Wijlen Eliane Liekendael en haar eerste grote dossier: "Verkrachte Belgen in Congo"

Voormalig procureur-generaal bij het Hof van Cassatie Eliane Liekendael, overleden op 8 oktober, zal de geschiedenis ingaan als de vrouw van het "spaghetti-arrest", het arrest waardoor de populaire onderzoeksrechter Jean-Marc Connerotte van de zaak-Dutroux werd gehaald, omdat hij naar een spaghettifeestje gegaan was van enkele slachtoffers van Marc Dutroux. Een beenharde magistrate, kil en onmenselijk, lijkt zij wel. Maar Eliane Liekendael was ook in 1960-1961 de briljante jonge onderzoekster van het grootste verkrachtingsdossier in de Belgische geschiedenis. Maar dat onderzoeksrapport  belandde diep in een kast van het Hof van Cassatie om er (officieel) nooit meer uit te komen.

Congo is onafhankelijk geworden op 30 juni 1960. Amper enkele dagen later, vanaf 4 juli, breken de eerste onlusten uit. De muiterij binnen het leger ontaardt heel snel in zwaar geweld tegen koloniale families, voor het overgrote deel Belgen. Die slaan massaal op de vlucht nog voor de eerste Belgische para's overgevlogen zijn vanuit het "moederland" om hen te beschermen en/of om de Belgische economische belangen in het onafhankelijke Congo te vrijwaren. 

Zowat de helft van de blanken, ongeveer 40.000 mannen, vrouwen en kinderen, keert uiteindelijk halsoverkop naar België terug. Naar schatting 250 Belgen, en veel meer Congolezen, worden vermoord, zeker 2.000 vluchtelingen mishandeld en bij de vrouwen gaat het in vele gevallen om verkrachtingen, dikwijls op een heel gruwelijke manier. En hier start de rol van Eliane Liekendael, op dat ogenblik een jonge briljante magistrate, aan het begin van haar carrière.    

Eliane Liekendael en de "Onderzoekscommissie Congo 1960"

Van de jonge Eliane Liekendael zijn geen foto's bekend en hoe dan ook verliep haar werk voor de Onderzoekscommissie, onder leiding van raadsheer Pedro Delahaye bij het Hof van Cassatie, in de grootste discretie. Zij kreeg immers de opdracht om de subcommissie te leiden die specifiek de vrouwelijke slachtoffers van de mishandelingen in Congo zou ondervragen.

Dat moet een bijzonder delicaat werk zijn geweest, zeker in 1960, toen verkrachting nog veel moeilijker bespreekbaar was dan nu. De rapporten van de Onderzoekscommissie en dus ook het werk van Eliane Liekendael zijn nooit officieel gepubliceerd maar wel afgerond. Ze liggen achter slot en grendel bij het Hof van Cassatie in Brussel.

Voor het boek dat ik bijna twintig jaar geleden schreef over het einde van de koloniale tijd probeerde ik destijds aan het volledige rapport te geraken van de Onderzoekscommissie en vooral de persoonlijke getuigenissen van de slachtoffers. Dat lukte niet maar ik kreeg wel op een onrechtstreekse en zeer discrete manier enkele gouden tips van ... Eliane Liekendael.

Ze wilde niet zelf aan het woord komen over haar bevindingen van destijds maar hielp me aardig op weg. De teksten die ik uiteindelijk onder ogen kreeg, beschreven tot in de meest gruwelijke details hoe Belgische vrouwen en meisjes misbruikt waren door opgejutte militairen en militieleden. In de beslotenheid van het gesprek met een vrouwelijke magistraat, zoals Liekendael, wilden de slachtoffers blijkbaar wel vertellen wat hen overkomen was. 

Dode letter

Het moet voor de slachtoffers én de onderzoekers van toen dan ook bijzonder frustrerend geweest zijn dat, ondanks de forse beloften van begin juli 1960, de eindrapporten van de Onderzoekscommissie nooit gepubliceerd zijn. Daarenboven dekte de regering van eerste minister Gaston Eyskens zich bijzonder goed in tegen elk ongewenst lek.

Alle documenten die met dit onderzoek te maken hadden, zo ook de processen-verbaal van de vele duizenden ondervragingen, moesten worden opgestuurd naar de centrale zetel van de Onderzoekscommissie in het Justitiepaleis in Brussel. Geen kopietje mocht achterblijven in een lokale politiepost waar de getuigen gewoonlijk ontvangen waren. En zo geschiedde.

Toen ik in 2002 een eerste versie van mijn boek over de kwestie publiceerde, kwamen er parlementaire vragen maar de bevoegde ministers weigerden om het lijvige werk, zo'n 1.000 bladzijden alleen al voor de synthese, vrij te geven. Daarnaast moeten er tienduizenden bladzijden getuigenissen bestaan.

Ondanks geregeld aandringen bij de toen nog enige overlevende van de Onderzoekscommissie, Eliane Liekendael, wilde zij zich niet laten interviewen over haar werk van destijds. Haar plichtsbesef, de opgelegde geheimhouding, bleef zwaarder wegen dan mijn argumenten dat de slachtoffers van één van de grootste tragedies die Belgen hebben doorgemaakt sinds de Tweede Wereldoorlog, toch recht hadden en hebben op erkenning. 

Voor de gevluchte kolonialen en hun families, zeker voor de paar duizend die effectief mishandeld waren en bij uitstek voor de familieleden van de 250 dodelijke slachtoffers, blijft de tragedie van juli-oktober 1960 een onverwerkt gitzwart verleden. Velen zijn totaal berooid in België aangekomen en moesten hier hun leven van niets herbeginnen, vol woede en frustratie over wat ze moesten achterlaten in "hun Congo". Dikwijls beseften en beseffen ze niet in welk politiek spel ze meegespeeld hebben en waarom de woede van de muitende Congolese soldaten zich precies tegen hen had gericht.

Daarenboven werd hun persoonlijk leed niet erkend, ondanks hun openhartige getuigenissen in zeer moeilijke omstandigheden voor de Onderzoekscommissie die hen aanvankelijk voorspiegelde dat "gerechtigheid zal geschieden". Velen van de ongeveer 1.000 verkrachte Belgische vrouwen hebben nooit meer hun leven op orde gekregen.

Na de publicatie van mijn boek in 2002 en in het verlengde van de vele lezingen over het onderwerp kreeg ik tientallen brieven met nieuwe verhalen over jonge moeders die nooit meer gelachen hebben, moeders die vergeefs probeerden om hun kinderen te vertellen wat hen overkomen was en na enkele pogingen definitief zwegen, over een vrouw die na haar terugkeer uit Congo in de zetel voor het raam van een schamel huurhuisje ging zitten en daar bijna letterlijk nooit meer uitgekomen is. Tot haar dood.

Met het verdwijnen van Eliane Liekendael zwijgt nu definitief de laatste rechtstreekse getuige van de Onderzoekscommissie Congo 1960. Bijna twintig jaar geleden beloofden de verantwoordelijke ministers dat de bevindingen van de commissie dan toch vrijgegeven konden worden voor verder historisch onderzoek, maar wel alleen aan een selecte groep academici en journalisten die de opdracht zou krijgen om het uiterst gevoelige materiaal te verwerken in een publicatie voor het grote publiek. Omdat de historische waarheid haar rechten heeft.

Die politieke belofte is dode letter gebleven. Nu al zestien jaar lang.