Heeft VRT NWS overdreven over de traceerbaarheid van Belgisch rundvlees?

Had VRT NWS gelijk dat een derde niet traceerbaar is, of was het toch maar 8 procent? De nieuwsombudsman weegt af. Er is in elk geval een fout gemaakt. "Herkomst van een derde van het rundvlees in de supermarkten onbekend," kopte VRT NWS. Dat was gebaseerd op een steekproef van het herkomstlabel Belbeef. De resultaten van die steekproef waren gelekt bij de redactie. Maar het was netjes geweest om Belbeef vooraf te contacteren en Belbeef te laten uitleggen hoe de proef tot stand was gekomen. Dat dat niet is gebeurd, vind ik in dit geval alvast een fout. En was die titel nu overdreven of niet? 

Belbeef liet een privébedrijf 50 schaaltjes met vlees kopen in diverse supermarkten. Op basis van het etiket werden dan bij de slachthuizen de oren opgevraagd van de dieren die voor dat vlees geslacht waren. Die oren bijhouden is een wettelijke verplichting, maar van een leien dakje liep dat niet. Nu heeft het privébedrijf ook niet hetzelfde gezag als het federale voedselagentschap FAVV om oren op te vragen en soms verliep het onderzoek ook wat amateuristisch. Nog eens terugrijden naar West-Vlaanderen omdat er nog oren vergeten waren? Nee, dat deden ze niet. Uiteindelijk werden van 18 schaaltjes alle oren onderzocht.

Minder goeie resultaten

Van die 18 schaaltjes werd er voor 12 via DNA-analyse perfect bewezen dat het vlees uit die schaaltjes ook écht afkomstig was van de dieren die volgens het systeem voor die schaaltjes geslacht waren. Prima in orde. Maar voor 6 schaaltjes bleek uit DNA-analyse dat het om andere dieren ging. Het lotnummersysteem zei: het gaat om vlees van deze koeien. De DNA-analyse bewees dat het eigenlijk om nog ándere dieren ging. Niemand weet welke. Waarschijnlijk dieren van het lot dat in het slachthuis vlak ervoor of vlak erna kwam. Maar blij kun je niet zijn met dat resultaat. 

Eén derde niet traceerbaar

De feiten zijn dat één derde van het rundvlees uit de Belbeefsteekproef niet traceerbaar was. In de VRT NWS titel werd dat dan: "Herkomst van één derde van het rundvlees in onze supermarkten onbekend." Eén derde uit de (kleine steekproef) of één derde van alle rundvlees? Kan je op basis van een steekproef van maar 18 stalen iets concluderen over alle rundvlees?  Febev, de Belgische vleesfederatie, had het over "een foutieve interpretatie van onderzoeksgegevens".  18 stalen is effectief weinig om een conclusie te trekken over alle rundvlees in Belgische supermarkten.

FAVV-cijfers niet helemaal vergelijkbaar

Het federale voedselagentschap FAVV kwam ook met een persbericht. Het FAVV doet namelijk ook zelf DNA-analyses en dat zijn er heel wat meer: 1.233 de afgelopen drie jaar. Daaruit blijkt dat er met 8 procent van de tests een probleem was. Dat betekent : 8 % van de DNA-tests leverde niet de dieren op die volgens het lotnummersysteem voor het vlees waren geslacht. Er loopt dus echt wel iets niet goed in het systeem. Ook 8 procent is een reëel probleem. 

Eén derde of acht procent?

Maar de cijfers van het FAVV zijn ook niet helemaal vergelijkbaar. De Belbeeftest testte op het eindproduct: schaaltjes uit de supermarkt. Dat is vlees waar het meeste handelingen mee zijn verricht en waar je dus ook de grootste kans hebt op fouten. De FAVV-tests komen ook uit slagerijen én uitsnijderijen. Die uitsnijderijen zitten een stapje vroeger in de keten. Je verwacht dan dat je daar wat minder problemen gaat vinden. De cijfers van FAVV en de kleine Belbeeftest spreken elkaar niet per definitie tegen.

