Van voetballer tot jonge wielergod, hoe uitzonderlijk is Remco Evenepoel?

Remco Evenepoel is nu al – achttien jaar oud – een fenomeen. Om de manier waarop hij zich twee keer op twee dagen tijd tot wereldkampioen wielrennen kroonde. Ook omdat hij daarvoor behoorlijk voetbalde, bij de U17 van Anderlecht en de jonge Duivels. Indrukwekkend, maar nu ook weer niet helemaal uitzonderlijk. De kans dat een voetballer wielrenner wordt is groter dan dat een gewichtheffer plots olympisch kampioen op de marathon wordt. Veel heeft te maken met de spieren.

Laten we even bijdragen aan de hoerastemming in België om een nieuw Wunderkind, met een anekdote die bijdraagt tot de legendevorming. Toen Stéphane Stassin, ex-profvoetballer van Anderlecht en nu jeugdtrainer in Neerpede, meeliep in de Brusselse marathon, werd hij op zijn schouder getikt: zijn toenmalige pupil Remco Evenepoel.

Stassin, die meeliep voor de liefdadigheid, was nochtans voor het pak vertrokken. En nadat de Kenianen hem voorbijzoefden, niet veel later dus ook Evenepoel, die vooraan de race zou eindigen. Op zestienjarige leeftijd. Ondanks het feit dat hij de dag voordien nog een wedstrijd met Anderlecht gespeeld had. Doe hem dat maar na. 

Anderen gingen hem voor

Is dat indrukwekkend? Ja natuurlijk. Is dat uitzonderlijk? Jawel, maar er zijn anderen die Evenepoel de succesvolle switch tussen twee sporten voordeden.

Greg Van Avermaet, nog meer dan Evenepoel wielergod van beroep, was in zijn jonge jaren keeper van SK Beveren, bekend om zijn keeperschool trouwens. Ook niet min dus. De Amerikaan Eric Heiden won vijf olympische medailles in het schaatsen en reed daarna, in 1986, de Tour de France. Lance Armstrong was zowaar triatlonkampioen voor hij zeven keer uit de tabellen van de Tour de France geschrapt werd.

Lev Jasjin, de legendarische keeper van Dynamo Moskou én de USSR – volgens de romantische overlevering plukte de Zwarte Panter voorzetten vanop de flank met één hand uit de lucht – is nog zo’n voorbeeld. Keeper van de nationale voetbalploeg én keeper van de nationale ijshockeyploeg.

Voor anderen lukte het minder goed. Basketballer Michael Jordan probeerde het in het baseball, maar raakte niet verder dan de Minor League. Het toont hoe moeilijk de switch is: als het Jordan al niet lukt, en die is toch één van de allergrootste atleten ooit, wat moet een normale sterveling dan gaan klaarspelen. En van Usain Bolt, weergaloos spurter, gelooft niemand dat hij ondanks zijn pogingen ooit een weergaloos voetballer wordt. 

Greg Van Avermaet was ooit jeugdkeeper bij SK Beveren, geroemd om zijn keepersschool 2016 Getty Images

Talent. En spieren

Wat maakt dat een sporter succesvol de overstap kan maken?

Talent, natuurlijk. Aanleg om zich de techniek van een bepaalde sport eigen te maken, een hoogst ontastbaar goed. (Wat overigens vrij makkelijk lukt in het wielrennen, op zich geen al te technische sport.)

Maar – en dat is een stuk tastbaarder – de atletische constitutie van een persoon. Sommige mensen hebben spieren met slow twitch, anderen met fast twitch. Wat wil zeggen: rode spiervezels die traag samentrekken, of witte spiervezels die snel samentrekken. Wie veel witte vezels heeft, is snel en explosief. Wie er veel rode heeft, heeft een grote uithouding.

“Voetbal”, zegt Paul Van Den Bosch, topcoach bij Energy Lab en ooit ook coach van Sven Nys en vele andere atleten, “is meer uithoudingssport dan sommigen denken. Voetballers lopen tien of zelfs twaalf kilometer op anderhalf uur, maar moeten ook explosief zijn en sprongkracht hebben. Je hebt dus witte én rode vezels nodig, maar toch vooral witte. Bij het wielrennen heb je meer rode vezels nodig. Renners leveren inspanningen van drie, vier of zelfs zeven uur en meer.”  

Een sporter als Evenepoel heeft het allebei, en dat maakt van hem een bijzonder begaafde sporter. Al in zijn periode bij Anderlecht wezen zijn trainers op zijn uitzonderlijke uithouding (ook al voegt de club eraan toe dat hij wellicht nooit het fanion team ging halen). Hetzelfde trouwens met Greg Van Avermaet, die als keeper de veldvoetballers in zijn ploeg aftroefde op fysiek vlak. 

Paul Van den Bosch, coach van Sven Nys

Snelheid is een talent, uithouding kun je trainen

Maar kun je écht tegelijkertijd goed zijn in een sport waar snelheid belangrijk is en in een sport waar uithouding primeert? Moeilijk. Je merkt dat sporters die in twee discplines uitblinken, dat vooral doen in sporttakken waar je eenzelfde constitutie voor nodig hebt. Schaatsers die wielrennen bijvoorbeeld. Schaatser Bart Swings bijvoorbeeld is ook een uitstekend wielrenner.

Maar als de overstap lukt, dan maar in één richting: van witte naar rode vezels, en niet omgekeerd. Van Den Bosch: “Snelheid is een talent, uithouding kun je trainen.” Een spurter kan een marathonloper worden, maar een marathonloper geen spurter. En dus kan ook een voetballer met een goede uithouding topwielrenner worden. Maar het blijft wel indrukwekkend, natuurlijk.