AFP or licensors

"Journalist" is opnieuw een scheldnaam

Drie professoren communicatiewetenschappen van de VUB keken met verwondering naar het gemanipuleerde filmpje dat het Witte huis verspreidde over de harde uitval van de Amerikaanse president Donald Trump naar topjournalist Jim Acosta van CNN. Ze waarschuwen: "Het vervalsen van 1 video’tje, 100 agressieve tweets, 2 telefoontjes naar een hoofdredacteur, … doet wel degelijk iets af aan de persvrijheid. We moeten onszelf niet wijsmaken dat dat niet zo is."

labels
K. Donders, I. Picone, C. Pauwels.
Karen Donders is docent aan de Vrije Universiteit Brussel, vakgroep communicatiewetenschappen en onderzoeker bij imec-SMIT. Ike Picone is docent aan dezelfde universiteit en tevens werkzaam bij imec-SMIT. Caroline Pauwels is rector van de Vrije Universiteit Brussel.

We weten dat President Trump het niet zo heeft voor journalisten en zij, laten we wel wezen, ook niet voor hem. Maar het lijkt er steeds meer op dat de president degene is die de confrontatie telkens weer op de spits drijft. Hij bestempelt bepaalde nieuwsmedia voortdurend als fake news en journalisten als de vijand van het volk.

 Vorige week ging zijn administratie nog een stap verder. Na een woordenwisseling tussen CNN journalist Jim Acosta en President Trump op een persconferentie verscheen er een video op de extreem rechtse website Infowars.

Daaruit moest, door een slimme montage, blijken dat Acosta een stagiaire die hem de micro afhandig wilde maken, fysiek agressief had behandeld. Sarah Sanders, Trumps' perssecretaris, deelde de video en stelde dat de journalist niet meer welkom was in het Witte Huis.

De  nieuwssite Politico vergeleek de beelden van de persconferentie met de  gemanipuleerde beelden van Sanders.

VRT-correspondent in de VS Björn Soenens  besluit: "Niet Acosta raakte de medewerkster aan, maar omgekeerd".

Kunnen we in zo een vijandige context nog wel verwachten van journalisten dat ze onbevooroordeeld het presidentschap van Donald Trump verslaan, analyseren en evalueren?

Uiteraard. Journalisten moeten er, zelfs in moeilijke omstandigheden, naar streven om burgers zo objectief mogelijk te informeren. Ze moeten niet meegaan in de confrontatie en, meer nog, ze moeten ze ook niet actief zelf opzoeken.Maar zou de president zich best terughoudender opstellen in zijn kritiek op de zogenaamde ‘vierde macht’? Idem dito.

Lees verder onder de foto van Jim Acosta.

AP

Zoals Matthias Dobbelaere-Welvaert hier vorige week reeds aangaf is het niet onlogisch dat er een spanningsveld bestaat tussen machthebbers en kritische journalisten.

“Wat we echter meer en meer zien in het politieke schouwtoneel is dat het respect voor deze natuurlijke spanning plaatsmaakt voor een diepe haat, doorspekt met sterke uitspraken van politici, die ook langs onze zijde beter even nadenken alvorens te tweeten”, aldus de mediaspecialist.

Het is een democratie onwaardig dat de verschillende machten erin elkaar koste wat kost onderuit proberen te halen.

Koste wat kost … zelfs indien daarvoor videomateriaal en dus de waarheid gemanipuleerd moet worden. En dat nota bene door een president en omgeving die de oorlog tegen (zogenaamd) fake news en onwillige journalisten tot een heilige oorlog hebben gemaakt. 

Inmiddels reageerden zowel CNN als diverse andere media en journalistenassociaties op het incident en stellen ze dat het gedrag van de president en zijn administratie laakbaar zijn en ingaan tegen de persvrijheid.

Daar zit geen klein, maar een enorm punt in: moeilijke vragen zijn vaak de nodige vragen en wanneer journalisten, hoe vervelend ook, ze niet meer mogen stellen, is er de facto geen persvrijheid meer.

Dan is een vragenuurtje een PR-moment voor politici, of ze nu president zijn of niet, of ze nu het land leiden, of in de oppositie zitten. 

