November 1918: de maand waarin 20 Duitse vorsten moesten aftreden

Het einde van de Eerste Wereldoorlog betekende het einde van het oude Europa. Zo verdwenen in enkele dagen tijd tientallen monarchieën die tot dan toe in Duitsland hadden bestaan. Vrijwel geruisloos.

Een van de meest eigenaardige, maar tegelijk onderbelichte gebeurtenissen van het einde van de Eerste Wereldoorlog is het verdwijnen van de tientallen grote en kleine monarchieën in Duitsland.

In 1918 waren er in Duitsland 20 vorsten die samen over 22 staten regeerden. Die vormde met drie vrije steden het Duitse Rijk, een federatie. Pruisen was verreweg de grootste van die 25 staten (het besloeg zowat 2/3 van de totale oppervlakte) en de koning van Pruisen stond als Duits keizer aan het hoofd van het Rijk. 

Kaart van het Duitse keizerrijk, een lappendeken waar Pruisen (blauw) duidelijk dominant was. Beieren, lichtgroen, was het tweede koninkrijk in oppervlakte, maar al duidelijk veel kleiner.

Deze monarchen vertegenwoordigden dynastieën die al eeuwen heersten over gebieden die erg in grootte verschilden. Sommigen waren erg grillig van vorm en bestonden uit ver van elkaar liggende stukken grond. De kleinere vorsten stelden politiek niet veel voor, maar ze stonden allen op hun rechten. Door huwelijken waren ze verwant met de meeste vorstenhuizen in Europa.

Een collage van portetten van Duitse vorsten en prinsen uit het Franse Le Monde Illustré van december 1918 (BDIC).

Hoewel veel vorsten op vrij harmonische wijze met hun onderdanen leefden en sommigen echt populair waren, gingen ze allen ten onder in de Novemberrevolutie. In nauwelijks enkele dagen kwamen ze allen ten val. Maar de meesten bleven achteraf wonen op kastelen die al heel lang van hen waren. 

Willem II, koning van Pruisen, Duits keizer

9 november

De keizer bevond zich eind oktober al een tijd onder druk om af te treden, omdat dit de vrede zou vergemakkelijken. Hij weigerde en week uit naar het Duitse hoofdkwartier in Spa. Intussen werd de roep om zijn aftreden steeds sterker. 

Toen duidelijk werd dat er revolutie was uitgebroken, wilde hij aan het hoofd van zijn leger naar Berlijn oprukken om de opstand in bloed te smoren. Maar zijn generaals maakten hem op 9 november duidelijk dat zijn troepen niet zouden vechten voor de keizer en zijn troon. Intussen drong de regering aan om zo snel mogelijk af te treden en daarmee de monarchie te redden. 

Wilhelm II van Pruisen

Diep geschokt besliste de keizer op die 9 november af te treden als keizer, maar niet als koning van Pruisen. Voordat hij een document daarover kon ondertekenen, vernam hij iets wat hij als verraad beschouwde. De rijkskanselier, prins Max van Baden, maakte bekend dat Willem II was afgetreden als keizer en koning.  De kanselier loog, in de hoop zo de monarchie te redden.

Omdat extreemlinkse socialisten van plan waren  een sovjetrepubliek naar Russisch voorbeeld op te richten, riep de gematigde sociaaldemocraat Philipp Scheidemann kort daarop uit eigen beweging de Duitse republiek uit. Dit tot ongenoegen van zijn eigen partijleider Friedrich Ebert, die hoopte op een parlementaire monarchie. Ebert zelf bood prins Max aan om regent te worden van het keizerrijk, maar die weigerde. 

Ruiterportret van Willem II, uit de New York Times Midweek Pictorial, vol 1, 1914 (Library of Congress).

Die nacht verliet Willem II Spa en begaf zich naar Nederland, waar hij politiek asiel kreeg. Pa op 28 november deed hij formeel troonsafstand, om zo de Duitse ambtenaren en officieren te ontslaan van hun eed van trouw. Hij zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Hij overleed in 1941 op zijn kasteel Huize Doorn, dat hij gekocht had, en werd daar begraven. Volgens zijn wens mag zijn lichaam pas naar Duitsland worden teruggebracht als de monarchie daar hersteld is.

