Toepassen van recht op kwaliteitsonderwijs migrantenkinderen vordert te traag

Op papier maakt het recht op kwaliteitsonderwijs voor kinderen van migranten en vluchtelingen gestaag vooruitgang, maar in de praktijk verloopt dat proces erg langzaam. Dat is de kern van het in Berlijn door Unesco gepubliceerde rapport "Migration, displacement and education" (Migratie, ontheemding en onderwijs). Sinds het jaar 2000 is het probleem ook letterlijk gegroeid, met een toename van 26 procent van het aantal migranten- en vluchtelingenkinderen op schoolleeftijd. De helft van de globale "ontheemde" bevolking is overigens jonger dan 18. Ook in België kan die opvang beter.

Unesco, het VN-agentschap voor onderwijs, wetenschappen en cultuur, benadrukt dat het aanbieden van kwalitatief onderwijs niet alleen de vluchtelingen en migranten ten goede komt, maar ook de gemeenschap waarin zij leven. Desondanks zijn er regeringen die het recht op goed onderwijs aan migranten- of vluchtelingenkinderen ontzeggen.

Sedert de ondertekening in 2016 van de baanbrekende Declaration for Refugees and Migrants hebben vluchtelingen in totaal anderhalf miljard schooldagen gemist.

Toch ziet Unesco tekenen van beterschap. Beste leerlingen van de klas zijn Canada (waar multiculturalisme in de grondwet is verankerd) en Ierland (dat ondanks de financiële crisis in het land een interculturele onderwijsstrategie op poten zette), maar ook, op het eerste gezicht merkwaardig, arme Afrikaanse landen als Tsjaad, Oeganda en Ethiopië.

Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich landen als Australië, Hongarije, Indonesië, Maleisië en Mexico. Minderheden die op educatief vlak weinig tot geen kans krijgen, zijn, onder anderen, de Rohingya in Bangladesh, de Burundezen in Tanzania, de Birmaanse Karen in Thailand en Afghaanse vluchtelingen in Pakistan. Sommige landen hebben het excuus van gebrekkige financiële middelen. Dat geldt voor Jordanië en Libanon, landen met het hoogste aantal vluchtelingen (veelal uit Syrië) per capita. Landen die van Unesco een pluim krijgen wegens "aanzienlijke investeringen" in onderwijs voor migranten en vluchtelingen, zijn Iran en Rwanda.

Investeringen zijn één ding, er moet ook een voldoende aantal voor de taak opgeleide leerkrachten zijn. Duitsland, bijvoorbeeld, zou om kwaliteitsonderwijs aan alle vluchtelingenkinderen te kunnen geven, 42.000 nieuwe leerkrachten moeten opleiden. Toch blijft geld de grootste zorg, want 89 procent van de vluchtelingen leeft in landen met lage tot middelbare inkomens.

Aan de universiteiten in landen met hoge inkomens is het aandeel studenten met een migrantenachtergrond op twaalf jaar tijd gestegen van 15 tot 18 procent. En toch: "migrantenkinderen krijgen geen eerlijke kans op succes", schrijft Unesco, zich baserend op vergelijkend cijfermateriaal over vroege schoolverlaters en over aangeleerde basisvaardigheden. In België, bijvoorbeeld, gaapt er een kloof van 17 procent bij schoolverlaters in het lager middelbaar tussen tweede-generatiemigranten en autochtonen.

Landen moeten niet denken dat de klus al geklaard is wanneer de immigranten op school zitten, stelt Manos Antoninis, directeur van het rapport. De kinderen van de doelgroepen "worden op veel andere manieren uitgesloten". Maar omdat steeds meer landen de desbetreffende verklaringen over het recht op goed onderwijs ondertekenen, blijft de man positief: "Dit kan het keerpunt zijn".