Van nieuwe grenzen tot de kiem van de sociale zekerheid: deze effecten van WO I voelen we nog altijd

Op het einde van WO I zijn (inter)nationaal verschillende verregaande of controversiële beslissingen genomen die vandaag nog altijd nagalmen in het dagelijkse leven in België en in het buitenland. Een overzicht van VRT NWS, met toelichting in video van historicus Pieter Serrien.

Europa was na WO I een totaal ander continent. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Zeker in Centraal-Europa verschenen tal van nieuwe grenzen waarvan 4 jaar eerder lang geen sprake was. Dat gebeurde in de nasleep van de verschillende vredesverdragen die tot stand kwamen.

Tot 1914 was het aantal landen in Centraal-Europa relatief beperkt omdat 3 keizerrijken grote delen van het territorium hadden verenigd of veroverd: Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland.

Bron: BBC

In 1918 waren deze 3 rijken geïmplodeerd (of toch zo goed als). Tal van volkeren die decennia of langer vanuit Wenen, Berlijn of Sint-Petersburg waren geregeerd, zagen hun kans schoon om zich af te scheuren. 

Oostenrijk-Hongarije verkruimelde in aparte staten als Oostenrijk, Hongarije en Tsjechoslovakije. Het keizerrijk stond daarnaast grote gebieden af aan onder meer Italië, Roemenië en het nieuwe koninkrijk Joegoslavië in de Balkan.

Duitsland kon het grootste deel van zijn grondgebied behouden, maar moest toezien hoe het in de periferie territorium verloor. Frankrijk haalde bijvoorbeeld Elzas-Lotharingen opnieuw binnen (dat het in 1871 had moeten afstaan), België kon de Oostkantons aan zijn grondgebied toevoegen en Denemarken kreeg delen van Sleeswijk in handen.

(Video onder: animatie van de nieuwe grenzen in Europa na WO I (YouTube, Engels))

Video player inladen ...

Opvallende "nieuwkomer" op de kaart was Polen. Dat land had eeuwenlang bestaan tot het eind 18e eeuw bij de zogenoemde Poolse Delingen integraal door Rusland, Oostenrijk en (toen nog) Pruisen was opgeslorpt. Na WO I herrees Polen uit zijn as, zij het meer naar het oosten dan waar het vandaag ligt. Rusland en Duitsland stonden hiervoor grote stukken grondgebied af. 

Om Polen een toegang tot de Oostzee te geven, kreeg het bijkomend een smalle strook land tot aan de kust. Die zogenoemde Danzigcorridor sneed Oost-Pruisen van de rest van Duitsland af. Deze tweedeling viel veel (nationalistische) Duitsers zwaar en lag mee aan de basis van hun wrok na de oorlog.

Rusland verloor niet alleen grondgebied aan Polen, het moest ook land afstaan aan Roemenië. Bovendien scheurden Finland, Estland, Letland en Litouwen zich van het keizerrijk van weleer af (al werden de 3 Baltische staten al snel bij de Sovjet-Unie ingelijfd).

Sindsdien is de kaart van Centraal-Europa min of meer onveranderd gebleven. Na WO II schoof Polen wel nog op naar het westen omdat het in het oosten land aan de Sovjet-Unie afstond en in het westen land van Duitsland inpalmde. Dat bleef op zijn beurt tot 1990 in de Bondsrepubliek Duitsland en de DDR opgesplitst. 

Rond diezelfde tijd scheurden de Baltische staten zich los van de Sovjet-Unie, net als Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië. Later in de jaren 90 volgden nog delingen met de splitsing van Tsjechoslovakije in Tsjechië en Slovakije en de versplintering van Joegoslavië in tal van Balkanstaten.

(Video onder: historicus Pieter Serrien aan het woord)

Video player inladen ...

Niet alleen Europa kreeg een ander gelaat na WO I, ook het Midden-Oosten werd grondig dooreengeschud. Dat had alles te maken met de implosie van het Ottomaanse rijk dat de kant van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije had gekozen. 

Met Klein-Azië als kernland omvatte het Ottomaanse rijk tot 1914 ook gebieden die vandaag de landen Irak, Syrië en Israël vormen. Ook de Palestijnse gebieden, delen van Saudi-Arabië en delen van Jemen maakten deel uit van het rijk.