Het meest relevante cijfer is 10,5 procent

Maar de cijfers van het FAVV kunnen ook verder worden uitgesplitst. Het is mogelijk alleen de cijfers te nemen van vlees dat zo dicht mogelijk bij de consument zit. Alleen de tests uit de slagerijen dus. Het gaat zowel om slagers uit de detailhandel als om slagerijen die verbonden zijn aan supermarkten. Vlees uit schaaltjes blijft het allermoeilijkste, maar deze tests zitten toch zo dicht mogelijk bij wat de Belbeeftest probeert te doen. Daarom heb ik die cijfers opgevraagd bij het FAVV.  Ze staan in de tabel hieronder. (lees verder na de tabel)

Uit die cijfers leren we dat in 2015 nog 19 procent van de DNA-stalen uit slagerijen niet spoorden met de oren die bewaard waren. Dat is intrigerend veel. Sindsdien verbeteren de cijfers wel sterk. In 2017 ging het nog om 10,5 procent. Het gaat voor elk jaar over honderden stalen, genomen door de bevoegde instantie. Wat toch een beter beeld geeft dan de beperkte steekproef van Belbeef.

Ik stel met een beetje verbazing vast dat ik als ombudsman de eerste ben die deze cijfers op VRT NWS publiceert. De zoektocht naar relevante cijfers uit een groter staal had ook kunnen gebeuren tijdens de voorbereiding van de berichtgeving van vorige vrijdag. Het getuigt toch van wat gebrek aan nieuwsgierigheid dat dat niet gebeurd is. En dat Belbeef niet vooraf gecontacteerd werd, getuigt in dit geval toch van wat gebrek aan gevoel voor fairplay.  De journalist en de redactiecoördinator die het stuk vorige vrijdag samen hebben doorgepraat, zijn daar samen verantwoordelijk voor.  Ze hadden allebei hun werk beter kunnen doen. 

Een derde is te kort door de bocht

De conclusie dat een derde van het rundvlees niet traceerbaar is, is dus naar mijn aanvoelen wat te snel genomen.  Met name wanneer er wel degelijk grotere steekproeven beschikbaar zijn. Tien procent is juister, en overigens nog steeds alarmerend.  Bovendien heb ik een probleem met sommige formuleringen uit de eerste versie van het artikel. In die eerste versie werd de indruk gegeven dat het normaal zou zijn mochten de supermarkten op de Belbeefsteekproef reageren door het Belbeefvlees uit de rekken te nemen. Dat is wat overdreven omdat er op dit moment geen aanleiding is om aan te nemen dat het om vlees van buiten de keten zou gaan.

Ook al staat de retracering niet op punt, er is geen indicatie dat het zou gaan om vlees dat niet gewoon gekeurd en gecontroleerd is. Het artikel zei ook zelf van in het begin dat de slechte retracering niet betekent dat het vlees ongezond zou zijn. Maar dat wil niet zeggen dat er geen probleem is.  Geen enkel systeem werkt ooit perfect. Maar tien procent slecht werkende retracering is nog altijd te veel.

Traceerbaarheid is echt belangrijk

Ik heb ruwweg 20 jaar geleden heel veel journalistieke energie in de dioxinecrisis mogen steken. Voor degenen die roepen dat die crisis sterk overdreven werd:  ik ben het daar niet mee eens. Ook toen ging het in essentie over het falen van de voedselketenbewaking.

De sector heeft toen zware schade geleden omdat ze niet overtuigend genoeg vlees (en voeder) kon retraceren. Als er op een dag bij een steekproef bijvoorbeeld dioxine wordt gevonden, moet je weten van welk dier dat vlees komt, en vooral welk voeder dat dier heeft gegeten. Want het probleem zit waarschijnlijk bij dat voeder.

Nieuwswaardig en betreurenswaardig

Als je niet geloofwaardig kunt traceren, willen andere landen wel eens beslissen om helemaal geen Belgisch vlees meer in te voeren.  Daarmee doen die landen vaak ook hun eigen vleessector gauw even een plezier door de Belgische concurrent tijdelijk uit te schakelen.  Maar de conclusie is wel: een geloofwaardig retraceringssysteem is belangrijk.  Dat het retraceringssysteem 20 jaar na de dioxinecrisis nog steeds niet op punt staat, vind ik absoluut een nieuwswaardig gegeven. En dat is wel degelijk aan het licht gekomen door de Belbeefsteekproef die aan de VRT NWS-redactie werd gelekt. Des te meer valt het te betreuren dat het voorbereidende journalistieke werk beter had gekund.