Het stroomtekort: kunnen we niet meer stroom invoeren?

Onze weggevallen kernreactoren kunnen nooit volledig vervangen worden door andere binnenlandse elektriciteitscentrales. We hebben er gewoon te weinig. Maar kan de import ons niet redden? Dat kan, maar er zijn een aantal elementen die de import kunnen verstoren.

Ons land heeft goede hoogspanningsverbindingen met het buitenland (de zogenaamde interconnecties). We kunnen maar liefst 5.500 megawatt aan stroom invoeren, benadrukt Elia. Dat is meer dan de zes weggevallen kerncentrales. Waar is het probleem dan?

11.700 megawatt verbindingen met Nederland en Frankrijk

Die superautosnelwegen naar het buitenland gaan voorlopig wel maar alleen richting Nederland en Frankrijk. Maar ze zijn groot. Naar Nederland liggen er 4 lijnen van elk 1.500 megawatt, 6.000 in totaal dus. En naar Frankrijk hebben we zes lijnen: 3 van 1.500 megawatt en nog eens 3 waarover elk 400 megawatt kan worden getransporteerd: nog eens 5.700 megawatt erbij. In totaal zouden we dus 11.700 megawatt kunnen invoeren. Dat is bijna twee keer ons volledige nucleaire park. Maar dat is de theorie. In de praktijk mag onze hoogspanningsnetbeheerder nooit zo’n massa stroom vervoeren, omdat dan de veiligheid van het hele Europese net in het gedrang komt.

In theorie hebben we 11.700 megawatt aan verbindingen met het buitenland. Dat is bijna twee keer ons nucleaire park. Maar in de praktijk valt daar meer dan de helft van weg.

Zo moet er naar Nederland en Frankrijk telkens 1.500 megawatt worden vrijgehouden. Dan ben je er al 3.000 kwijt, ruim een kwart van je capaciteit. Uit veiligheid. Want als we ruimte niet hebben, zijn we een vogel voor de kat als er een massale buitenlandse black-out aankomt.

3.000 megawatt weg om een black-out te voorkomen

Zo’n black-out, een compleet onverwachtse massale stroomuitval, beleefde Europa voor het laatst op 4 november 2006, rond 22u10 ‘s avonds. Toen zorgde een overbelasting van Duitse hoogspanningslijnen voor een ongecontroleerde kettingreactie over het hele Europese stroomnet. Op amper 17 seconden viel het Europese net in drie grote stukken uiteen. Vijftien miljoen gezinnen over heel West- en Oost-Europa zaten plots in het donker omdat overal bijna letterlijk bliksemsnel stroomcentrales uitvielen: de black-out raasde met een snelheid van ca. 460.000 kilometer per uur door het continent. Duitsland, het grootste deel van Frankrijk, maar ook Nederland, Spanje, Portugal, Italië, Oostenrijk, Kroatië, Slovenië werden getroffen. En ook België. Onder meer in de Kempen rond Antwerpen, rond Gent en Luik gingen meerdere gemeenten in het donker.

De reportage uit 2006 vindt u hier:

Video player inladen ...

Een black-out zoals in 2006 waarbij op 20 seconden 15 miljoen gezinnen in het donker vielen, die willen we niet meer meemaken.

De black-out flitste zelfs de Middellandse zee over. Amper 21 seconden nadat hij in Duitsland was ontstaan vielen de hoogspanningslijnen van Spanje naar Marokko uit. Overal raakte het treinverkeer in de war, mensen raakten geblokkeerd in liften, verkeerslichten vielen stil… Gelukkig raakten de problemen na een paar uur opgelost. Maar de black-out had wel honderden miljoenen euro’s gekost. Mocht ons land nu door een totale black-out worden getroffen, zou ons dat 126 miljoen euro kosten. Per uur.

Een massale black-out kost ons land 126 miljoen euro. Per uur.

Zo’n massale plotse stroomuitval wil Europa niet meer meemaken. Daarom werd de coördinatie tussen de hoogspanningsnetbeheerders verbeterd, zodat de grote back-up-hoogspanningslijnen zeker overal vrij blijven. Voor België betekent dat dus 3.000 megawatt vrijhouden.

3.200 megawatt weg om overbelasting en instabiliteit te voorkomen

4.500 megawatt in het noorden en 4.200 megawatt in het zuiden blijven er dus over, die in totaal over 8 overblijvende hoogspanningslijnen ons land binnen komen. Die allemaal tegelijkertijd maximaal stroom laten invoeren, is niet alleen technisch zeer moeilijk, maar ook nog gevaarlijk. Lijnen die tot op de limiet volgepropt zitten met stroom raken onmiddellijk overbelast. Dus worden er nog veiligheidsmarges voorzien, onder meer om de moeilijk voorspelbare stroom uit de windmolens en zonnepanelen te kunnen opvangen.