Die territoria waren nu up for grabs, tenminste vanuit het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk die de oorlog hadden gewonnen en die sowieso al strategische posities en steden hadden ingenomen. Zij rijfden de regio maar wat graag helemaal binnen omdat het Midden-Oosten aan strategisch belang had gewonnen. Zo vormde het Suezkanaal vlakbij in Egypte sinds 1869 een cruciale handelsknoop en waren intussen overal in de regio grote olievoorraden ontdekt.

Bron: BBC

Concreet eigenden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk zich zogenoemde mandaatgebieden toe. Frankrijk kreeg het huidige Syrië en Libanon in handen. Irak, Jordanië en Palestina gingen naar het Verenigd Koninkrijk. In het zuiden kreeg Saudi-Arabië intussen vorm, in het noorden het huidige Turkije.

Dit alles was al in 1916 in volle oorlog bedisseld met het zogenoemde Sykes-Picotverdrag. Daarbij hadden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk in het grootste geheim uitgemaakt wie welk deel van de koek van het Midden-Oosten zou krijgen als het Ottomaanse rijk zou vallen.

(Video onder: het verhaal achter en de gevolgen van het Sykes-Picotverdrag (YouTube, Engels))

Video player inladen ...

Vooral in Palestina mondde de situatie al snel in onrust en geweld uit, onder meer door de zogenoemde Balfour-declaratie. In die beruchte brief uit 1917 had de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour de leider van de zionistische beweging in het Verenigd Koninkrijk "een nationaal huis voor het Joodse volk" in Palestina beloofd.

De Balfour-declaratie uit 1917.

Als gevolg van die declaratie verhuisden in de jaren die volgden steeds meer Joden naar Palestina en groeide de roep om een eigen Joodse staat. In 1948 kreeg die formeel vorm onder de noemer Israël. Tegen die tijd waren ook Syrië, Irak en Jordanië onafhankelijk en dit op basis van de grenzen die de Fransen en de Britten na WO I hadden uitgetekend. Al snel zou blijken dat de Europeanen hiermee a perfect storm hadden gecreëerd.

(Video onder: historicus Pieter Serrien aan het woord)

Video player inladen ...

Een stem uitbrengen bij parlementsverkiezingen: tot aan WO I was het een voorrecht dat weinig mensen in België was gegeven. Daarin kwam kort na de wapenstilstand op een vrij radicale wijze verandering met de "revolutie van Loppem".

In die gemeente die vandaag een deelgemeente van Zedelgem is, had koning Albert I een resem prominente leden uit de politiek en het zakenleven bijeengeroepen die de oorlog in België hadden doorgebracht. Samen probeerden ze oplossingen te bedenken om het land krachtdadig door het machtsvacuüm te loodsen dat de Duitse bezetter had achtergelaten.

Een regering van nationale eenheid onder leiding van premier Léon Delacroix moest die klus klaren. Veel maatregelen die hij en zijn ministers namen, waren voor die tijd controversieel. Met name de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen veroorzaakte deining, vooral in conservatieve hoek.

Het kasteel van Loppem (archieffoto).

Sinds 1893 bestond in België het algemeen meervoudig stemrecht voor mannen. Dat betekende dat elke man ouder dan 25 een stem moest uitbrengen, want die wet voerde tegelijk de opkomstplicht in. Sommige rijke mannen of mannen met een bepaalde scholingsgraad hadden echter 2 of zelfs 3 stemmen waardoor zij meer gewicht in de schaal konden leggen.

Met dat scheefgetrokken systeem maakte de "revolutie van Loppem" komaf. Voortaan had elke man 1 stem bij verkiezingen. Bovendien verlaagde de kiesgerechtigde leeftijd van 25 tot 21 jaar.

Hoewel voor dit alles in principe een wijziging van de grondwet nodig was, regelde het parlement het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen met een gewone wet. De eerste naoorlogse parlementsverkiezingen in 1919 verliepen meteen volgens het nieuwe systeem.

Het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen bleef tot na WO II van kracht voor parlementsverkiezingen. Dat betekent dat vrouwen in België al die tijd niet mochten stemmen bij die verkiezingen. Pas in 1948 kregen ook zij stemrecht. Sindsdien moet elke Belg, man of vrouw, verplicht stemmen bij verkiezingen. Dat moet vandaag al vanaf 18 jaar want in 1981 verlaagde de kiesgerechtigde leeftijd opnieuw.

