18-10-1918: Britten nemen Roubaix en Tourcoing in

Op 18 oktober nemen de Britten Roubaix en Tourcoing in, ze zijn niet ver meer af van Doornik. En Oostenrijks-Hongaars toppoliticus verklaart dat het rijk de oorlog heeft verloren.

Een dag na Rijsel heeft het Britse leger ook de twee andere grote steden van het Noord-Franse industriegebied veroverd: Tourcoing en Roubaix.

Door de verovering van de grensstad Tourcoing zijn de Britten doorgedrongen tot op het Belgisch grondgebied ten zuiden van de Leie. Het noorden van de rivier is al in Geallieerde handen. De Duitsers die standhouden in Kortrijk worden nu ook langs de andere zijde bedreigd.

Plechtige optocht van Britse troepen in Roubaix, enkele dagen na de bevrijding van de stad. Beginfoto: Franse cavalerie en infanterie vragen om inlichtingen bij burgers van het pas bevrijde Meulebeke (Albums Valois, BDIC)

Beide steden zijn intact in Geallieerde handen gevallen, maar wel door een groot deel van de inwoners verlaten. Van de circa 121.000 inwoners van Tourcoing is nog maar de helft aanwezig. In Roubaix zijn dat zowat 65.000 van de 123.000 inwoners. De meesten daarvan zijn door de Duitsers geëvacueerd naar Belgische steden ver achter het front. 

Zoeken naar een zo goed mogelijk plaatsje om de paraderende Britse troepen te bekijken, Roubaix 23-10-1918 (Albums Valois BDIC).

Meer naar het zuiden, ten oosten van Cambrai, zijn de Britten het stadje Le Cateau binnengerukt. Het stadje, waar het Britse leger in 1914 een nederlaag leed bij een van zijn eerste zware gevechten, is grotendeels verwoest.

Enkele dagen na de bevrijding melden jongemannen zich in Roubaix om dienst te nemen in het Franse leger, wat door de Duitse bezetting tot dan onmogelijk was (Albums Valois, BDIC).

Amper terreinwinst voor de Legergroep Vlaanderen

Noch de Belgen, noch de Fransen boeken successen vandaag. Ofwel worden de aanvallen afgeslagen door de Duitsers, die af en toe hardnekkig weerstand bieden. Ofwel is dichte mist de spelbreker en kan de aanval niet doorgaan.

Opnieuw wordt een uitgeputte Belgische divisie in het centrum afgelost door een Franse divisie.

"De martelgang van een landbouwersgezin: de Duitsers hebben hen uit hun huis gezet en ze hebben twee dagen lang in de kou en regen buiten moeten schuilen; het jongste kind is dood, twee anderen zijn ziek" (Collectie Ramet, KLM).

De Fransen, bijvoorbeeld, hebben nog een hele dag nodig om in Meulebeke, dat ze een dag eerder innamen, de laatste haarden van Duits verzet op te ruimen. Ruim 120 Fransen sneuvelen, een 10-tal burgers en amper enkele Duitsers.

Franse militairen en een familie uit Meulebeke zoeken samen warmte rond een Leuvense stoof (Albums Valois, BDIC).

De Britten in het zuiden van de Legergroep slagen er in om hun bruggenhoofd over de Leie te consolideren van Marke, ten zuiden van Kortrijk, tot voorbij Aalbeke.

Britse en twee Belgische soldaten verbroederen voor het "Kaiser Kaffee" in Menen. © IWM (Q 7128)

De Belgische divisies tussen de kust en de Legergroep Vlaanderen zijn succesvoller. De Duitsers zijn hier in volle terugtocht. Via Varsenare kan de infanterie oprukken tot aan de rand van Sint-Michiels en Sint-Andries bij Brugge.

Duitse krijgsgevangenen helpen bij de begrafenis  van een gesneuvelde Belgische soldaat (KLM).

Geallieerde vliegtuigen hebben Gent gebombardeerd. Daar zijn 16  burgers omgekomen en een 30-tal gewond. Het Duitse militaire bestuur van de stad publiceert  hun namen ( een dag later), we komen niet te weten of er ook Duitse, militaire slachtoffers zijn gevallen.

Collectie Tekstaffiches, Stadsarchief Gent

Tisza: “Wij hebben de oorlog verloren”

We moeten openlijk toegeven dat we de oorlog hebben verloren”, zo heeft de voormalige Hongaarse premier graaf István Tisza  in het parlement in Boedapest gezegd. “We hebben verloren, niet in de zin dat we niet meer kunnen volhouden (…) maar in de zin dat(…) we niet meer in staat zijn te winnen, zodat we verplicht zijn vrede te zoeken onder in deze omstandigheden aanvaarbare voorwaarden.”

Deze woorden maken veel indruk, omdat Tisza er in 1914 als Hongaars minister-president mee akkoord ging dat Oostenrijk-Hongarije een oorlog met Servië begon, wat meteen het begin was van deze Grote Oorlog. Sindsdien wordt hij als een van de aanstokers van de oorlog beschouwd, hoewel hij dat nu ontkent.

Graaf Tisza en de vorige keizer en koning van Oostenrijk-Hongarije, Frans-Jozef (Wikimedia)

Gisteren schoot een man met een revolver op Tisza toen hij het parlementsgebouw in Boedapest verliet. De staatsman is ongedeerd. De dader, een extreem-linkse militant, zei dat hij Tisza wilde doden omdat hij een hinderpaal voor de vrede vormt.

Graaf Tisza stapte medio 1917 op als premier en vocht een tijd aan het Italiaanse front als kolonel van de huzaren. Hij is echter nog steeds een van de leiders van de (conservatieve) regeringspartij, die een meerderheid in het parlement heeft.

Graaf István Tisza als kolonel aan het Italiaanse front (Oostenrijkse Nationale Bibliotheek).

Het Hongaarse parlement hield een fel debat als gevolg van de vredesaanvraag van Oostenrijk-Hongarije en het manifest van keizer Karel om federalisme in Oostenrijk in te voeren. Hongarije is voor zo’n federalisme niet te vinden.

De conservatieven rond Tisza houden vast aan een regime waarbij de etnische Hongaren de volledige macht behouden over de andere bevolkingsgroepen, onder meer door een zeer beperkt kiesrecht. De oud-premier zei in zijn rede dat “het Hongaarse element” in Hongarije een dominerende rol moet blijven spelen “die zijn kwaliteiten en zijn geschiedenis toekennen”. Dit tot woede van  de afgevaardigden van links en de Roemeense minderheid.

Tisza (uiterst rechts) speecht tijdens een verkiezingsmeeting in Sopron in 1910.

De huidige premier Sándor Wekerle zei in het debat dat Hongarije zijn unie met Oostenrijk moet wijzigen, zodat het zelf onafhankelijk zijn economische en militair systeem kan bepalen. Wekerle zelf kondigde bovendien zijn ontslag aan. De linkse oppositie onderbrak hem meermalen en eiste de onafhankelijkheid van Hongarije en een onmiddellijke vrede.

Toen de linkse leider Mihály Károlyi de regeringspartij verantwoordelijk stelde voor het uitbreken van de oorlog, werd hij voor “betaalde agent van de Entente” uitgescholden. Een partijgenoot van Károlyi riep toen uit “Wij zijn vrienden van de Entente”.

De uitspraak van graaf Tisza werd al een dag later breed uitgesmeerd in de Geallieerde pers, zoals hier in de Parijse Le Matin (BnF, Gallica).