In de praktijk moet er rond de 2.700 megawatt ruimte vrij blijven om die overbelasting te vermijden. En de overgebleven stroom die over de lijnen komt, moet ook nog een stabiele spanning kunnen behouden. Dat kost makkelijk nog eens 500 megawatt. Maar die is wel nodig. Want als de spanningsstabiliteit wegvalt, verliest het hele net zijn evenwicht, kan het instorten en is een nieuwe black-out een feit. Koste wat het kost te vermijden dus. Resultaat: in de praktijk blijft er voor ons land 5.500 megawatt importcapaciteit over, 47% van wat er aan interconnecties ligt. Dat lijkt op het eerste gezicht een enorme verspilling aan middelen, maar dat is dus technisch absoluut nodig. Elke Europese lidstaat heeft namelijk de verantwoordelijkheid om zijn deel van het Europese hoogspanningsnet overeind te houden. En Elia neemt naar eigen zeggen die verantwoordelijkheid zeer ernstig. De 53% veiligheidsmarges maken dat onze hoogspanningsnetbeheerder stevig gewapend is om een grote Europese black-out op te vangen.

5.500 megawatt blijft gegarandeerd over

Die 5.500 megawatt is bijna genoeg om heel ons kernenergiepark te vervangen. Maar dat is nog nooit nodig geweest. De lijnen worden wel heel vaak gebruikt om stroom in te voeren. Maar even goed om onze stroom uit te voeren. Of om stroom via België van Noord- naar Zuid-Europa te transporteren. Verkochte stroom, waarvoor elke dag de nodige ruimte wordt gereserveerd op de hoogspanningsverbindingen. De hoogspanningsnetbeheerders zijn nog in april dit jaar overeengekomen dat die verkochte stroom op hun binnenlandse lijn nog een extra bescherming krijgen, zodat die altijd kan worden afgeleverd.

We hebben een pechstrook op onze binnenlandse hoogspanningslijnen om de bestelde stroom altijd door te kunnen laten.

Eigenlijk is dat een soort vrije “pechstrook” van 20% op de binnenlandse stroomsnelwegen om de 5.500 megawatt stroom ook in moeilijke tijden te kunnen garanderen. En we zitten in moeilijke tijden: we kopen bij momenten wel bijzonder veel buitenlandse stroom aan Op dinsdag 25 september bijvoorbeeld waren we maar liefst 4.941 megawatt aan het invoeren: een record. Op dat moment kwam bijna 45% van onze verbruikte stroom uit het buitenland. Ongezien.

2.000 megawatt Duitse stroom blokkeert de Belgische pechstrook

Maar zolang de pechstrook vrij blijft, is er dus geen probleem. Alleen is die pechstrook op bepaalde momenten niet vrij. Omdat ze wordt overspoeld door massa’s Duitse elektronen die zich vanuit Noord-Duitsland (letterlijk!) bliksemsnel een weg banen via de Nederlandse hoogspanningsverbindingen dwars door België naar Frankrijk om vandaaruit weer de grens over te stormen naar Zuid-Duitsland. Dat zijn de zogenaamde “loop flows”. Gigantische stromen van soms wel 2.000 megawatt die zich een weg persen door het Belgische hoogspanningsnet.

Die loop-flows zijn een gevolg van de Duitse Energiewende. Duitsland besliste na de kernramp in Fukushima zijn kernuitstap versneld uit te voeren: 8 kernreactoren gingen meteen dicht. De overige sluiten tegen 2022. Het zette massaal in op groene stroom: windparken en zonnepanelen. En op grote steenkool- bruinkoolcentrales. Die maken massaal spotgoedkope stroom. Maar de grote meerderheid van die windmolenparken en kolencentrales bevinden zich in Noord-Duitsland. Terwijl vooral het zuiden die stroom nodig heeft: de machtige Beierse industrie, en de industriële assen in Baden-Württemberg, Rheinland Pfaltz en Hessen met onder meer autoconstructeurs BMW, Audi, Mercedes en Opel, reuzenbedrijven zoals Siemens en Bosch, en de chemische giganten BASF en Bayer. Probleem: Duitsland heeft zelf niet genoeg binnenlandse hoogspanningsleidingen om die massa’s stroom over zijn eigen grondgebied van het noorden naar het zuiden te vervoeren. De Duitse hoogspanningsleidingen zitten om de haverklap propvol stroom. En de massa’s elektronen die daar niet meer op raken volgen dan de ijzeren wetten van de natuurkunde: ze zoeken gewoon de weg van de minste weerstand. En dat doen ze razendsnel.

Niets houdt de massa’s Duitse elektronen tegen: ze bestormen alle mogelijke hoogspanningsverbindingen, ook het Belgische hoogspanningsnet.