(Video onder: historicus Pieter Serrien aan het woord)

Video player inladen ...

De invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen was lang niet de enige controversiële maatregel die voortvloeide uit de "revolutie van Loppem". Zo probeerden de regering-Delacroix en de regeringen die in de jaren 20 volgden ook de positie en de status van het Nederlands in Vlaanderen en bij uitbreiding in België op te krikken. Dat was lang niet evident, niet het minst omdat een deel van de Vlaamse beweging actief had gecollaboreerd met de Duitse bezetter tijdens WO I.

In Gent was die collaboratie in een symbolisch hoogtepunt uitgemond met de oprichting van de zogenoemde Vlaamse Hoogeschool in 1916, beter bekend als de Von Bissinguniversiteit.

Tot dan toe was het onderwijs aan de universiteit van Gent altijd in het Latijn of het Frans verlopen, maar deze school deed dat voor het eerst in het Nederlands. Net omdat ze er kwam met de goedkeuring en de steun van de Duitse bezetter, bleek het al snel een vergiftigd geschenk. Met de Wapenstilstand kwam ook aan de Vlaamse Hoogeschool een eind.

Rector Peter Hoffmann houdt een toespraak in de Aula tijdens de openingszitting van de Vlaamse Hogeschool op 24 oktober 1916 (Collectie Universiteitsbibliotheek Gent)

De geest was echter uit de fles en de regering kon de roep om Nederlandstalig onderwijs aan de universiteit van Gent na de oorlog niet langer negeren. Tegen 1923 lag met de wet-Nolf een halfslachtig plan op tafel voor een gedeeltelijke vernederlandsing van de universiteit. Studenten kregen voortaan de keuze tussen een Nederlands stelsel met twee derden van de lessen in het Nederlands en een derde in het Frans en een Frans stelsel met twee derden van de lessen in het Frans en een derde in het Nederlands.

Dit systeem stemde vrijwel niemand gelukkig en in de jaren die volgden bleef de kwestie van Nederlandstalig onderwijs aan de universiteit van Gent de gemoederen beroeren. Na woelige debatten stemde het parlement uiteindelijk in 1930 in met een wet die de totale vernederlandsing van de universiteit van Gent oplegde. August Vermeylen werd de eerste rector van die vernieuwde universiteit.

August Vermeylen.

De "revolutie van Loppem" legde ook de basis van een hele resem verregaande sociale hervormingen. Zo begon de overheid de lonen aan de stijgende levensduurte te koppelen, waarmee ze een aanzet tot de index gaf. Het verbod op stakingen werd opgeheven en in steeds meer sectoren zagen paritaire comités het licht. Daarin vond overleg plaats tussen vakbonden en werkgevers, het begin van het sociaal overleg in België. Zij kwamen onder meer overeen om een werkdag op 8 uur vast te leggen, een akkoord dat in 1921 wet werd.

Ook de voorloper van de huidige sociale zekerheid schoot wortel. Al voor WO I konden werknemers zich op vrijwillige basis verzekeren tegen werkloosheid, ziekte of arbeidsongevallen bij tal van kassen van vakbonden, ziekenfondsen of de kerk. De regering besloot die kassen voortaan fors te subsidiëren zodat meer mensen zich konden aansluiten. Bovendien voerde ze begin jaren 20 de wet op het ouderdomspensioen in. Iedereen die 65 werd, kreeg nu elke maand een pensioen van de overheid.

Tot slot riep de regering 2 opvallende instellingen in het leven die vandaag nog steeds bestaan: het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn (de voorloper van Kind en Gezin) en de Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken (de nationale voorloper van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen).

(Video onder: historicus Pieter Serrien aan het woord)

Video player inladen ...

Met het einde van WO I kwam ook een einde aan de zogenoemde Europese eeuw, grosso modo de periode van het Congres van Wenen in 1815 tot de uitbraak van de oorlog in 1914 waarin Europese grootmachten als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland de lakens uitdeelden. In 1918 lag dat Europa in puin.

