook in het Midden-Oosten, delen van Azië, Suriname en ook in Afrika. 

Taaislijmziekte is dan weer de meest voorkomende levensverkortende autosomaal recessief overerfbare ziekte bij mensen van (Noord-)Europese afkomst, van wie ongeveer 1 op de 25 mensen drager is, en komt het minst voor bij Aziaten en  Afrikanen. En ook het syndroom van Asperger, een autismespectrumstoornis, komt bijna niet voor bij Afrikanen, wel bij Europeanen en Aziaten. 

Lactose-intolerantie, het onvermogen om de melksuiker lactose te verteren, komt in Noord-Europa slechts bij 5 procent van de bevolking voor, in Azië en Afrika is dat wel 90 procent, met als uitzondering een aantal Afrikaanse bevolkingsgroepen die van oudsher runderen hielden. 

Een extreem voorbeeld tenslotte is de ziekte van Tay-Sachs, een zeldzame erfelijke stofwisselingsziekte. In de Verenigde Staten wordt in de bevolking in haar geheel 1 op de 320.000 baby's geboren met de ziekte, bij de Asjkenazische Joden is dat 1 op de 3.500 baby's. En ook bij de Cajuns in Louisiana en de Frans-Canadezen komt de ziekte ongeveer evenveel voor als bij de Asjkenazi.