Zo stormen sinds een aantal jaren bij momenten massa’s Duitse stroom van noord naar zuid, dwars door Europa. Niets houdt hen tegen, en ze zoeken alle mogelijke wegen. Vaak is dat via het oosten, over de Poolse en Tsjechische hoogspanningsnetten. Maar even vaak kiezen ze een westerse route, en razen ze via de interconnecties met Nederland dwars over het Belgische grondgebied naar het zuiden. Ze nemen daarbij de volledige pechstrook in, iets wat niet mag van Europa. Maar de ijzeren wetten van de natuur laten zich niet aan banden leggen door de papieren wetten van Europa.

De loop-flows kan je technisch wel tegen houden, met de zogenaamde dwarsregeltransformatoren. Die zijn normaal bedoeld om de stroom wat beter te sturen Maar je kan er de hoogspanningslijnen mee dichtknijpen. Dan krijgen andere landen de Duitse stroom massaal over zich heen. Als die ook hun dwarsregeltransformatoren beginnen in te zetten, kunnen de Duitsers met hun stroom nergens meer heen. Ze moeten dan noodgedwongen hun windmolens en kolencentrales stilleggen, zo niet dreigt er een overbelasting en instorting van het net. De dwarsregeltransformatoren zijn op dat moment eigenlijk een drukkingsmiddel om de Duitsers te dwingen hun stroomproductie aan te passen.

Duitsland beseft dat zijn illegale optreden België in een stroomcrisis kan storten en zal zijn verstorende elektriciteitsstromen stilleggen.

Maar er is een betere oplossing dan dwang. Er is ook nog de weg van de diplomatie. Eind oktober trok onze minister van Energie Marghem naar haar Duitse collega, Peter Altmaier om het probleem van de loop-flows aan te kaarten. Die had al langer begrepen dat de Duitse overtreding van de Europese energiewetgeving ons land echt in een stroomcrisis kon storten. Duitsland tekende meteen een overeenkomst waarbij het beloofde vrijwillig zelf zijn windmolenparken en kolencentrales uit te leggen wanneer de Duitse loop-flows de Belgische bevoorradingszekerheid dreigden te verstoren. En dat kan eigenlijk zonder veel problemen. Want Duitsland heeft in het zuiden zelf nog genoeg stroomcentrales staan om de weggevallen elektriciteit uit het noorden op te vangen.

De Duitse stroom zal hierdoor wel duurder worden. Of België dat mee moet betalen is nog niet duidelijk.

Enige probleem: de stroom uit de zuidelijke centrales is duurder dan die uit het noorden. Wie die meerkost zal betalen, is onduidelijk. De Duitse minister liet verstaan dat België die kosten niet alleen zou moeten dragen. Maar “niet alleen” is natuurlijk nog iets anders dan “helemaal niet”.  Het is niet uitgesloten dat een deeltje van de extra Duitse stroomkosten op de factuur van de Belgische stroomverbruiker terecht komt.

Voor import hebben we wel stroomoverschotten in het buitenland nodig

Dat Duitsland zijn verstorende stroomtransporten zal stilleggen, doet de kans op onze stroomtekort aanzienlijk dalen. We kunnen onze interconnecties dan volop benutten om buitenlandse stroomoverschotten te importeren. Alleen moeten die overschotten er wel zijn. En dat is niet altijd gegarandeerd.

Het is effectief al gebeurd dat landen die ons normaal stroom leveren, plots niet meer thuis geven. Of sterker nog: stroom komen wegzuigen bij ons, omdat ze zelf met grotere tekorten kampen dan wij. Als onze grote buurlanden in stroomnood raken, is het gat bijna altijd groter dan in het kleine België. En ontsnappen de Belgische elektronen via de ijzeren wetten van de natuur bliksemsnel naar de plaats waar ze het meeste ruimte hebben. Bij onze grote oosterbuur Duitsland is dat probleem zo goed als onbestaande: Duitsland heeft bijna altijd stroom op overschot. En er is ook geen directe hoogspanningsverbinding tussen België en Duitsland. En ook de Nederlanders hebben in normaal gezien genoeg centrales op overschot. Maar bij onze zuiderburen, de Fransen, zitten we in een heel ander verhaal.

Buitenlandse stroomoverschotten zijn niet altijd gegarandeerd: bij grote koude gaat vooral Frankrijk op zoek naar stroom.

De Fransen hebben een heel grote stroomvoorraad. Maar liefst 58 kernreactoren hebben ze staan, het grootste nucleaire park van Europa. Daarnaast beschikken zo ook nog over tal van waterkrachtcentrales met de stuwdammen in de Franse bergmassieven, naast een kleine vloot gascentrales en nog wat steenkool. En ze hebben ruimte in overvloed om windmolens en zonnepanelen te plaatsen. Frankrijk is traditioneel een grote exporteur van elektriciteit. Ze stonden dan ook meteen klaar om ons hulp te bieden toen we met onze kernreactoren in de problemen raakten. Gedurende heel de moeilijke maand november konden we rekenen op Franse stroom, zo beloofden ze onze overheid. Maar die belofte maakten ze niet voor januari en februari, de koudste en donkerste wintermaanden, wanneer de stroomnood in heel Europa het hoogste is.

En ze wisten goed waarom. Frankrijk heeft zo massaal ingezet op elektriciteit als energiebron, dat het zelf zijn verwarming door stroomcentrales liet voeden, en veel minder door gas of stookolie. Jarenlang moedigde de Franse overheid haar burgers aan te kiezen voor elektrische verwarmingssystemen: haar 58 kernreactoren produceerden toch massa’s goedkope elektriciteit. En gasverwarming aanleggen is -vooral in het warme zuiden- gewoon te duur, omdat die amper wordt gebruikt. Op de weinige koude dagen is het veel economischer af en toe eens een elektrische convector aan te zetten.

Maar die te eenzijdige inzet op elektriciteit heeft ook een keerzijde. Want als het echt koud wordt, raken de Fransen in de problemen. Elektrische verwarmingen slorpen namelijk enorm veel stroom op: ze zijn bijzonder inefficiënt. En dat laat zich voelen: per graad temperatuurverlies hebben de Fransen ruim 2.200 megawatt extra stroom nodig. Dat zijn 2 grote kernreactoren.

Per graad temperatuurverlies heeft Frankrijk 2 grote kernreactoren extra nodig.  

En in januari ligt de gemiddelde temperatuur in Frankrijk makkelijk 4 graden lager dan in november. Dan hebben onze zuiderburen maar liefst 8 grote kernreactoren extra nodig om hun eigen stroomnoden te dekken. En als de winter echt toeslaat, met een koudegolf die tot in het zuiden reikt, schakelen al die Fransen overal hun elektrische verwarming aan, en komen er makkelijk nog eens zoveel kernreactoren bij. Ze verslinden dan tot 3 keer meer elektriciteit dan op de rustige momenten. Maar die extra capaciteit heeft Frankrijk niet. Op dat moment moeten de Fransen zelf op zoek naar extra stroom uit het buitenland en stoppen hun leveringen aan ons. Als het echt fout loopt, trekken ze zelfs de schaarse stroom weg uit België. En dat kunnen we komende winter missen als kiespijn.

En als er een koudegolf over Frankrijk hangt, is dat niet zelden door een winter die heel West-Europa in zijn greep heeft. Ook de Nederlanders en de Duitsers kijken dan eerst naar hun stroomnoden, en dan pas naar die van de Belgen.

Er komen nieuwe stroomverbindingen aan, maar niet voor deze winter

Maar er is ook goed nieuws: want vanaf volgend jaar kunnen we terecht bij de Britten voor extra stroom. Voor het eerst in onze geschiedenis. Hoogspanningsnetbeheerder Elia legt op dit moment een onderzeese hoogspanningslijn naar Groot-Brittannië: de Nemo link. Een hypermoderne interconnector die 1.000 megawatt extra import zal opleveren. Dat is één grote kernreactor erbij, met stroom vanuit een land dat bovendien een uur tijdsverschil heeft met België. De stroompieken bij de Britten komen dus een uur later dan bij ons: heel interessant wanneer je tussen 5 en 8 ’s avonds in de problemen raakt: het eerste uur hebben de Britten zo goed als zeker stroom op overschot, die we heel goed zullen kunnen gebruiken mocht onze kernreactoren nog eens in ernstige problemen raken.

De reportage over Nemo vindt u hier.

2 nieuwe hoogspanningsverbindingen naar Duitsland en Groot-Brittannië bieden een oplossing. Alleen zijn die verbindingen pas midden 2019 en eind 2020 klaar.

Maar Nemo is er nog niet komende winter: de interconnectie met de Britten zal naar verwachting pas in de lente klaar zijn.

Ook naar Duitsland komt een nieuwe hoogspanningsverbinding: voor het eerst in 80 jaar zullen we weer direct stroom kunnen uitwisselen met onze oosterburen. Die dus dikwijls stroomoverschotten hebben. Het project, Alegro, moet eind 2020 klaar zijn en loopt vanuit het Luikse via de hst-spoorlijn naar Duitsland, om de impact op het milieu zoveel mogelijk te verkleinen. 90 kilometer kabel zal er worden gelegd, goed voor nog eens 1.000 megawatt aan extra capaciteit.

De verbindingen komen mooi op tijd om de sluiting van onze eerste kerncentrales op te vangen: die gaan in 2022 en 2023 dicht. Dan sluiten Doel 3 en Tihange 2 en zijn we ruim 2.000 megawatt kwijt, maar zullen we hopelijk niet meer moeten vrezen voor een stroomtekort.