Groot was het contrast met de Verenigde Staten van Amerika die sterker dan ooit tevoren uit WO I kwamen. Sinds het einde van de burgeroorlog in 1865 hadden zij gestaag een indrukwekkende economie opgebouwd dankzij verschillende troeven.

Zo was (en is) de VS een bijzonder groot land met uitgestrekte landbouwgebieden. Het kon ook bogen op een bijzonder lucratieve en nuttige voorraad grondstoffen als steenkool, olie en staal. Die lagen in de 2e helft van de 19e eeuw aan de basis van een industriële ontwikkeling zonder weerga. Dankzij een zo goed als oneindige stroom immigranten waren arbeiders bovendien alomtegenwoordig (en goedkoop).

Op vlak van infrastructuur begon de VS Europa al snel naar de kroon te steken. Vooral de aanleg van spoorwegen gaf het land een enorme boost. Zo was de eerste transcontinentale spoorweg tegen 1869 een feit waardoor van New York naar San Francisco reizen niet langer vele maanden duurde, maar slechts 1 week.

(Video onder: de aanleg van de eerste transcontinentale spoorweg in de VS (YouTube, Engels))

Video player inladen ...

Daarnaast sloegen de wetenschap en de technologie de Amerikaanse samenleving met verstomming met tal van nieuwe uitvindingen. Rond de eeuwwisseling begon de automobielsector een hoge vlucht te nemen en ook de luchtvaart schoot uit de startblokken. In de grote Amerikaanse steden verrees de ene na de andere wolkenkrabber en dijden de metronetwerken steeds verder uit.

Deze ongeziene vooruitgang veroorzaakte een mentaliteitswijziging bij veel Amerikanen. Sinds de onafhankelijkheid in 1776 had het land zich afzijdig gehouden op het internationale toneel, maar nu groeide de overtuiging dat het zich conform zijn nieuwverworven status moest gedragen en voorbij de landsgrenzen moest kijken.

Dat resulteerde in een resem gewapende conflicten, zoals de Amerikaans-Spaanse oorlog van 1898 waarbij de VS verschillende gebieden in de Caraïben en in de Stille Oceaan van Spanje afhandig maakte.

Toch hield de VS zich lange tijd neutraal toen WO I uitbrak, ook al omdat een aanzienlijk deel van de bevolking pro-Duits was en het voor de regering van president Woodrow Wilson niet evident was om partij te kiezen. 

Woodrow Wilson

Uiteindelijk zou Washington zich in 1917 alsnog achter Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk scharen, onder meer omdat Duitse duikboten in de Atlantische Oceaan steeds meer Amerikaanse schepen torpedeerden in een onbeperkte duikbotenoorlog. 

Ook het zogenoemde Zimmermanntelegram van 16 januari 1917 was een aanleiding voor de Amerikaanse inmenging in WO I. In dat telegram beloofde de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Zimmermann Mexico militaire hulp én gebiedsuitbreiding in de VS als het dat land de oorlog zou verklaren.

(Video onder: de VS raakt betrokken in WO I (YouTube, Engels))

Video player inladen ...

In geen tijd slaagde de VS erin zijn economie helemaal op de oorlog in Europa af te stemmen en bevoorraadde het zijn bondgenoten met wapens, materieel en troepen. Veel Europese landen gingen bovendien uitgebreide Amerikaanse leningen aan om hun oorlogsvoering te financieren.

Dit militair-industrieel complex maakte van de VS finaal (en voor het eerst) een supermacht. Terwijl de rest van de wereld in 1918 zijn wonden likte, kon het land een bloeiende economie voorleggen terwijl het eigen territorium ongeschonden was gebleven. De Amerikaanse eeuw was begonnen.

(Video onder: historicus Pieter Serrien aan het woord)

Video player inladen ...

Wie is Pieter Serrien?

Pieter Serrien is historicus en auteur van verschillende boeken over de wereldoorlogen. Recent beschreef hij met "Het elfde uur" het verhaal van de laatste 24 uur van WO I. Daarnaast is hij leerkracht. Voor VRT NWS legt hij de complexe oorlogsgeschiedenis eenvoudig uit.

Woensdag was Serrien te gast in "De wereld vandaag" op Radio 1 waar hij het over de "valse Wapenstilstand" van 7 november 1918 had. Het gesprek over dit onwaarschijnlijke verhaal kan u hieronder herbeluisteren: