Een deel van de beschrijving van de Nobelmedaille van fysicus Kenneth G. Wilson in de veilingcataloog.

Het is makkelijker een Nobelprijs kwijt te spelen dan er een te winnen

Deze week beginnen weer de traditionele bekendmakingen van de Nobelprijzen, en iedereen weet dat het niet makkelijk is om een Nobelprijs te winnen. Het vraagt meestal briljante ingevingen, en jaren van toewijding en hard werk. Eens een Nobelprijs is toegekend, kan hij niet meer ingetrokken of afgenomen worden, maar de prijs bestaat uit twee delen: enerzijds een geldsom, die afhankelijk is van de categorie, en anderzijds een oorkonde en een gouden medaille. En die laatste kunnen Nobelprijswinnaars al wel eens kwijtspelen, tijdelijk of zelfs definitief. Ze kunnen gewoon verkocht worden, gestolen, geleend of zelfs opgelost in zuur.

In de 117 jaar dat de Nobelprijs bestaat, zijn er zo'n 900-tal uitgereikt, en dus ook een 900-tal medailles. De medaille voor de Nobelprijs voor de Vrede, die geslagen wordt door de Nationale Munt van Noorwegen, bestaat uit 150 gram goud van 18 karaat, tot 1979 was dat 23 karaat. Het goud zelf is momenteel zo'n 5.000 euro waard, maar het is uiteraard het feit dat er maar zo weinig Nobelmedailles bestaan dat ze hun waarde geeft. En het feit dat ze zo weinig verkocht worden. In totaal zijn er nog maar een 20-tal van geveild. 

Maar er worden er dus al wel eens verkocht, meestal door de nabestaanden van overleden Nobelprijswinnaars. Met wisselend succes. 

Zo werd de medaille die de Franse politicus Aristide Briand in 1926 kreeg voor zijn rol in de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland na WO I, in 2008 verkocht aan een museum voor slechts 12.200 euro. De medaille van de Brit William Randal Cremer, die de vredesprijs won in 1903 voor zijn werk in de internationale arbitrage, deed het maar iets beter en veranderde in 1985 voor iets meer dan 14.500 euro van eigenaar. 

De laatste jaren is daar echter verandering in gekomen, en zijn er verschillende Nobelprijzen voor fysica, scheikunde en economie verkocht voor prijzen tussen 250.000 en 350.000 euro. 

Nog beter deed de medaille van de Belg Auguste Beernaert het. Beernaert kreeg in 1909 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn inspanningen om arbitrage toe te passen in internationale conflicten, en voor zijn strijd tegen de slavernij en de uitbuiting in Congo. Zijn medaille bracht bijna 570.000 euro op. Met de vredesprijs van de Argentijn Carlos Saavedra Lamas, van wie de medaille overigens in een pandjeshuis was teruggevonden, werd het miljoen bereikt: 1,16 miljoen dollar werd er voor betaald, 999.380 euro. 

Watson, de "Trump onder de geleerden"

Het echt grote geld blijkt evenwel te zitten in de geneeskunde, al zal de naambekendheid ook wel een rol gespeeld hebben. 

In 2013 verkochten de nabestaanden van de Britse geleerde Francis Crick de medaille die hij in 1962 gekregen had. Crick kreeg dat jaar de Nobelprijs voor Geneeskunde, samen met zijn landgenoot Maurice Wilkins en de Amerikaan James Watson, voor hun rol in de ontdekking van de dubbele helix structuur van DNA, en de medaille bracht bijna 1,5 miljoen op. Ze werd gekocht door de CEO van een Chinees biomedisch bedrijf die er zijn werknemers mee wilde inspireren.

Mogelijk aangemoedigd door dat succes, besloot zijn medewinnaar James Watson het volgende jaar om ook zijn medaille te verkopen, de eerste keer en ook een van de weinige keren dat een levende Nobelprijswinnaar zijn medaille verkocht heeft. Watson stond al bekend om zijn seksistische uitspraken, en in 2007 had hij in een interview gezegd dat Afrikanen minder intelligent zijn dan blanken, en "dat mensen die met zwart personeel werken dat ook weten". Sindsdien was hij een pariah in de wetenschappelijke gemeenschap, en hij was ontslagen uit een aantal raden van bestuur van bedrijven. Daarom had hij geld nodig, zo zei hij, en hij wilde bovendien graag  een schilderij kopen van de beroemde Britse pop art kunstenaar David Hockney. 

De medaille van Watson ging van de hand voor 4,1 miljoen euro op de veiling, waarvan er na betaling van veilingkosten en taksen zo'n 3,5 miljoen overbleven voor Watson. Niet slecht, vooral gezien het feit dat de Russische oligarch die de medaille gekocht had, ze ook nog eens teruggaf aan Watson. 

"Watson had mogelijk een grotere naambekendheid bij de mensen, alleen al door een aantal dingen die hij gezegd heeft. Hij is nogal controversieel, hij is de Donald Trump van de wetenschappelijke wereld", zei Francis Wahlgren van het veilighuis Cristie's over de zaak.

Nog in leven zijn als de medaille verkocht wordt, blijkt overigens wel te helpen. Zo kreeg de Amerikaanse natuurkundige Leon Lederman in 2015 660.000 euro voor de medaille die hij in 1988 had gekregen.

Maar soms worden verkopers ook teleurgesteld: zo trok de familie van de Amerikaanse schrijver William Faulkner de medaille die hij in 1949 gekregen had, terug uit de veiling, toen bleek dat het half miljoen dollar dat de familie gehoopt had te krijgen, niet bereikt werd. 

Gestolen

Een aantal keren zijn er ook medailles gestolen, maar meestal worden ze teruggevonden. Dat was het geval met de medaille die de Britse Kay Miller in 1985 had gekregen voor haar aandeel in de activiteiten van de International Physicians for the Prevention of Nuclear War. De medaille werd datzelfde jaar al gestolen, maar even later teruggevonden. 

In 2007 werd de Nobelprijs voor Fysica uit 1939 van de Amerikaanse professor Ernest Lawrence gestolen en teruggevonden, en in 2017 gingen dieven in India aan de haal met de medaille die de winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede Kailash Satyarthi in 2014 gekregen had. Dachten ze, want in werkelijkheid ging het om een replica, de echte medaille stond in een museum tentoongesteld, en zelfs de replica werd snel teruggevonden. 

Minder goed verging het de medaille die de Indische schrijver Rabindranath Tagore in 1913 had gewonnen. Die werd uit een museum gestolen in 2004, en is tot nu toe nog niet teruggevonden. 

Ook het Franse Ecomusée de Saint Nazaire had minder geluk. Het was dat museum dat in 2008 de medaille van Aristide Briand voor een prikje op de kop had kunnen tikken, maar in 2015 werd ze gestolen en nooit teruggevonden. 

Dat is eveneens het geval met de Nobelprijs voor de Vrede die een van de stichters van de Britse Labourpartij, Arthur Henderson, in 1934 had gekregen. Die medaille werd in 2013 gestolen bij een raid op het gemeentehuis in Newcastle, en is nog steeds spoorloos.  

In beslag genomen

In 2009 beschuldigde de Iraanse advocate en mensenrechtenactiviste Shirin Ebadi Teheran ervan een aantal van haar bezittingen in beslag genomen te hebben wegens onbetaalde belastingen. 

Het ging onder meer om de inhoud van een bankkluis waarin haar medaille van de Nobelprijs voor de Vrede uit 2003, en haar medaille van het Franse Légion d'Honneur zaten. 

De Iraanse autoriteiten ontkenden alles, maar nadat er internationaal verontwaardigd gereageerd was, kreeg Ebadi haar medailles terug. 

Gouden oorlog

De namen van de laureaten worden op de achterkant van de Nobelmedailles gegraveerd, behalve bij die voor de Vrede en voor de laatkomer Economie. Daar staan ze op de rand van de medaille gegraveerd, en dan kan het al wel eens gebeuren dat de medailles verwisseld worden. 

Dat was het geval bij de Nobelprijs voor Economie in 1975, die gedeeld werd door de Rus Leonid Kantorovich en de Amerikaan Tjalling Koopmans. Die gingen naar huis met elkaars medaille, zo bleek, en door de Koude Oorlog die toen volop woedde, nam het vier jaar van diplomatiek overleg in beslag voor de medailles eindelijk bij de juiste eigenaars terechtkwamen. 

Indruk maken op de vrouwen

In december 1999 brak er paniek uit in een suite van het Grand Hotel in Oslo. De vredesmedaille die even daarvoor was uitgereikt aan Artsen zonder Grenzen, was verdwenen. 

Het duurde tot de volgende ochtend voor de medaille opnieuw terecht was, en wat bleek? Een aantal leden van de Franse delegatie van AzG had de medaille "geleend", om er indruk mee te maken op de vrouwen in de bars in Oslo, waar ze hun prijs uitgebreid waren gaan vieren. 

"Je kon de sporen van de tanden zien van iedereen die wilde zien of de medaille wel echt goud was", zo schreef Morten Rostrup, een lid van de Noorse delegatie, in 2006 in een boek. "Maar ze zouden wel meer nodig gehad hebben dan een Nobelmedaille om te scoren", zo zei hij later aan het Franse persbureau AFP.

(Tijdelijk) opgelost in zuur

Een laatste, bepaald opmerkelijke manier waarop Nobelmedailles verdwenen zijn, is dat ze opgelost werden in zuur. 

Toen de nazi's in 1940 Denemarken binnenvielen, begonnen geleerden aan het Institute voor Theoretische Fysica van Niels Bohr zich zorgen te maken over de gouden medailles die hun Duitse collega's Max von Laue en James Frank aan hen hadden gegeven om ze veilig te houden. 

"In het rijk van Hitler was het bijna een halsmisdaad om goud uit het land te sturen, en aangezien de naam van Lau in de medaille gegraveerd was, zou de ontdekking ervan door de binnenvallende strijdkrachten, ernstige gevolgen voor hem gehad hebben", zo schreef de Hongaarse scheikundige George de Hevesy die destijds aan het instituut werkte, in 1962.

Nadat hij door collega's ervan overtuigd was de medailles niet te begraven, aangezien ze ook weer opgegraven zouden kunnen worden, besloot hij de twee medailles van 23 karaat goud op te lossen in koningswater, een mengeling van geconcentreerd zoutzuur en salpeterzuur, en het enige zuur dat in staat is om goud en platina op te lossen. 

De pot met het oranje zuur en het opgeloste goud werd ergens hoog op een plank in het laboratorium van de Hevesy gezet, waar hij door de nazi's niet opgemerkt werd. 

Na de oorlog, in 1950, liet de Hevesy, die zelf in 1943 ook een Nobelprijs had gewonnen, het goud uit de oplossing opnieuw neerslaan. Hij gaf het aan de Nobelstichting, die er twee medailles uit liet slaan die in 1952 opnieuw aan von Lau en Frank gegeven werden. Eind goed, al goed.