Spaanse begroting mikt op meer belastingen voor welgestelden, meer inkomen voor de armen

De Spaanse minderheidsregering van premier Pedro Sanchez heeft een akkoord gesloten over de begroting met de links-populistische Podemos. De begroting van volgend jaar breekt met het besparingsbeleid en trekt het minimuminkomen op.

Het is er op of eronder voor de socialistische premier Sanchez. Die leidt een minderheidskabinet en moet dus op zoek naar steun bij andere partijen om de begroting voor volgend jaar goed te keuren. Als dat niet lukt, komen er wellicht nieuwe verkiezingen.

Sanchez heeft nu de steun verworven van de links-populistische partij Podemos. Hij heeft nog wel de steun nodig van kleinere linkse en regionale partijen om de begroting door het parlement te krijgen. De liberale Ciudadanos en de conservatieve Partido Popular zullen tegenstemmen.

De begroting breekt met jaren van besparingsbeleid over de voorgaande conservatieve regering. Zo wil Sanchez het minimuminkomen optrekken van 736 naar 900 euro, de grootse stijging op een jaar tijd ooit. Ook wil de regering de publieke dienstverlening na jaren van besparingen opnieuw opbouwen en worden de laagste pensioenen verhoogd.  

Daartegenover staan hogere belastingen, maar maar enkel voor welgestelden en grote bedrijven en niet voor gezinnen met een gemiddeld inkomen. Het tekort op de begroting zou volgend jaar 1,8% bedragen tegenover 2,7% dit jaar en 3,1% in 2017.

Eerder hadden ook al Portugal en meer recent Italië gebroken met bijna een decennium van besparingen. In Portugal heeft dat geleid tot een forse economische groei. De nieuwe rechtse regering in Italië ligt daarover nog overhoop met de Europese Unie.