Lodewijk III, koning van Beieren

8 november

Lodewijk was 73 jaar toen in zijn hoofdstad München een revolutie uitbrak. De Beierse koning, was tijdens de oorlog impopulair geworden omdat men hem als te “Pruisenvriendelijk” beschouwde. Hij zou de eerste Duitse vorst worden die zijn troon verloor.

Op 7 november liep een massabijeenkomst in München uit op een regelrechte opstand. De koning was die namiddag nog zijn dagelijkse wandeling in het stadspark gaan maken. Toen hij in het paleis terugkeerde, was het meeste personeel gevlucht en was hij niet meer veilig. 

Lodewijk III van Beieren

De koning verliet meteen München. De dag daarop riep een Raad van Arbeiders, Soldaten en Boeren de Beierse Republiek uit. Lodewijk week uit naar een kasteel bij Salzburg in Oostenrijk; Daar tekende hij op 13 november een verklaring waarin hij de Beierse ambtenaren en militairen van hun eed van trouw aan de koning ontsloeg. Formeel troonafstand wilde hij niet doen.

Daarmee kwam een eind aan 738 jaar heerschappij van de Wittelsbach-dynastie over Beieren. De ex-koning mocht later nog naar Beieren terugkeren. Hij overleed in 1921 tijdens een verblijf in Hongarije. 

Ludwig van Beieren en zijn gezin, circa 1916 (Library of Congress).

Frederik August III, koning van Saksen

13 november

Deze koning was zeer populair en stond bekend om zijn rake oneliners. Toen op 8 november in zijn hoofdstad Dresden onlusten waren uitgebroken, verliet Frederik August III zijn paleis en reisde naar een kasteel elders in Saksen. Daar vernam hij dat op 10 november de republiek in Dresden was uitgeroepen. Toen een minister hem twee dagen later in een telefoongesprek liet weten dat de regering niet meer van hem afhing, zou hij hem gezegd hebben in het Saksische dialect: „Nu da machd doch eiern Drägg alleene!“ (“Maak nu maar uw vuiligheid alleen”).

Frederik August III van Saksen

Op 13 november ondertekende hij een document met daarin slechts één zin: “Ik verzaak aan de troon”.

Hij vestigde zich op een kasteel in Silezië, dat zijn privé-eigendom was en overleed daar in 1932. Bij zijn begrafenis in Dresden waren meer dan een half miljoen mensen aanwezig. 

Willem II, koning van Württemberg

30 november

Willem II van Württemberg

Deze koning was bijzonder geliefd door zijn vriendelijkheid. Er zijn verhalen dat hij geregeld met zijn honden ging wandelen in de hoofdstad Stuttgart en daarbij iedereen die hij passeerde begroette en aan de kinderen snoep uitdeelde. Hij was dan ook zeer teleurgesteld toen hij op 9 november uit Stuttgart moest vluchten, nadat revolutionairen in zijn paleis waren binnengedrongen.

Hij ging naar een kasteel bij Tübingen waar hij op 30 november troonsafstand deed.  Hij nam de titel hertog van Württemberg aan en kreeg het kasteel voor de rest van zijn leven met een dotatie van de staat. Toen hij in 1932 overleed, passeerde de lijkkoets overeenkomstig zijn wens niet door Stuttgart. Zo teleurgesteld dat hij was over gebrek aan steun van de bevolking. 

Frederik II, groothertog van Baden

22 november

Frederik II van Baden

Baden, in het uiterste zuidoosten van Duitsland, had al lang een liberaal regime en de groothertog was er geliefd. Toch braken ook hier revolutionaire woelingen uit. Op 10 november werd een voorlopige volksregering geïnstalleerd die drie dagen late de “Vrije Volksrepubliek Baden” uitriep. De groothertog werd niet bedreigd maar had vanwege de rellen zijn paleis in Karlsruhe verlaten. In een kasteel in het zuiden van Baden deed hij op 22 november troonsafstand. Hij bleef tot zijn overlijden in 1928 als privépersoon in Baden wonen.

Prins Max van Baden, de laatste kanselier van het keizerrijk, was zijn neef en vermoedelijke opvolger, want de groothertog had geen kinderen. 