Journalisten moeten informeren

Uiteraard is bijdragen aan ‘geïnformeerd burgerschap’ door feitelijke informatie aan te reiken één van de belangrijkste taken van de journalistiek. Daarnaast schrijven wetenschappers ook andere taken toe aan journalisten: maatschappelijke problemen onder de aandacht brengen, zelfs indien ze geen voer zijn in het politieke debat, betrokkenheid van de burger bij de samenleving stimuleren en machthebbers controleren.

Het gaat dan niet alleen over politici, maar ook over bedrijven, vakbonden, het onderwijs, sportorganisaties, enz. Macht maakt immers veel dingen mogelijk: goede, maar ook minder goede. 

Het is daarom belangrijk dat er iemand meekijkt over de schouder van machtige mensen en instanties. Lastige vragen en kritiek zijn vaak goed. Het ‘curieuze neuzen’ onderzoek van De Standaard, de medewerking van De Tijd aan het ‘Luxleaks’ onderzoek, de diverse Pano-reportages van VRT NWS, enz. tonen allemaal dat goed journalistiek werk nodig is. 

Kunnen journalisten dan geen fouten maken? Natuurlijk wel. We weten uit onderzoek dat sensatiedrang het soms haalt op de waakhondfunctie. We weten dat media vaak polariseren door complexe politieke discussies tot voor- en tegenstanders te herleiden, alsof er niet 50 shades of grey tussen extremen te vinden zijn.

We weten dat journalisten onder tijdsdruk werk van elkaar of van woordvoerders van bedrijven of politici haast letterlijk kopiëren. De journalistiek gaat dus zeker niet vrijuit. 

Wie controleert de vierde macht?

En er mag dus kritiek zijn op journalisten. Er moet zelfs kritiek zijn op journalisten. Maar enkel en alleen in zoverre die kritiek het niet onmogelijk maakt voor journalisten om op een onafhankelijke manier hun werk te kunnen doen.

Enkel en alleen in zoverre politici door die kritiek er niet voor zorgen dat die moeilijke vragen niet meer komen. Enkel en alleen in zoverre informatieverstrekking niet louter betekent dat mensen een partijprogramma horen en ook niet meer dan dat.

Het vervalsen van 1 video’tje, 100 agressieve tweets, 2 telefoontjes naar een hoofdredacteur, … doet wel degelijk iets af aan de persvrijheid. We moeten onszelf niet wijsmaken dat dat niet zo is.

Videomateriaal manipuleren om een journalist in diskrediet te brengen, hoort daar volgens ons en vele anderen niet bij. Elke mening die je zelf niet deelt, afdoen als fake news maakt ieder maatschappelijk debat onmogelijk. Twitter gebruiken als een schandpaal voor journalisten die hun werk proberen te doen, is gebruik maken van je recht op vrije meningsuiting.

Maar enige matiging van toon zou politici (en journalisten trouwens ook) niet misstaan. Op Europees niveau er niet in slagen om journalisten in de Europese Unie te beschermen in de uitoefening van hun job, is het falen van de Europese democratie. 

Ten opzichte van journalisten is enige politieke terughoudendheid vereist. Er zijn zelfregulerende organen die aangesproken kunnen worden indien men meent dat er sprake is van ernstige deontologische fouten. Bij ons is dat de Raad voor Journalistiek en in de Verenigde Staten, Canada en de diverse lidstaten van de Europese Unie zijn er vergelijkbare organen. Het gebruiken van deze organisaties is de beste oplossing tegen journalistieke wanpraktijken. 

Er zijn daarnaast ook andere fora die gebruikt kunnen worden om een discussie ten gronde over journalistiek te voeren. Denk bijvoorbeeld aan Difference Day, een initiatief dat jaarlijks de persvrijheid, maar ook het beroep van journalistiek onder de aandacht brengt. Waarom niet op 3 mei in Bozar eens de discussie aangaan over partijdigheid van journalisten, de korte tenen en terechte bezorgdheden van politici, het risico om zo vaak mee te gaan in de waan van de dag, enz? 

Het vervalsen van 1 video’tje, 100 agressieve tweets, 2 telefoontjes naar een hoofdredacteur, … doet wel degelijk iets af aan de persvrijheid. We moeten onszelf niet wijsmaken dat dat niet zo is.

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.