Video player inladen ...

100 jaar geleden: koning Albert kiest voor het offensief

Op 28 september 1918 gaat het Belgisch leger in de aanval samen met de Britten en de Fransen. Koning Albert heeft zich jarenlang verzet om met zijn troepen deel te nemen aan een grote offensieve operatie. Maar in augustus 1918 begint de vorst anders te denken.

De Duitse voorjaarsoffensieven van 1918 zijn aanvankelijk succesvol maar komen tot stilstand op 15 juli. Drie dagen later nemen de geallieerden het initiatief over aan de Aisne. Opeenvolgende offensieve operaties verplichten de Duitsers aan het Franse front om zich stapsgewijs terug te trekken.

Deze langzame terugtocht is in het begin nog strak georganiseerd en onder controle, tot op 8 augustus de geallieerden overgaan tot een groot offensief in de omgeving van Amiens. Generaal Erich Ludendorff zal na de oorlog in zijn memoires spreken van de zwartste dag in de oorlog voor het Duitse leger.

Albert bij zijn troepen aan het front ( KLM)

 

8 augustus 1918 is tevens een scharniermoment in het denken van koning Albert. Tot dan heeft hij elke vraag van de geallieerden om een grote offensieve operatie uit te voeren geweigerd. Albert is zich terdege bewust geworden gedurende die vier jaren stellingoorlog achter de IJzer van de offensieve zwakte van zijn leger en vooral van de beperkte reserves in mankracht die hij tot zijn beschikking heeft.   

De koning schouwt zijn troepen op het strand van De Panne, eind 1914 ( KLM )

Elke militair die het leven verliest is een ramp voor het Belgisch leger. Niet enkel uit humanitaire overwegingen maar ook omdat er maar weinig rekruten klaarstaan. Het grootste deel van het land leeft immers onder de Duitse bezetting en de duizenden enthousiaste vrijwilligers, die op gevaar van lijf en leden via Nederland het Belgisch leger vervoegen, zijn ruim onvoldoende om de te verwachte grote verliezen in offensieven te compenseren.

Albert I en zijn militaire raadgever, majoor Emile Galet, in de Dodengang in Diksmuide ( KLM )

Koning Albert, die op de hoogte is van het geallieerde succes van  augustus, spreekt voor de eerste keer in de oorlog aanvallende taal in een gesprek met zijn militaire raadgever en vertrouwenspersoon, majoor Emile Galet. Deze is steeds tegenstander geweest van Belgische offensieven en heeft de koning gedurende vier jaar sterk beïnvloed. Ook nu is Galet hevig gekant tegen offensieve operaties. Zelfs wanneer Albert hem ’s anderendaags opnieuw in dezelfde zin spreekt, beseft Galet niet dat er zich een kentering heeft voorgedaan in het denken van de koning.

Het Belgische front, dat grotendeels door water is beschermd, is geen evident terrein voor offensieven (KLM)

In opdracht van Albert onderzoekt het Belgisch Groot Hoofdkwartier of het geen offensief kan organiseren van korte duur en op een eerder bescheiden schaal: twee legerafdelingen (of vier infanteriedivisies) ten noorden en ten zuiden van Diksmuide. Maar de sterke Duitse posities doen het Groot Hoofdkwartier snel besluiten dat de kans op succes minimaal is en de verliezen te zwaar zullen zijn.

Koning Albert en maarschalk Ferdinand Foch in gesprek op de trappen van het Britse hoofdkwartier in Montreuil-sur-Mer (Albums Valois, BDIC)

De eerste week van september neemt de druk op de Belgische legerleiding toe: zowel de Britse opperbevelhebber, maarschalk Douglas Haig, als de geallieerde opperbevelhebber, maarschalk Ferdinand Foch, dringen aan op een Belgisch offensief.

De koning in gesprek met maarschalk Douglas Haig bij de inhuldiging van een monument voor de London Scottish Regiment in Mesen in 1919 (collectie Haig, National Library of Scotland)

Foch stelt op 8 september zijn plan op voor een offensief in Vlaanderen. De Duitse linie dient doorbroken te worden om onmiddellijk de Vlaamse Heuvelrug te veroveren. Deze positie zal als vertrekbasis dienen om zonder rustpauze door de stoten naar Brugge en zodoende de Duitse communicatielijnen met de kust af te snijden. In feite is dit een kopie van het plan dat Douglas Haig voor ogen had in 1917 en dat leidde tot de bloedige mislukking van de  Derde Slag om Ieper.

Maar Foch voegt nog een tweede opdracht toe: een gelijktijdig doorstoten naar Komen, de Leie en daarna richting Gent. Om aan te sluiten bij de geallieerde offensieven in Frankrijk, voorziet Foch het offensief in Vlaanderen tussen 20 en 25 september. Foch hamert in zijn plan op drie essentiële elementen: de verrassing, een absolute geheimhouding (enkel stafofficieren mogen op de hoogte zijn) en de snelheid.

Schets van de plannen van maarschalk Foch (uit Marcel Weemaes, Van de IJzer tot Brussel, 1972)

Toevallig laat de Belgische stafchef, luitenant-generaal Cyriaque Gillain, dezelfde dag een Belgisch plan voor een offensief overhandigen aan Foch. Dit plan is veel kleinschaliger en staat vol bezwaren om ambitieuze objectieven te voorzien. Bovendien twijfelt Gillain er aan of het Belgisch leger wel in staat is om na de verovering van de Vlaamse Heuvelrug nog verdere operaties uit te voeren. Klap op de vuurpijl: in het Belgisch plan kan het offensief slechts van start gaan op 1 oktober. Foch verwijst dit plan dan ook onmiddellijk naar de prullenmand.

Links, luitenant-generaal Cyriaque Gillain (KLM), rechts de Franse generaal Jean-Marie Degoutte (BnF Gallica)

 Op 9 september ontmoet koning Albert maarschalk Foch in De Panne. Enkel de Belgische stafchef, generaal Cyriaque Gillain, is bij dit gesprek aanwezig. Majoor Galet is zelfs niet uitgenodigd. Galet beseft op dat ogenblik dat hij geen enkele invloed meer heeft op de koning en dat hij opzij is geschoven. Na de oorlog zullen Albert en Galet hun meningsverschillen bijleggen.

Foch stelt Albert voor dat deze het bevel zou voeren over de op te richten Legergroep Vlaanderen, die zal bestaan uit het volledige Belgisch leger, het Tweede Britse Leger en enkele Franse divisies die zullen dienen als reserve. Albert aanvaardt het opperbevel over de Legergroep Vlaanderen maar vraagt, tot ergernis van Galet, dat de Franse generaal Jean-Marie Degoutte hem als stafchef zou worden toegewezen. Met dit opmerkelijk verzoek schuift Albert zijn eigen stafchef opzij.

Belgische militairen aan het front bij een mortier, de man rechts observeert de vijandelijke positie om het mortier te kunnen richten (KLM)

Het koninklijk wantrouwen blijk terecht: na Galet begint nu ook Gillain tegen te stribbelen. Hij blijft beweren dat een uitbraak vanaf de Vlaamse Heuvelrug onmogelijk is.

Koning Albert heeft hier geen oren naar. Hij is duidelijk overtuigd door Foch en heeft de verzekering gekregen dat de Britse en Franse hulp aan het Belgisch leger meer dan voldoende zal zijn om een sterke legergroep samen te stellen. Het Belgisch succes bij de Slag van Merkem op 17 april 1918, heeft hem ook meer vertrouwen gegeven in de veerkracht en kunde van zijn leger.

Belgische militairen in de omgeving van het pas heroverde Passendale, 28 of 29 september 1918 (KLM).

De staf van het Belgisch leger plooit uiteindelijk voor de wil van de koning en begint aan de voorbereidingen van het offensief.

Op 21 september ontvangt Albert zijn nieuwe stafchef, generaal Degoutte. Er wordt overeengekomen om het offensief te starten op 27 september. Uiteindelijk zal dit een dag later plaatsvinden.

Koning Albert en koningin Elisabeth rijden in triomf een pas bevrijd stadje binnen, oktober of november 1918 (archief Koninklijk Paleis).

Meer nieuws