Ernst Lodewijk, groothertog van Hessen en de Rijn

9 november

Ernst Lodewijk van Hessen en de Rijn Knodt, Ernst Ludwig@, S. 62

Ernst Lodewijk was de broer van de Russische keizerin Alexandra en had tijdens de oorlog pogingen gedaan om tot vrede met Rusland te komen. Hij stond ook bekend als beschermer van kunsten, vooral omdat hij de Jugendstil sterk aanmoedigde.

De laatste groothertog van Hessen-Damstadt werd op 9 november afgezet maar weigerde troonsafstand te doen. Toch kon hij ook na zijn afzetting in zijn paleizen blijven wonen en dat tot zijn dood in 1937. 

Frederik Frans IV, groothertog van Mecklemburg-Schwerin

14 november

Frederik Frans IV van Mecklemburg-Schwerin

Deze heerser over een staat aan de Oostzee was een van de laatsten die zijn troon zag vallen. Pas op 9 november moest hij een “voorlopige volksregering” in zijn groothertogdom aanvaarden en trad op 14 november af. 

Hij verliet het land maar keerde al het jaar daarop terug. Zijn landerijen, die meer dan de helft van de oppervlakte van zijn groothertogdom bedroegen, werden onteigend, maar later kwam het tot een regeling, waarbij hij een kasteel en een villa mocht behouden. Op het einde van de Tweede Wereldoorlog moest hij vluchten voor de Russen die zijn eigendommen bezetten.

Dezelfde Frederik Frans IV was in februari 1918 regent geworden van het naburige groothertogdom Mecklemburg-Strelitz, nadat de laatste groothertog – een verre verwant van hem, daar gestorven was zonder duidelijke opvolger. De monarchie verdween daar zonder tegenstand. 

Willem Ernst, groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach

9 november

Willem Ernst van Saksen-Weimar-Eisenach

De laatste groothertog van Saksen-Weimar-Eisenach (het grootste deel van het huidige land Thüringen) is vooral bekend door de bouwwerken die hij in zijn hoofdstad Weimar deed uitvoeren door vooruitstrevende architecten als de Belg Henry van de Velde. Hij was echter ook een zeer autoritair heerser en had de reputatie van een sadist. Als “de meest gehate vorst van Duitsland” werd hij op 9 november door een soldatenraad afgezet. Hij ging wonen op een privé-kasteel in Silezië, waar hij in 1923 overleed.

Willem Ernst raakte ook bekend voor zijn rechten op de Nederlandse troon. Hij had koning van Nederland kunnen worden mochten de toenmalige koningin Wilhelmina en haar enig kind Juliana overlijden. De Nederlanders veranderden kort na de oorlog hun grondwet om deze ongewenste Duitser van de troonopvolging te weren. 

Frederik August, groothertog van Oldenburg

11 november

Frederik August van Oldenburg

De groothertog van dit staatje aan de Noordzee was zeer conservatief. Tijdens de oorlog steunde hij de plannen van agressieve politici en generaals, om grote gebieden, waaronder België, te annexeren en wou niet van een compromisvrede weten.

Op 11 november trad hij zonder verzet af toen ook Oldenburg een republiek werd. Hij verbleef tot zijn dood in 1931 op een kasteel nabij de stad Oldenburg. Door geldgebrek zag hij zich genoodzaakt een dotatie van de staat te vragen. 

Ernst August, hertog van Brunswijk

8 november

Ernst August van Brunswijk Sergej Medvedev

Deze heerser van een staatje dat nu voor het grootste deel tot Nedersaksen behoort, was een telg van het huis Hannover, dat tot en met koningin Victoria over het Britse Rijk had geregeerd. Daardoor was hij ook  een Britse prins. Dat belette hem niet om tijdens de oorlog helemaal aan de Duitse kant te staan. Hij was immers getrouwd met de dochter van de Duitse keizer en actief generaal in het Pruisische leger.

In Brunswijk (Braunschweig) begon het al op  6 november te broeien. Op 8 november nam een arbeiders- en soldatenraad de macht over en zond een delegatie naar de hertog met de eis om af te treden, wat hij na een paar uur bedenktijd ook deed. De dag daarop vertrok hij met zijn familie naar Oostenrijk. In 1924 keerde hij naar Brunswijk terug, waar de regering hem enkele van zijn kastelen en domeinen had teruggeven.

Hij was de laatste regerende vorst van een dynastie die meer dan 1100 jaar had geregeerd.  Zijn kleinzoon, die eveneens Ernst August heet, komt nu nog wel eens in het nieuws als echtgenoot van prinses Caroline van Monaco.

Joachim Ernst, hertog van Anhalt

12 november

Joachim Ernst van Anhalt

Deze had amper twee maanden voor de revolutie zijn vader opgevolgd. als hertog van deze staat in Midden-Duitsland (nu een deel van Saksen-Anhalt). In naam, want hij was amper 17 en dus minderjarig. Het was zijn oom prins Aribert, die het regentschap waarnam, die op 12 november in zijn naam aan de troon verzaakte. Daarmee kwam een eind aan acht eeuwen heerschappij van de Ascanische dynastie.

Joachim Ernst bleef eerst rustig op een familiekasteel wonen. Onder  het naziregime belandde hij echter in het concentratiekamp Dachau en nadien, onder de Sovjetbezetting, in het concentratiekamp Buchenwald, waar hij in 1947 overleed. 

Bernhard III, hertog van Saksen-Meiningen

10 november

Bernhard was al 63 toen hij in 1914 zijn vader als hertog opvolgde.  Hij gold als conservatief en pro-Pruisisch. Hij was immers gepensioneerd veldmaarschalk van het Pruisische leger en getrouwd met een zuster van de keizer. Op 10 november, de dag na de vlucht van zijn schoonbroer, trad hij onder druk van een arbeiders- en soldatenraad af. Zijn stiefbroer weigerde twee dagen later hem op te volgen en Saksen-Meiningen werd een republiek, om kort daarop op te gaan in de nieuwe staat Thüringen.  Bernhard bleef tot zijn dood in 1928 in zijn landhuis in het voormalige hertogdom wonen. 

Bernhard III van Saksen-Meiningen

Karel Eduard, hertog van Saksen-Coburg en Gotha

13 november

Hij was een telg van de bekende Coburg-familie, geboren in Engeland als kleinzoon van koningin Victoria, waardoor hij een Britse prins was met de titel hertog van Albany. Dat belette hem niet tijdens de oorlog helemaal pro-Duits te zijn. Hij was aan het front actief als generaal van het Saksische leger. Daarvoor zou hij kort na de oorlog zijn Britse titels verliezen.

Op 9 november verklaarde een arbeiders- en soldatenraad hem voor afgezet, maar hij trad pas op 13 november formeel af. Coburg en Gotha, die eigenlijk aparte hertogdommen vormden, werden elk een afzonderlijke republiek, maar Coburg werd snel een deel van Beieren en Gotha ging op in de nieuwe staat Thüringen. 

Karel Eduard van Saksen-Coburg en Gotha

Karel Eduard bleef als privépersoon op kastelen bij Coburg wonen. Hij was actief in extreemrechtse nationalistische organisaties en trad uiteindelijk toe tot de nazipartij, waar hij generaal van de SA werd. Onder het naziregime kreeg hij enkele hoge posities en probeerde hij bij de Britten goodwill voor Hitler te vinden.

Na de Tweede Wereldoorlog hielden de Amerikanen hem een tijd gevangen. Hij moest vanwege zijn naziverleden voor een rechtbank verschijnen maar bracht het er als “meeloper” met een boete vanaf.  Hij overleed in 1954 in Coburg.

Ernst II, hertog van Saksen-Altenburg

13 november

De hertog stond bekend als een liefhebber van de wetenschap en techniek. Hij maakte een poolreis. Van opleiding was hij officier. Hij nam tijdens de oorlog onder meer deel aan de Slag bij de Marne en kreeg de befaamde Orde “Pour le Mérite”.

Toen er op 7 november onlusten in zijn hertogdom begonnen, probeerde hij nog de gemoederen de bedaren. Toch moest ook hij op 13 november aftreden. 

Ernst II van Saksen-Altenburg

Hij bleef wonen op een prachtig kasteel in zijn voormalig hertogdom (dat een deel van Thüringen werd). Hij bouwde er een sterrenwacht, terwijl hij cursussen natuur- en sterrenkunde volgde.

Na de Tweede Wereldoorlog werd zijn kasteel door de Sovjet-bezetter onteigend, maar hij mocht er blijven wonen. Als enige voormalige Duitse vorst werd hij een burger van de communistische DDR. Toen hij in 1955 overleed, was hij de laatste overlevende van de regerende Duitse vorsten. 

Leopold IV, vorst van Lippe

12 november

Leopold IV van Lippe

Deze vorst stond bekend voor zijn bevordering van cultuur en industrie Hij liet veel mooie gebouwen in zijn hoofdstad Detmold bouwen en was een groot liefhebber van theater.

Toen een revolutionaire raad hem op 12 november tot aftreden dwong, verliep alles vrij kalm. Ook hij mocht op het familiekasteel in zijn voormalig staatje blijven wonen. Zijn neef Bernhard huwde de latere koningin Juliana van Nederland. 

Adolf II, vorst van Schaumburg-Lippe

15 november

Adolf II van Schaumburg-Lippe

De heerser over het amper 340 km² grote staatje (zowat het dubbele van het Brussels gewest) en nog geen 50.000 inwoners stond eveneens bekend voor het ondersteunen van de kunsten.

Hij werd vrij laat, pas op 15 november, tot troonsafstand gedwongen.  In tegenstelling tot de meeste andere vorsten, die ook na hun aftreden dynastieke regels bleven navolgen, hertrouwde hij kort daarop met een actrice. Het echtpaar kwam in 1936 om bij een vliegtuigongeval in Mexico. 

Hendrik XXIV, vorst Reuss (oudere linie)

13 november

Hendrik XXIV Reuss (oudere linie)

Deze vorst was geestesziek en stond onder regentschap van zijn verwant Hendrik XXVII van de jongere linie (zie verder). Zijn aftreden op 13 november verliep zonder incidenten.  Zijn vorstendommetje (317 km²) ging snel op in de nieuwe staat Thüringen. Hij bleef in zijn vroegere hoofdstad Greiz wonen en stierf ongehuwd en zonder nakomelingen. 

Hendrik XXVII, vorst Reuss (jongere linie)

11 november

Hendrik XXIV Reuss (jongere linie)

Hendrik XXVII (het rangnummer verwijst niet naar de regerende vorsten: alle mannelijke leden van de familie droegen dezelfde voornaam) was behalve vorst van een staat van 827 km² ook generaal in het Pruisische leger en nam ook als zodanig aan de oorlog deel. Hij moest op 11 november aftreden. Ook dit ex-vorstendom ging deel uitmaken van Thüringen.  Hijzelf bleef wonen in zijn vroegere hoofdstad Gera. 

Günther Victor, vorst van Schwarzburg-Rudolstadt en Schwarzburg-Sonderhausen

23/25 november

Günther Victor van Schwarzburg-Rudolstadt en Schwarzburg-Sonderhausen

Hij was bij zijn aftreden al 64 jaar en had nog als officier aan de Frans-Duitse oorlog van 1870 deelgenomen. Als regerend vorst leefde hij teruggetrokken en bemoeide zich nauwelijks met staatszaken, omdat zijn vorstendom een parlementaire regering had.

Behalve vorst van zijn eigen staat Schwarzburg-Rudolstadt was hij dat ook van het naburige Schwarzburg-Sonderhausen, nadat de zijtak van zijn familie aldaar was uitgestorven.

Hij trad in beide vorstendommen af op 23 resp. 25 november en was daarmee de laatste Duitse monarch die zijn macht verloor. Hij had hij in alle kalmte een regeling kunnen uitwerken, waarbij hij verscheidene kastelen en een forse jaarlijkse dotatie behield. 

Frederik, vorst van Waldeck en Pyrmont

13 november

Frederik van Waldeck en Pyrmont

Behalve heerser over een staatje dat verscheiden stukken grond in het noorden van Duitsland omvatte, was ook hij als generaal in de oorlog actief. Hij trad op 13 november af, niet zonder zich te hebben verzet.

Ook hij wist een regeling te krijgen waarbij hij belangrijke eigendommen in Waldeck behield, plus het vruchtgebruik van het indrukwekkend vorstelijk kasteel in Arolsen. 

Groepsportret van Duitse en andere vorsten die op het einde van de Eerste Wereldoorlog of kort daarna hun troon verloren (uit War Illustrated de Luxe, vol. X)